Pekka_Kuusisto

Bekeken publiek

Bekeken publiek.

Publiek, dat kennen we. Het is de partij die aan de andere kant van het podium zit een naar je aan het kijken is. We hebben een ongeschreven afspraak onderling, dat als de artiest staat te spelen of te acteren, het publiek aandachtig luistert en als blijk van waardering naderhand gaat applaudisseren..

Een aantal jaren geleden was publiek met een abonnement toch een beetje not-done. Er werd met het nodige dedain naar gekeken. Nu houd ik (Renk van Oyen) mij vanuit La Clappeye Acts én Oude Muziek Brabant en als freelancer, veel bezig met publieksbereik en kijk ik ook naar de eigenaardigheden van de verschillende soorten publiek.

Hoewel ik niet officieel een marketeer ben, is dat wel ook onderdeel van mijn werk. Dat maakt m’n werk zo leuk, ik mag me overal mee bemoeien… en dat doe ik dan ook.

Het is heel grappig te zien dat publiek niet zomaar publiek is. Nog los van de ongeschreven afspraken die je met elkaar hebt gemaakt, kent elke groep zo zijn eigenaardigheden. Men vergeet vaak dat die eigenaardigheden niet altijd op afstand van de zaal meetbaar zijn- de parameters van je doelgroep, waarop je je richt bij publiekswerving –maar pas ín de zaal of in de foyer voorafgaand aan of na de voorstelling pas zichtbaar worden!  Dat zijn héél belangrijke factoren, die door marketeers maar ook door programmeurs nogal eens over het hoofd worden gezien. Als je de potentiële kopers van een bankstel in je winkel hebt, wil je er toch ook voor zorgen dat ze ín die winkel op een nette manier worden bejegend? Dat geldt dubbel zo hard voor het theater, natuurlijk.

Abonnementen.

Ik schreef al over abonnementhouders. Dat zijn trouwe bezoekers maar toch… ze lijken meer te consumeren dan dat ze daadwerkelijk ín de voorstelling zitten. Van hen was bekend dat zij zich thuisvoelden in het theater, dat ze graag gezien werden na de voorstelling, in de foyer en graag erkenning wilde van hun connaisseurschap. Na de voorstelling was het grappig om te zien hoe dat werkte. Het abonnementpubliek dronk wel wat, maar was meer bezig zich ten opzochte van hun collega’s te laten zien als zijnde connaisseurs.. kind aan huis, ze hadden al zeker 6 voorstellingen gezien. Als zij eenmaal weg waren, bleef er een kliekje over die wij het “echte” theaterpubliek vonden. De acteurs waren eenmaal klaar met douchen en afschminken en daalden af naar de foyer. De echte liefhebbers waren overgebleven en waren trots zich te mogen mengen met de theatermakers. Pas een jaar of 12 geleden, kwamen marketeers en theatermakers op het geweldige idee om metéén het publiek en de theatermakers met elkaar te vermengen. Geen artiestenfoyers meer, gewoon aan de bar met Pierre Bokma en Kitty Courbois. Afgekeken van Brabant, waar dit al wat gewoner was dan in het noorden. Concepting was aan het oprukken en oplettende concepters hadden allang gezien dat je de eigenaardigheden van het publiek moest omzetten naar betrokkenheid, naar bevestigen en belonen van hun relatie tot het gezelschap of het theater. De muur tussen uivoerenden en publiek was aan het vervagen. Dezelfde “vierde muur” die we kennen van het toneel, overigens. Ook daar was publiek en de maker onderling uitwisselbaar. Dat gebeurde ook letterlijk, door het publiek op het podium te planten, en de acteurs speelden in de zaal. Redelijk nieuw was dat toen, nu moet je wel met iets interessanters komen, wil je dat verschijnsel nog nieuw kunnen noemen.

