Category Archives: Everydaylife

Keepers of souvenirs as meaningmakers

Carrying ‘m home

In grannies cupboard, lies an old pen with mountainview and a fluid, in which a little ship goes up and down if you hold the pen upside down. The pen never really worked properly and the fluid has leaked away. Nevertheless, it was a souvenir and we keep it. They have a special place in our house, minds and memories. They transfer meanings, but only through its owner.

You could say, the souvenir was already purchased when we were still at home. The souvenir relates to our bodies, our homes, the construction of our sense of self and place.

Souvenirs transfer meaning and culture, by means of their material qualities. A wooden carving, made from a regional kind of wood, gives meaning through the work involved making it, the details made by the craftsman, the time it took to make it, the place where you bought the thing, the context wherein you bought it, its size, its weight, its grainy structure. They are all coupled to its meaning, at the very moment it changed hands.

The relationship between an object and its owner, is almost a magical one, according to many anthropologists and scholars. The object is imbrued with meaning, it has the power to ‘communicate’ and it tangibly occupies a space, whilst symbolising another symbolically-  temporal and geographical.

Mass production

Even mass-produced plastic rubbish, implicitely carries these qualities, although there is a significant loss in containing and transferring meaning, due to lack of forementioned qualities.

The souvenir has meaningful qualities and traits, because of its connection to the owner. Without a narrative, the souvenir is worthless. In mass production there has been given no meaning to the product by means of material qualities. On the contrary, souvenirs bought in mass tourism, exemplifies the very thing people want to escape from: work. (Benson)

Even the simplest mass produced plastic souvenirs, can carry meaning. And they do, ofcourse. However, the constructed narrative of its owner survives this process of exchange, minus many many meaningful material qualities. The remaining narrative, makes the purchased souvenir a ‘ mediating object.’  Something that is amplified by its later place within the house and household, within objects that make you you, but as an outsider’s experience and perception of the experience of a site. (Benson)

Home and the souvenir

Whilst travelling, the souvenir you’re going to buy, already has a connection to you and your home. There’s a bond between your body, the ‘self’ and the construction of identity, primarily because your home is the main place where people create their reality and sense of self, in everyday life. Within this personal museum, you move in the presence of familiar objects ad images- constructing, annotating and forming your personality, your ways of meaning making and transference and ways of telling both yourself and the world, what you find important and what not. Souvenirs usually embody the same characteristics. To name a simple example in the context of materiality: a wooden carving has to fit the salon table.

We inscribe the perception of home on particular places and locations, without necessarily having to be there. Potentially we have the capacity to create our own notion of home. Within post-modern society the sense of place and perceptions of home is both highly standardised and commodified, aswell as constructed by means of tourism. Even the sense of authenticity, embodied by artefacts, souvenirs and totems, is often a constructed one. Some thrive on the sense of nostalgia, not all of them, as the sense of nostalgia is experienced by the tourist, not particularly the locale itself.

Example from forum on the relationship souvenir/ownership
My parents’ souvenir spoons; let me show you them. January 23, 2010 I have inherited a collection of souvenir spoons. Can you suggest funky or creative ways to display these? They came with the standard souvenir spoon display board, which I don’t care for. For what it is worth, I have not visited all of the places that these spoons were obtained, though I respect the fact that my parents chose to go to these places and obviously had nice memories of these trips. posted by Morrigan

Commercialised, mass produced souvenirs, can represent a manufactured notion of nostalgia, building on the desire of constructing a shared narrative. This does still not mean, the bought souvenirs are without meaning! Physical contact with objects collected during travels (like souvenirs), is more important for travellers telling stories, than visual representations (Bationo). Other research shows that people do prefer to recollect memories by using souvenirs rather than photo’s. However among elderly people using objects for reminiscing, 42% of the cases preferred the photograph for “stirring recollections” (Sherman).

“Souvenir photos of Versailles” project

In conclusion

In a way it could  be argued, the commercialised rhythm, velocity and repetitiveness with which the tourist locations are flooded, provide new opportunities to convey clear and present images on current countries, current culture and local life- as an answer to “master narratives” and somewhat colonial ways of looking at other countries and cultures.  Were it not that commercial travel highly manipulates our view and perception of places. Grasping- in essence -to that what communicates culture in a way nothing else can: through souvenirs and objects, carried and annotated by you!

Follow Renk van Oyen’s board objects and souvenirs on Pinterest.

See also:

Ruimtes en het alledaagse ding, deel 1 (Dutch)

Ruimtes en het alledaagse ding, deel 2 (Dutch)

Narratives of travel (English)

Leren kijken naar een ding, deel 1 (Dutch)

Leren kijken naar een ding, deel 2 (Dutch)

Leren kijken naar een ding deel 2

Design en designer

Voor een creatief concepter en experience designer, zijn dit belangwekkende thema’s. Technologie werkt beter als het de gebarenwereld van de mens volgt. Andersom, passen we ons ook steeds meer aan, aan de fysieke en ergonomische eisen van nieuwe apparaten. Net zoals bij andere gebaren die we maken en herkennen, zijn gebaren geen geisoleerde momenten, bij het gebruik van een apparaat. Het zijn dynamische momenten, geincorporeerde aanwezigheid, binnen een ketting van belevingen van verschllende bewegingen. Het krijgt zijn betekenis, in zijn geheel gezien. Sociale context is een deel van dat geheel.

Bijna altijd, hebben acties en bewegingen van ontwerpers, andere gevolgen dan die bedoeld werden.

Niet zoals de kunsten, natuurwetenschappen en humanistische studies, gaat design in essentie over intervenieren in de wereld. Creatief design vraagt daarom om grote intellectuele uitdagingen. De designer als reflectief beoefenaar (vrij vertaald naar Schon), en het designproces als “reflectie-in-actie”, gaat uit van het idee dat de fundamentele voorwaarde van design, er een is van onzekerheid, uniekheid en van conflict. (Julienne Hanson).

Psycholoog Irving Biederman, die visuele perceptie bestudeert, schat dat er waarschijnlijk 30.000 verschillende direct te onderscheiden objecten zijn, voor een volwassene.

Stel dat elk object een minuut kost om te leren, dan kost het je voor 20.000 objecten, alles bij elkaar 333 uur om te leren! (Norman). Dan hebben we het nog niet eens over de nieuwe objecten die we dagelijks onverwacht tegenkomen, terwijl we eigenlijk met heel andere zaken (willen) bezig zijn.