In ’s-Hertogenbosch staat het publiek er om bekend dat ze voor bijna alles een staande ovatie geven. Al is de voorstelling van een pijnlijk slechte kwaliteit… de Bosschenaar gaat er met alle liefde voor staan. Ik denk zelf dat dit niet zozeer een uiting van bewondering is. Met gaan staan, trek je de acteur naar hetzelfde niveau toe; je forceert een gelijkwaardigheid. Boven een recensie van Festival Boulevard stond eens de kop “Den Bosch klapt vooral voor kunstjes.” Het is toch een beetje zeggen dat je waardering toont, maar ga vooral niet naast je schoenen lopen. We blijven calvinisten, zelfs in het Zuiden. Niet dat dit slecht is, alleen is het wel jammer dat er nauwelijks een overstijgende trap is van een staande ovatie, om je bewondering te tonen. In het concertgebouw in Amsterdam ontstond zowaar een protestactie door musici. En er werden papiertjes opgehangen met de vraag niet voor alles te gaan staan.

Geld terug?

In sommige zalen is het even de gewoonte geweest een niet-goed-geld-terug-garantie te geven. Mocht je als publiek na de voorstelling besluiten dat je het niks vond, gewoon geld terug en nog een kopje koffie erbij voor de troost. Zelf heb ik altijd geweigerd daar aan mee te werken. Je neemt een aanvaardbaar risico als publiek. Je orienteert je, leest de site, de kritieken. En op basis daar van, besluit je het risico te nemen of niet. Het is abstract en het is gemaakt om een gevoel en beleving over te brengen. Of dit iets moois met je heeft gedaan of niet… de beleving heb je gehad. Dus niks geld terug. Wat een arrogantie, eigenlijk!

De niet-goed-geld-terug-garantie werd destijds ook meer ingegeven door het beleid van van der Ploeg dan door het publiek zelf. Entree: meespeeltheater, terugspeeltheater, interactief theater, theater-interviews. Allemaal manieren om de dialoog aan te gaan met het publiek. Eentje die verder moest gaan dan een staande ovatie als blijk van waardering, én tegelijkertijd de hiërarchie- voor zover die er nog was –met tak en wortel uit te roeien. Ik ben het in mijn loopbaan niet vaak tegengekomen dat mensen hun geld terug mochten vragen. Gelukkig maar. Toch is ook dit weer een stapje verder in de zelf-emancipering van het publiek. Dan moet er dus ook sprake zijn van een zekere achterstand, toch? Als ik “moeilijk publiek”’  even buiten beschouwing laat, zie ik niet zo’n achterstand bij het publiek ten opzichte van de rest van de wereld. Laat staan ten opzichte van theatermakers. Maar het hoort wel bij de democratisering van de kunst en de mythe van de beschikbaarheid, als basis voor vrijheid. Auto-emancipatie is in dit licht een betere term dan zelf-emancipatie. Als de hiërarchie weg is, en je wil nogsteeds entertaint worden, dan moet er toch een scheiding zijn tussen de spelers en de kijkers. Je kunt de scheiding wel weggummen… maar als je aan het einde applaudisseert, stem je in met die scheiding tussen de kunstenaar en het publiek. Is auto-emancipatie dan niet gewoon een vorm van cultureel darwinisme? We zijn niet meer bereid de geschiedenis af te wachten, trends en langzame divergente ontwikkelingen willen we niet meer. Dat wringt! Daar willen we van af. Dat kan niet democratisch zijn!

Asymetrische reciprociteit is dat. Men is afhankelijk van elkaar, heeft gelijkwaardig ruilmateriaal (applaus en waardering t.o.v. het artistieke product), maar de gelijkwaardige relatie is op een ander vlak tegelijkertijd hiërarchisch te noemen. Te vergelijken met je baas die tegelijkertijd ook je neef is.