 Goed design- volgens Schön -moet onnoemelijk veel factoren in aanmerking nemen, en de gevolgen van het negeren van een of meer van die variabelen, kunnen catastrofale gevolgen hebben. Een te sterke laser in de massaproductie van een cd-speler, kan bijvoorbeeld een gevaarlijk wapen worden.

 Hij doet het niet!

Mensen hebben de neiging zichzelf de schuld te geven bij gedoe met technologie. Mensen zien vaak oorzaken voor gebeurtenissen, kennen een causaal verband toe wanneer er twee dingen opeenvolgend gebeuren. Als ik actie A uitvoer, voorafgaande aan een zekere uitkomst S., moet A. S. dus hebben verzoorzaakt. Terwijl er eigenlijk geen relatie bestond tussen de twee. Het is nog complexer wanneer we met een actie beogen een zeker resultaat te behalen, en er problemen zijn wanneer we die actie via een tussen-medium tot stand brachten.

Het kan natuurlijk gewoon wel je eigen schuld zijn. Er is een beleving van causaliteit in de relatie tussen het ding waar je de schuld aan geeft en het resultaat. Beleving is daarbij het sleutelwoord. Dat causaal verband hoeft helemaal niet te bestaan.

Een belangrijk aspect is dat we regelmatig weinig informatie hebben, op basis waarvan we die beoordeling kunnen doen. Een apparaat kan zo complex zijn (en dat zijn de meesten), dat je het gebruik er van aan allerlei andere zaken moet aflezen dan aan bijvoorbeeld de vorm van het apparaat of duidelijke mapping. Het kan zijn dat je een knopje indrukt, maar geen weerstand voelt, er klinkt geen piepje en er gaat geen lampje branden. Er is dus geen manier in dat voorbeeld om je eigen gedrag aan te ijken.

Het grappige is dat onze neiging om onszelfde schuld te geven bij falen van alledaagse objecten, tegen onze normale neiging in gaat, om onze eigen problemen toe te schrijven aan de omgeving, en die van anderen aan hun persoonlijkheden.

Design door alledaags gebruik

Een interactie-georiënteerd  proces, is een design proces dat start met herkennen van alledaagse handelingen, inherent aan alledaags design.

Iedereen doet dagelijks mee in ontwerp en design, al herken je dat zelf niet. Alledaags design weerspiegelt de vindingrijkheid die zich manifesteert wanneer het ontwerp van objecten (artefacten) wordenn aangepast om zo beter in een bepaalde omgeving te passen. (Wakkary & Maestri, 2007, 2008). Een betere term is ontwerp door gebruik.

Sommige nieuw ontworpen objecten hebben functies, vlakken en “affordances” die door de designer zijn aangebracht, maar die in praktijk helemaal niet als affordance worden opgemerkt, of die wel als zodanig worden herkend, maar de functie van affordance hebben verloren vanwege een andere context van gebruik of vanwege het feit dat de design-affordance alleen nog maar zijn uiterlijke vorm dunnetjes heeft behouden, zonder dat het echt nog een duidelijke functie heeft.

In de professionele designwereld, kijkt men ook naar andere manieren van waarnemen, door de gebruiker van objecten en zijn omgeving. Zo kan een object een grote meerwaarde hebben, wanneer het gebruik er van, de bewegingen volgt die we zelf dagelijks toch al maken. Zoals bijvoorbeeld een steek-beweging maken met je handen. Een sleutel in het slot steken bijvoorbeeld. is zo’n beweging. Het brood in het broodrooster stoppen.

Met andere woorden, door heel goed te kijken naar hoe de gebruiker spullen gebruikt, kan een ontwerper hier alleen maar van leren.

Zie voor een voorbeeld: Participatory workshops: everyday objects and sound metaphors

Morfologie

Morfologie, de studie van patroon en vorm, is cruciaal voor design omdat het een essentieel deel vertegenwoordigd van het corpus van samenhangende kennis. Net als bij de space syntax, in de jaren ’70, waarbij architectuur als een formele beschrijvende tak van kennis werd vertegenwoordigd, is de benadering zowel wiskundig als morfologisch.

Dingen hebben levens

Een ding is veel meer dan alleen een ding alleen. De objecten die we thuis hebben gebruiken en weer weggooien, is een geglobaliseerde vorm van levensduur van een object, die begint bij de aanschaf en eindigt bij de prullenbak. Dat is een systeem van gebruik die we in onze materiële cultuur hebben ontdaan van diepere betekenis.

Sentimentele opjecten in huis hebben voor het hele huishouden betekenis, maar ze zijn niet van iedereen. Ze zijn er niet alleen om herinneringen op te roepen, of een persoonlijk verhaal weer te geven, ze hebben nog meer functies. Ze refereren aan een diepgewortelde culturele praktijk van giften geven, van ruilhandel, van de uiteindelijke tactiele kwaliteiten van he materiaal waarvan ze gemaakt zijn. In dat opzicht zijn ze ook een vorm van vorm- en materiaalgeheugen voor ons. De toegang daartoe in huis, is een onderhandelde activiteit, en is in hoge mate geritualiseerd. Bewaren van sentimentele objecten gaat dus véél verder dan alleen maar status van het bezit, of van materiële kwaliteiten.

 Dingen hebben beweging en gebaren

Objecten zijn een deel van ons geheugen, maar kunnen niet onthouden zonder dat wij (onbewust) weten wát ze moeten onthouden. Het gebruik van een object zit hem niet alleen maar in de functionaliteit of symbolische waarde. Het object bestaat ook in de ‘ruimte’. Alleen al het gegeven dat we precies weten hoe we het moeten vastpakken, dat we weten wat het weegt voordat we het hebben opgepakt, hoe het object klinkt als het zou vallen. De bewegingen die we gebruiken bij het hanteren van een object, zijn gebaren geworden omdat het design van het object dit forceerde. De vorm kan je uitnodigen een bepaalde handeling te verrichten. Een plat vlak bijvoorbeeld, als een bord of een plaat op de deur, nodigt uit tot slaan. Een knop nodigt uit om aan te draaien.

Maar een fractie van de gebaren die we maken, worden in gebruikers-georienteerde benadering van objecten relevant gevonden. Echter is er een hernieuwde interesse in de meer socio-anthropologische aspecten van technologie. Benaderingen van huishoudelijke ritmes vanuit ritme en routine- hoe kritisch ook -volgen toch een vrij star raamwerk.

Embodiment

Een ding heeft ook een biografie. Ook heeft het een geheugen. Een object als een mand of een hamer, herbergt een collectief geheugen aan kwaliteiten die we door de vele eeuwen heen belangrijk of nuttig hebben gevonden, en die we behouden hebben en  bewaard in zowel de kwaliteiten van het object, als in ons gebruik er van en de ruimtelijke referenties van zowel het object als de context. De vorm van de steel, de klank van een hamer op een object, het gevoel van actie en hardheid. Als we met onze vuist op tafel slaan, maken we hetzelfde gebaar als van het slaan met een hamer. Onze vuist balt zich, zoals de kop van een hamer.

Er is een wederzijds proces van waardecreatie tussen mensen en dingen. Zo kan een object in een museum, waardevol zijn vanwege de gedeelde geschiedenis tussen ons en het object. Daarom heeft een cadeautje ook een andere waarde dan iets wat je zelf kocht. Obecten zijn ingebed in sociale omgevingen, en die laten sporen na in objecten.

Affordance

Voor affordance is niet een Nederlandse vertaling die helemaal de lading dekt. Ik gebruik de Engelse term, die in de literatuur gangbaar is.

In Gibsons ecologische benadering van perceptie, bieden dingen en kenmerken van de wereld, hun eigenschappen, aan organismen die met hen interacteren. Water laat toe zich te drinken, bekers laten uit zich drinken, een handvat laat zich vastpakken. Het moet echter wel een organisme zijn met een mond, een keel en een maag, of hand met duimen om de kop te kunnen vasthouden. Een mond is nodig om water mee te kunnen drinken en bij afwezigheid van water, is een mond zoals hij is gebouwd niet nodig. De eigenschappen “drinken” of ” uit-te-drinken-heid” zijn dus niet exclusief voor die objecten (het water en de beker), of voor de gebruikers er van, maar ze bestaan in relaties tussen organismen en de omgeving.

The Social Life of Small Urban Spaces: William H. Whyte from Nelly Oli on Vimeo.

Sommige anthropologen als Tim Ingold, stellen dat menselijke leefomgevingen, eigenschappen toestaan, die elke generatie opnieuw kan worden uitgevogeld, herontdekt of her-groeid, door menselijke individuen, zonder dat er overdracht is tussen een beweerde aparte wereld van culturele representatie(s). Bijvoorbeeld van omgevallen boomstammen een overbrugging kunnen maken, van stenen een vermaler van noten maken.

Volgens Gibson, moeten affordances niet gezien worden als afhankelijk van cultuur, voorkennis of verwachtingen van het individu, zoals Norman suggereert. Norman richt zich ook op de perceptuele en mentale capaciteiten.

Een simpele handeling als aan een tafel gaan zitten voor een maaltijd, herbergt een wereld van affordances die in massadesign aanwezig zijn. Anthropometrische kenmerken bepalen een belangrijk deel van het design. De hoogte van de stoelen, de grootte van de lepel, de scherpte van het mes, de hoek van de benen onder de tafel, de helling van het torso ten opzichte van het tafeloppervlak en het bord met eten.

Spelen, speelgoed, alsof doen.

Het kinderspeelgoed is in vele opzichten een afspiegeling van een volwassen leven. Niet alleen de letterlijke copie van bijvoorbeeld een winkelwagentje in het klein, ook de dimensies van een hobbelpaard tot de materiaalkeuze van een poppenkastpop. De sociale interacties tussen de kinderen die spelen, zijn in veel opzichten een mini-versie van de grote mensen wereld.

affordances in play

Door kinderen zelf te laten sjouwen en bewegen met spullen, kunnen ze zelf het niveau van de uitdagingen bepalen. Kinderen personaliseren hun omgeving door kinderformaat meubeltjes binnen een nieuwe ruimte te verplaatsen, waarmee ze hun gevoel van controle verhogen (Maxwell, 2007). Door kinderen losse materialen aan te bieden, in de vorm van bijvoorbeeld losse blokken, boomstammen, banden, stoffen en pijpen, verhoog je het spel en doen-alsof. De kinderen worden aangemoedigd de mogelijkheden van het spel, de ruimte en de materialen te verkennen.

Kinderen hebben kansen nodig om keuzes te maken in waar ze mee spelen, waar ze spelen, met wie ze spelen en wat ze spelen, net als wanneer ze spelen en voor hoe lang.

 Pathways en locales

Een huishouden als onderkomen, als plaats waarin de leden van het huishouden hun alledaagse leven leiden, kan ook worden bekeken vanuit het gebruik van een specifieke ruimte, waarin bepaalde sociale praktijken van het huishouden, gedurende de dag, plaatshebben. De plek waar routinematige activiteiten en interacties tussen de verschillende leden van het huishouden, plaatsvinden en elkaar kruisen, terwijl de setting van de ruimte ook gebruikt word om waarde mee te geven aan de interacties en de individuele activiteiten en gedragingen van de leden van het huishouden.

De notie van een “locale” (Giddens), is een belangrijk begrip vanuit het perspectief van behuizing en wonen. “Sociale praktijken kunnen gezien worden als patronen van interactie, die zijn geordend doorheen tijd en ruimte.” Locales refereren aan het gebruik van ruimte om de omgeving te prepareren voor interactie.

Het is meestal mogelijk om locales aan te wijzen, in termen van hun fysieke eigenschappen, als kenmerken van de materiele wereld of als combinaties van die eigenschappen en van menselijke artefacten.

Een Housing pathway is te definieren als patronen van interactie, aangaande het huis en thuis, over tijd en door ruimte heen. Het is een continue set van relaties en interacties, die het huishouden ervaart door de tijd heen, in zijn consumptie van het wonen. Het behelst ook de carriere-levenscyclus van huishoudens en mobiliteit.

Eigenschappen die het huis of de ruimte tot “locale” maken, worden op een chronische manier ingezet, door agenten in het formeren van ontmoetingen doorheen ruimte en tijd, in die zin dat zij gezien kunnen worden als “stations” waarin de routine activiteiten van verschillende individuen zich kruisen.