Dus theater willen we niet consumeren, we willen niet een te grote kloof tussen uitvoerenden en het publiek, maar wel willen we dat er een stukje magie overblijft… We moeten aan de buitenkant doen alsof maker en toeschouwer beiden hetzelfde zijn, gelijkwaardig, geen spreker of toehoorder… en dan accepteren we als publiek dat ze toch nog eventjes maar, iets anders zijn dan wij en zelfs iets kunnen wat wij stervelingen niet kunnen: acteren, musiceren, dansen en zingen.

Het abonnementspubliek wil vooral comfort, niet teveel toeters en bellen en liever geen thematische benadering, anders dan die van de serie waarin ze zich hebben ingekocht. Het is een groep die gewend is aan een hoog servicegehalte, niet te veel hoeven wachten, hebben zich vooraf goed ingelezen in de materie, kennen de cast van haver tot gort (in theorie) en ze wonen graag goed georganiseerde lezingen en voorbesprekingen bij. Maar… dit is wel een beeld van alweer 5 jaar geleden. Ouder abonnementspubliek van toen, is nu weer 5 jaar ouder, en dat zijn ook de mensen die toen 5 jaar jonger waren. In die tijd is er alweer heel veel anders geworden.

Festivals Klassiek: Experimenteer meer!

Sommige festivals hebben het goed begrepen. De voorstellingen en concerten binnen het festival, raken via zo veel lijntjes het publiek, daar is deze blog even te kort voor. Maar de stap ná het kopen van het kaartje… dat is nogsteeds een achtergebleven gebied.

Ik was nauw betrokken bij het Storioni Festival 2011, een klassiek festival. Ze hadden op een aantal dagen na de concerten een soort talkshow, waarvan de formule was (en ik citeer) “we zien wel wat er gebeurt.” Als het aan mij had gelegen had ik de boel van A. tot Z. vooraf tot in de details geregisseerd.  Niets aan het toeval overgelaten. Hoewel hier en daar soms wat knullig, verliepen de “talkshows” in de foyer, na de concerten , wonderwel! Ik was verbaasd over de informele sfeer. Maar wat mij van mijzelf verbaasde, was het feit dat het publiek (gemiddeld 50-55 jaar oud), een heel ander mediorenpuliek was dan ik had verwacht. Ik ken wel de onderzoeken en de eigenschappen van het publiek, maar hier zie ik mensen die weliswaar gemiddeld 55 jaar oud zijn, maar toch iets alternatiefs over zich hebben, verrassend veel bleken te weten van de optredende artiesten en heel breed georienteerd waren. Het waren vooral de mensen die meerdere concerten bezochten, die de sfeer van het festival bepaalden. Kortom, het verkregen inzicht was (voor dit festival): EXPERIMENTEER VEEL MEER! Het zijn mensen die blijkbaar toch iets méér willen, betrokken willen zijn bij het geheel, de formaliteit willen loslaten. Dit is voor de klassieke muziek uiterst goed nieuws! Ik had voor dit festival met een collega (Tanja Beugelsdijk van Beugelsdijk communicatie) een sociale media campagne uit de grond gestampt.

Het werkte uitstekend maar bij een volgende editie ga ik zeker andere keuzes maken in de inzet er van! Sowieso veel meer integreren binnen de randprogrammering.

Aanbevelingen.

Voor mij als man van La Clappeye is dit heel interessant. Ik ben meer maker dan marketeer en dit is klassiek publiek 2.0, waarmee nog heel veel mooie successen te behalen zijn! Maar wel binnen een veel breder concept dan op hoop van zegen losse onderdelen aanelkaar te plakken. Ik adviseer: maak korrelig wat strakgestreken was, ga niet meer uit van teveel veronderstellingen, stel “organische” ontmoetingen samen, niet alles dood-produceren, laat de inhoud van de concerten voor zichzelf spreken, zonder te veel “gemaakte” poespas erbij, en ga voor en na de voorstelling zorgen dat het festival sfeer krijgt en versterk dáár de binding van het publiek met makers en festival!

[fblike]