Klik hier voor deel 1

Leren kijken naar een ding deel 1

Dingen die dingen anders doen

Het alledaagse ding, daar kijken we niet zo vaak op een andere manier naar dan we normaal doen. Het alledaagse ding is er immers elke dag en elke dag staat het in de weg, in de kast, in de vitrine, in de gereedschapskist. Het is er, en dat is genoeg… zou je denken. Toch gaat er in de wereld van het alledaagse object, een wereld schuil die voor het grote publiek veelal verborgen blijft. Het is ook niet altijd even concreet. Maar dat zijn wij als mensen zelf ook niet.

In de komende 3 blogs, tracht ik enkele kernbegrippen toe te lichten, waarmee we ons alledaagse leven en dan met name dat van objecten, op een andere manier kunnen gaan bekijken.

Dingen doen al heel lang met ons mee

Een object- inclusief landschappen of zelfs het menselijk lichaam, zijn actieve participanten in het sociale leven en verandering. Die nadruk op het fysieke van een object, is een vorm van onderzoeken, niet zozeer een ander onderwerp, waarin de fysieke kwaliteiten van een voorwerp, een geheel vormen met alles waarmee wij het object kunnen waarnemen, plaatsen, bepreken en beoordelen, op alle niveau’s. Dus ook de emotionele respons is waardevol, de geur, de textuur, geur, smaak, temperatuur, de textuur van het object, de eigenlijke materiele verschijningsvorm, het moment en sensatie van het manifesteren van het object binnen onze beleving, onze interactie met het object. Welke betekenissen schrijven we het toe, roept het over zichzelf af en onze relatie tot het object? We vragen het onszelf pas af, wanneer we het in het museum plaatsen, als onderdeel van een brede achtergrond aan factoren, zoals de setting van het object, achtergrondkennis, cultureel en historisch geconstrueerde interpretatie en integratie van zintuigelijke percepties. Subjectiviteit van reactie en materialiteit, zijn met elkaar verbonden en beiden bepalen de ervaring en interpretatie van objecten.

kamer

Repetitie als geheugen

Een machine is iets anders dan een gereedschap. Een gereedschap is er op gemaakt om repetitieve handelingen “te onthouden”  door de generaties heen. Het gebruik er van op zich, staat los van context, sociale lagering of cohesie binnen een gemeenschap. Het gebruik kenmerkt zich door een moreel imperatief (Sennett) te vertegenwoordigen tot werken voor het nut van de gemeenschap.

Sinds de industriele revolutie, leek de machine het werk van de ambachtsman te bedreigen. Het leek een fysieke bedreiging. De industriele machines werden niet moe van repetitieve handelingen, ze deden hetzelfde werk- uur na uur -zonder klagen.

Trendwatchers en futuristen zien- met de nadere introductie van robots en robotica binnen de arbeidsmarkt -een opleving van het artisane, het ambacht. Dit fijne werk kan vooralsnog niet door robots worden overgenomen. Niet vanwege de fijne motoriek, maar vooral vanwege het gebrek aan diepgewortelde, niet overdraagbare kennis, van design, gebruik, ruimte en context. De verwachte opleving aan ambachtelijk werk, is feitelijk al langer aan de gang, al kennen we het onder een andere naam. De economische crisis heet veel ZZP’ers gekweekt, het heeft een opleving aan gemeenschappelijke initiatieven veroorzaakt en een andere relatie tussen producenten en consumenten. Dit is goed waar te nemen binnen het verschijnsel “zelfgemaakte markt”. Een opleving van ambachtelijke beroepen, die we tot voor kort hebben aangezien als uitvloeisel van economische crisis, maar tevens een voorbode is, voor trends die we nu pas namen kunnen geven.

Objecten in musea

Objecten in musea zouden ons het meeste kunnen vertellen door middel van ons eigen lichaam. Aanraken, laten raken en laten aanraken. Maar objecten in musea staan er niet voor niets. Als ze interessant zouden zijn in het alledaagse leven, zouden ze daar in bijvoorbeeld Ikea wel een mooi plaatsje inruimen. Een Klippan bank, naast een Griekse amphora…. niet echt een voor de hand liggende keuze.

Toch, in het denken over artefacten, over spullen, dingen, is in onze westerse cultuur een duidelijke scheiding aanwezig tussen wat het ding als materieel object is doet en was, en waar het in theorie verder allemaal nog meer voor zou kunnen dienen. Objecten vertellen een verhaal, maar ze zijn er zelf geen onderdeel van… hooguit een toevallige passant en vervolgens een herkenbaar middel om het verhaal verder mee herkenbaar te maken.

De eigenlijke fysieke “real-time” zintuigelijke ontmoetingen met materiele objecten en de emotionele en intellectuele reacties die zij faciliteren, zijn nu juist de reden dat het object uberhaupt bestaat en dat wij het verhaal middels zijn kwaliteiten kunnen vertellen en begrijpen. Alleen moeten we niet vergeten dat onze zintuigen zijn opgebouwd uit lichamelijke ervaringen, uit reacties op dat wat materialiteit ons heeft kunnen overbrengen, middels aanraking, gebruik (denk aan gereedschap), geur (denk aan bloemen, gif) et cetera.

Onze interactie met objecten, bestaat uit informatie, materialiteit en de menselijke zintuigelijke percepties daar van.

Betekenis komt voort uit handelingen vanuit onderbuikgevoel, die connecties in het leven leggen en de lichamelijke voorwaarden daartoe. Ze krijgen pas betekenis als ons lichaam dit toelaat. Cognitief leren heeft anders weinig zin. (vrij naar Mark Johnson, 2008). Het grootste deel van onze cognitie en betekenisgeving, vind plaats buiten onze bewuste beleving.

Om te begrijpen wat de relatie van een object is, door de tijd heen, binnen verschilllende werkelijkheden en in verschillende contexten, ben je nooit helemaal volledig of correct. Wel zijn er manieren om kritisch, analytisch en met gevoel te kijken naar zowel object als gebruiker er van. Een methode die steeds meer navolging krijgt, is die van de biografie van het object. Je stelt het object vragen die je in andere vormen ook aan een mens zou kunnen stellen. In ethnografie en archeologie, een methode die veel gebruikt wordt. Later kom ik hier nog op terug in een blog over pathways en dwellings.


Sociale semiotiek

Ook vanuit de semiotiek- betekenisleer -is een flink onderzoeksveld beschikbaar met onderzoeksmethodieken die ons in staat stellen, de betekenis van een object en zijn materiele kwaliteiten, te ondervragen met een set aan resources, die tegelijkertijd onszelf vragen stelt.

In taal zit bijvoorbeeld heel veel informatie verscholen over een object en over onze relatie daartoe. Echter, kan het ook zijn dat ergens in de geschiedenis, wij A en B bij elkaar optelden- binnen een woord, gebruik, kleur, betekenis, die eigenlijk los van elkaar gezien moeten worden. Zo kan een klabats, niet de klanknabootsing van een zweep zijn, maar een verbastering van een heel ander woord.

Als we klank en beeld uit elkaar halen, of grenzen tussen waarnemingen weghalen of juist benadrukken, krijgen we vaak een heel ander beeld te zien. Of hetzelfde beeld, maar ineens lijken heel andere dingen op de voorgrond te treden of design-elementen die we belangrijk dachten, blijken een mindere rol te hebben gespeeld in de evolutie van het object en ons gebruik er van. In sociale semiotiek heet dat “segregatie” . Die twee (of meer) elementen uit elkaar halen, betekent dus ook een heel eigen en nieuwe manier van beschouwen van alle losse onderdelen, die nu in eens niet meer bij elkaar (lijken te) horen.

Om het object te begrijpen moeten we vooral herontdekken, dat we een object hebben leren kennen via ons eigen lichaam! Via aanraking, via gebruik. Het bevat ons geheugen, in hoe het werd geconstrueerd, waaróm het werd gemaakt en waarom van juist die hard- of zachtheid, en het bevat ons geheugen in het gebruik van het object zelf. Zelfs wanneer we een ons onbekend object zien, kunnen we door het gewoon op te pakken en te voelen, al een groot deel van het gebruik afleiden. Door het simpele feit dat het object in onze handpalm past, we het juist met een hele grove motoriek kunnen vastpakken, dat het een grote draai/zwaaicirkel heeft (een hamer bijvoorbeeld), dat het voor hard of zacht gebruik is, of het voor eenmalig of meermalig gebruik is. We hebben ons lichaam gebruikt in de productie, de noodzaak van het bestaan en creatie van het object, en in de practische toepassing er van. Een vorm van niet te articuleren kennis, die we ons herinneren via ons lichaam. Ook in de sociale semiotiek, is dit een vocabulaire- een resource waarmee je kunt proberen begrijpen en achterhalen. Een verzameling van semiotieke keuzes, die een specifieke context typificeren, heet een semiotisch register (Halliday; Van Leeuwen).

In een boek of in een advertentie kan men heel gemakkelijk suggereren dat bepaalde beeldelementen bij elkaar horen of juist niet, ook al is dat objectief gezien helemaal niet zo. Door slim te kaderen, bij plaatjes bijsnijden aan de randen van een pand of centreren van een groep bomen, suggereer je dat objecten, mensen of producten bij elkaar horen of juist niet. Ook door het “rijmen”  van bijvoorbeeld vorm van een parfumfles met “zachte” woorden of objecten met namen die heel zacht en lief klinken, link je de parfumfles aan diezelfde lieve en zachte betekenissen, die op alle niveau’s bij je op belletjes drukken. Ook in het fysieke leven, op school, in de bus, in het park en bij jou op het werk, worden deze trucs- zowel bewust als onbewust -toegepast, en ze beinvloeden ons begrip van de dagelijkse werkelijkheid, ons gevoel en ons gedrag. Zo kan een afdeling op een kantoor, precies laten zien waar de macht ligt, door ritme aan te brengen in de kantoorruimte. Door een kleine partitie aan te brengen, door strategisch geplaatste planten, door een bureau te plaatsen, net bij de overgang tussen tapijtkleur 1 en tapijtkleur 2. Verschil kan hem ook zitten in ander materiaal van de bureaustoel, directe en indirecte verlichting etc. Dit hoeft lang niet altijd te gaan over statusverschil willen aanbrengen, het kan ook gewoon een manier zijn om je te uiten, te onderscheiden of misschien toch promotietijger? De nuances zijn heel klein en geraffineerd. Maar hoe dan ook, leveren ze voer voor nieuwe modi van de wereld begrijpen en doorzien.

Tot zover deel 1. In deel 2 onder meer de rol van designers en de eigenschappen van de ruimte waarin wij ons huishouden voeren.

XD KORT: Ruimtes en het alledaagse ding, deel 2

Ruimtes en het alledaagse ding, deel 2

Het alledaagse: Huishoudens, kamers en spullen

Experience design strekt zich uit over vele disciplines. Bij ervaringen denken we al snel aan gebeurtenissen en objecten. De relatie tussen mens en object, mens en materiaal, mens en vorm en omgeving, is fascinerend. Het is op geen enkele manier een volledig overzicht, maar enkele relaties en designoverwegingen verdeel ik over 2 korte blogs.

Deel 1 is hier te lezen

Muurtje schilderen: Ze laten meer zien dan de kleur van de verf

Als de keuken verbouwd moet worden of de huiskamer, heeft dit best grote gevolgen voor de manier waarop men na de verbouwing met elkaar samenleeft.

Veel mannen besteden het doe het zelven liever uit. Een van de verklaringen is dat conventie en biologie voorschrijven, dat de man voor hen als man “acceptabel” gedrag moet vertonen, wat de gelijkwaardige relatie tussen de man en vrouw kan doen kantelen of zelfs ontwrichten. Het is natuurlijk niet alleen een kwestie van zwaar werk aan kunnen. Door gebruik van de gereedschappen, configureert (in dit geval) de man, de huiskamer en enkele belangrijke boodschap-medierende objecten daarin. Een muurtje, de bank, de grote zware objecten et cetera. In dat geval is de man de inrichter van de ruimte die de interactie gaat reproduceren. Bovendien is de aanschaf van gereedschappen een klein risico. We zijn doorgaans huiverig voor het aanschaffen van apparaten of spullen die we eigenlijk niet gebruiken. Het geeft ons het idee dat we ergens in gefaald hebben. In het geval van gereedschap, zijn dit onderdelen die voor een heel specifiek doel worden gebruikt- dus niet vaak -en het gebruik er van vergt specifieke vaardigheden. Sommige sociologen zien dit als een verklaring van de populariteit van ” het mannetje”  die komt schilderen, en tevens als verklaring waarom vooral mannen zo vaak commentaar hebben op het geleverder werk.

Design van alledaagse objecten

Een product heel precies kunnen gebruiken en toch niet goed weten wat je nu precies doet met welke organen van het ding. Heel snel en precies kunnen typen of een telefoonnummer intoetsen op je mobiel, en toch niet de toetsen uit je hoofd in de goede volgorde kunnen zetten. De handeling heel precies uitvoeren en toch niet precies weten. Dat kan omdat niet alle kennis voor het gebruik van het ding, in je hoofd zit. Een groot deel daar van zit al in de wereld zelf en een deel zit in de begrenzingen van die wereld. Je gedrag is bepaald door combineren van informatie in je hoofd en informatie in de wereld. Zo kan de samenstelling van het materiaal van het object al een aanwijzing voor gebruik zijn (design-affordance), waar je niet bij hoeft na te denken. Je slaat goed hard op een trommel omdat je weet dat het juist de bedoeling is hard te slaan, wil e er een hard geluid uit krijgen, de keyboard van je computer is wel gemaakt van plastic maar er zit ook gevoelige apparatuur onder, dus erg hard kun je er niet op slaan. Echter kan het ook zijn dat het klikgeluid van je toetsen een bepaalde stevigheid vertegenwoordigd.

De mens, gemaakt door de technologie die hij maakt

Technologie is niet alleen een instrument, gebruikt door mensen. Technologie construeert de mens, hun lichaam en hun identiteit.

Spullen, dingen, objecten, Ze geven- naast het object zelf -niet alleen een relatie of betekenis weer, vertegenwoordigd door de fuctie van het object zelf. Ook het basismateriaal, het design, kleuren, tactiele eigenschappen- de materiele eigenschappen van de materiele cultuur, hebben betekenis in ons handelen in het dagelijks leven. Objecten worden vaak gezien als sporen van sociale relaties en van macro-sociale trend. Een huishouden is efficienter gaan handelen, door de hoeveelheid moderne (keuken)apparaten die er zijn bij gekomen. Objecten vormen hun gebruikers. Objecten zelf, blijven stabiel van vorm, maar de betekenisen emotionele attributie  van het gebruik is vloeiend en blijft dat ook.
In alledaagse situaties, is het gedrag bepaald door de combinatie van interne of geinterneerde kennis en externe informatie en begrenzingen. Dat pikken we heel snel op. Zo zal een typiste sneller leren typen wanneer ze/hij niet naar het toetsenbord kijkt bij het typen maar naar het scherm. De meeste kennis die je daar voor nodig hebt, zit al in de wereld. Mensen zoeken die combinatie ook actief op. Niet alleen door verplaatsing, maar ook door de ontwerpen die we als mens maken en gebruiken, door de materialen die we om ons heen hebben.

Als we aan de toekomst denken, en denken over hoe technologie en energie er in de toekomst zal uitzien, zijn we geneigd te denken over heel complexe, bijna ondenkbare toepassingen. Op de vraag: hoe zou het er dan uit zien, zal men snel antwoorden met superlatieven van glans, strak, vlak en handzaam.

Wat men soms mist, is het besef dat datgene wat ons met de toekomst en het verleden verbindt, in het alledaagse leven: Het alledaagse leven! Daarin speelt de mens natuurlijk een centrale rol. Met alle beperkingen die daar bij horen. De mens is gewend producten te gebruiken, niet alleen om de toepassing zelf of het vernuft of gebruiksgemak er van, maar het is een voorwerp of product dat op vele manieren onze dagelijkse bezigheden met elkaar verbindt en in elkaar doet over lopen.

Een veel voorkomend verschijnsel is dat designers, productontwikkelaars, R&D en researchers, producten vaak zien als iets voor individueel gebruik en niet voor massaal gebruik. Op individueel gebruik, is het design van de meeste producten dan ook gebaseerd. In onderzoek naar koopgedrag, gaat men vaak uit van een direct en rationeel raamwerk van individueel vraag en aanbod, terwijl grote groepen in het designdenken worden gezien als sociaal dom en normen en regels volgzaam volgen. Analyse gebaseerd op de praktijk van het alledaagse, plaatst belangrijke richtpunten op de organisatie van de praktijk en de momenten waarop die samen komen met consumptie.

robot Wireframe

Designen voor de toekomst: nog user-centric?

Ook voor het design van de toekomst, is het belangrijk dat designers en futuristen zich ook bezighouden met de redenen waarom mensen objecten en bronnen gebruiken en hoe deze behoeften noden tot stand komen, binnen de context van het alledaagse leven, als baden, douchen, eten en drinken, koken en de was doen. Een uitdaging voor ons en voor futuristen, is bedenken hoe we in de toekomst objecten ontwerpen die buiten ons lichaam en eigen geest geplaatst zijn. Niet omdat ze vergezocht zijn, maar omdat we 10 vingers en 2 voeten hebben, een fiets uitvinden voor iemand met 5 voeten, is zo ver van ons bed, dat zal niet in ons opkomen. Bovendien- heet het dan nog wel een fiets? Of heet je dan nog wel mens? Echter, alvast nadenken over hoe je een kinderwagen veilig genoeg kunt maken, zodat je zorgrobot er zonder kleerscheuren mee over straat kan… Dat is niet zo ver weg!

Consumptie is iets anders dan het leven zelf. In het geval van stroom, gas en water bijvoorbeeld, is het verbruik er van niet een alledaagse praktijk, maar eerder een moment in de alledaagse praktijk.  Ze consumeren dus energie, zodat ze de dagelijkse handelingen kunnen uitoefenen, die het alledaagse leven mogelijk maken. Het is typisch een voorbeeld van het alledaagse, zo alledaags dat ze naar de achtergrond verdwijnen. Onopvallende consumptie. Te vergelijken met wandelen n de stad van A naar B, zonder de tussenliggende periode en afstand als deel van de activiteit te zien.

Scheiding.

Het moderne woon- en gezinsleven is een scheiding van de wereld van productie en die van consumptie. Dat betekent dat objecten en producten niet meer de physieke aanwijzingen voor gebruik, in vorm hebben en tevens geen aanwijzingen voor sociale context van de productie. Dat gebrek is voor de industrie handig maar ook voor marketing en branding, omdat het een gigantische leegte achterlaat, in het gebruik van het product, die kan worden opgevuld met betekenis via de producenten. Met andere woorden: de diepgewortelde patronen van eten en drinken met de daarbij behorende sociale interactie die- laten we wel zijn -ook zonder grote producenten plaatsheeft -worden opgevuld met nieuwe varianten van wat we al gewend waren te doen, maar door voorschrijden van de tijd, zijn vergeten te articuleren. (Maycroft)

Het is temeer onopvallend, juist omdat de meeste consumptie plaatsvindt achter de gesloten deuren van het huishouden. Daarbij gebruikt de mens bij voorkeur het privedomein andere voorwerpen dan in het publieke domein: een stage en een backstage. De goeie jurk voor buiten, de versleten ochtendjas voor binnen.

Tot zover deel 2.

Deel 1 is hier te lezen

Binnenkort deel 3

XD KORT: Ruimtes en het alledaagse ding deel 1

Ruimtes en het alledaagse ding, deel 1

Het alledaagse: Huishoudens, kamers en spullen

Experience design strekt zich uit over vele disciplines. Bij ervaringen denken we al snel aan gebeurtenissen en objecten. De relatie tussen mens en object, mens en materiaal, mens en vorm en omgeving, is fascinerend. Het is op geen enkele manier een volledig overzicht, maar enkele relaties en designoverwegingen verdeel ik over 3 korte blogs.

Vanuit de keuken naar de televisie

Door routines, onthouden we zaken die we anders zouden vergeten of niet opmerken. Ze fungeren als een belichaming van persoonlijk EN familiaal geheugen. Je gebruikt je lichaam en je zinnen om dit geheugen aan jezelf en aan andere gezinsleden te communiceren. Daarnaast zeg je daarmee ook aan mensen buiten het gezinsleven, in welke mate je bent aan te spreken, buiten het ritme en de routine om. De belichaming van routines, helpt om het leven wat eenvoudiger en aangenamer te maken.

Je bewegen is ook een vorm van geheugen. We hebben als mens bewegingen ontwikkeld en geincorporeerd (embodiment), die ons helpen onthouden hoe snel we moeten lopen, hoe we de omgeving moeten herkennen, hoe de ander ons herkent al wel of niet bedreigend. Kijk maar naar het fenomeen van gesynchroniseerd lopen. Vooral bij mannen heeft dit een duidelijke betekenis die vanuit de oertijd te verklaren valt. Als je met heel veel mensen tegelijk in een grote groep, je het zelfde beweegt, en op het zelfde ritme, is het voor eventuele vijanden heel moeilijk in te schatten of en hoeveel kleinere en zakkere exemplaren er tussen zitten. Met heel veel tegelijkertijd bewegen geeft ook aan het collectief het gevoel, groot te zi. Dat schept dus eenheid. Geen vreemde gewaarwording als je in aanmerking neemt dat we ons meer bewegen op het door een ritme aangelegd systeem, dan op een zelfverkozen ritme. Zelfs de straat in de stad is er op ingericht dat we zo snel mogelijk van A. naar B. kunnen gaan. Het moment daartussenin, zien we nauwelijks als tijd. Vrij vertaald naar de Certau: Turning walking into innovative ways of production, instead of wasted time between A. and B. 

Serialiseren van tijdsbeleving

Hoe lang mag iets duren? Een uur of kwartier, dat kan. Maar er zijn nog zo veel meer eenheden waarmee je een activiteit in tijd kunt uitdrukken. Bijvoorbeeld in series of in srequenties. Een verzameling aan activiteiten kunnen ook een sequentie vormen, die gelijk staat aan een gezamenlijke beleving van tijd, door de leden van een huishouden. Dus in plaats van zeggen tegn de kinderen dat we naar het park gaan, maar dat we eerst moeten koken, dan tafel dekken, dan eten, afruimen en afwassen, zeg je ¨vanavond¨- wat voor een klein kind alles kan betekenen, maar het betekent in elk geval ná het eten. Een sequentie aan gebeurtenissen die niet noodzakelijk afzonderlijk even lang duren, maar in zijn totaliteit een bepaalde lengte of duur vertegenwoordigen. Misschien niet direct begrijpelijk voor de tijdsbeleving van alle gezinsleden, maar door het gedrag in huis, door looppatronen en gebruik van technologie, weet je toch wat er mee bedoeld werd. Televisie speelt daarin een belangrijke rol. De uitzendschema´s voor televisie, zijn heel bepalend voor de dagelijkse constructie het gezinsleven. Aan het geluid van de gong van het journaal, weet je dat je als kind over een half uur naar bed moet. In ieder geval zorg deze tijdsbeleving er voor, dat de verschillende gezinsleven, op zeker moment op hetzelfde moment, in een ruimte zijn of elkaar passeren. Bij hetjournaal bijvoorbeeld.

w2 ruimte

Dit patroon is gezet en geïntegreerd binnen de dagelijkse routines van het huishouden. Het komt samen met de organisatorische behoeften en eisen voor het alledaagse leven.

Alledaagse en sexe

Ons alledaagse leven is georganiseerd via allerlei ruimtes e omgevingen met een specifieke functie: eten, slapen, werken, sporten etc. Deze pleken, waar de elementen zijn gearrangeerd voor specifieke doeleinden, zou je kunnen zien als een organisatie van macht. In dit geval bedoeld om het gedrag van mensen te kanaliseren. Door onze handelingen, de instrumenten die we gebruiken, de mededelingen die we horen en lezen, de beelden die we zien. Aangenomen dat elke plek sexe ensceneert, betekent dat niet alleen een zekere distributie van obecten zelf, maar ook de details in combinatie met objecten. Een wijze van overdracht die verschil in sexe zowel vertegenwoordigd als uitlokt.

Er is natuurlijk een groot verschil tussen leven in een wereld waarin nu eenmaal verschillen bestaan- ook tussen man en vrouw -en in een omgeving leven waarin het leven zo is geconstrueerd dat vrouwen daarbij achtergesteld worden. Toch is er veel aan alledaagse zaken, omstandigheden en voorwerpen, die een bepaalde rol van zowel man als vrouw ¨dicteren.¨

Sexe is feitelijk een opvoering, een citaat van alle voorgaande opvoeringen van sexe. De herhaling van die scenes, is de tijdelijke eigenschap van “identiteit”.

Zo keek men in onderzoeken naar de layout en fysieke kwaliteiten van sportscholen, waar zowel mannen als vrouwen kwamen. Bestaan er mannelijke apparaten en vrouwelijke apparaten?

Een mannelijk apparaat, heeft meer gadgets en is groter dan een vrouwelijk apparaat. Dat maakt het mannelijke apparaat intimiderender en minder aantrekkelijk voor vrouwen. De vrouwelijke varianten hebben meer kleuren, de mannelijke vooral koele kleuren als zwart, donkerblauw en zilver. Rood is een warme kleur die voorzal door mannen en zuid-europeanen gewaardeerd is.

Door gebruik van objecten, door de reparatie van de klok, het gebruik het koffiekopje, zijn we niet zomaar ‘consumenten’ van goederen, maar producenten van inhoud, van betekenis. De rol van objecten begint niet bij de aanschaf van een artikel en eindigt niet bij het weggooien er van. Het object heeft gediend als mediator, als verdeler van een kamer (bij groetere objecten), bij de orientatie op de ruimte, door de kinderen, ze onderhielden een betekenisvolle relatie tussen familie, vrienden en sociale netwerken.

Het is niet alleen de bloempot die toevallig links op de tafel staat, of een beelde net op die hoogte, bij de deur. Het is een compleet idioom, een georganiseerd en geselecteerd systeem van objecten. Niet toevallig is de huiskamer een belangrijke “tempel”  van betekenisvolle obecten t..o.v. de placering. In de eerste plaats is de huiskamer een transactionele ruimte voor het huishouden, geladen met betekenis creatie en identiteit voor degenen die daar  in verblijven, Ten tweede is het de ruimte voor selectieve contacten met de buitenwereld. Het dient derhalve als de ‘interface’ tussen de private en openbare wereld, waarin de materiele zaken gezien kunnen worden als een actie voor jezelf en voor familierelaties, beladen met betekenis.

Tot zover deel 1.

Klik hier voor deel 2

Klik hier voor deel 3

XD KORT: Jan de wandelaar: alledaags wandelen in de openbare ruimte

XD KORT: Jan de wandelaar: alledaags wandelen in de openbare ruimte

Uit empirisch onderzoek is bekend dat voetgangers een vrije, niet geblokkeerde wandelrichting kiezen, maar houden er niet van om teveel van een rechte route af te wijken.

Het vreemde is, dat we als voetgangers onze manier van lopen, stilstaan, plein oversteken, navigeren, vooral toeschrijven aan persoonlijke keuzes.  In onze perceptie- wanneer we er achteraf naar gevraagd worden -spelen omgevingsfactoren nauwelijks een rol in het gebruik van de ruimte. (Milloniga;  Schechtner;)

pedestrian verkeersbord

Het is ook begrijpelijk dat we dit vooral met persoonlijke keuzes associëren. Beslissing, actie en beweging horen immers bij elkaar. Als je kijkt naar hoe mensen in een stadsbuurt met elkaar relaties onderhouden, zie je dat dit voor een groot deel komt door de “wandel-arena’s”, de corridoors tussen de woonbuurten en de stadsomgeving (voor zaken/commercie), waar buurtbewoners heen gaan voor alledaagse noden en plichten, als groenteboer en brievenbus. Men zal niet zo snel de eigen straat aflopen om daar mensen te ontmoeten, maar op zeker moment komt men elkaar binnen de wandel-arena’s toch tegen. Zo niet iemand die je direct kent, dan wel iemand die een paar graden van je verwijderd is, door middel van andere contacten.

  Hoewel we vaak denken dat we heel individueel acteren, is het vormen van samen- en medewerkingspatronen tussen mensen in de openbare ruimte, een fenomeen waarmee heel snel sociale ordening plaatsheeft, binnen een heel korte tijd.  Het is verrassend hoe mensen die elkaar vreemd zijn, in enkele seconden op elkaars bewegingen en gedrag zijn afgestemd, wanneer zij in min of meer de zelfde omgeving zijn opgegroeid. Dat wijst op een sterk cultureel bepaalde manier van bewegen tussen mensen van verschillende culturele achtergronden, in iets ogenschijnlijk heel simpels als willekeurige ontmoetingen tussen voetgangers

 Stilstaan in de stad

Een moderne stad is van een stad waarin consumenten wonen, naar een stad gegaan die bestemd is voor productie. Produceren dat doe je ergens waar mensen, mogelijkheden en materialen zijn. En die zijn op een plek. Een moderne metropolis heeft alleen maar plekken. De weg naar een plek toe, het vertrek vanaf een plek… het is niet productief, zo lijkt het. Daartoe is ook de stad ingericht. Plekken waar je als voetganger eigenlijk niet gewenst bent, zijn te herkennen aan grote blinde facades, aan  puien waar nauwelijks ramen in zitten,

Het verkeer gaat er gemiddeld 60 km per uur, terwijl jij als wandelaar gemiddeld 5 kilometer per uur loopt. Het duurt lang eer je een bord ziet, en als je hem ziet, zijn de letters groot en van dichtbij moeilijk te lezen. Dat is een ritme, gemaakt voor automobilisten. Jij als voetganger kunt zo veel meer zien en opmerken. Aangezien je als voetganger zo’n 5 kilometer per uur loopt, heb je voldoende tijd om de omgeving in e op te nemen. Visueel contact is heel dichtbij en persoonljk voor voetgangers op het trottoir. Het ritme waarin die mogelijkheden worden geboden, is dus cruciaal voor de rijkheid van de voetgangerservaring. Het aantal deuren, ramen, holtes en kolommen, etalages en details.

Hoewel onze visuele perceptie van publieke ruimte natuurlijk afhangt van viewpoint en afstand, is de snelheid waarmee we lopen cruciaal. Ons lichaam is van nature ontworpen om waar te nemen en impressies te verwerken, bij beweging van ongeveer 5 kilometer per uur. De architectuur in sommige delen van de stad, komt overeen met deze snelheid. Te voet manouvreren gaat makkelijk en voetgangers kunnen dichtbij de gevels komen. Aanwijzingen en borden kunnen van dichtbij worden bekeken en kunnen ook kleiner zijn en verfijnder.

Over dit onderwerp is onnoemelijk veel literatuur geschreven en onderzoek verricht. Al een jaartje 45 kunnen we van voetgangers uitgebreide simulaties maken, waar we veel kennis aan te danken hebben. Door betrokkenheid van andere disciplines als menselijke geografie, urbanistische studies, biofilie et cetera, kunnen we de voetganger nu op een veel meer holistische manier bekijken. Er worden gedragingen zichtbaar bij voetgangers in de stad, waarvan we tot voor kort nog geen weet van hadden. Later in andere blogs daarover meer!

Het alledaagse: Zaken om niet dagelijks bij stil te staan

Het alledaagse: Zaken om niet dagelijks bij stil te staan

De stroom van alledaagse gebeurtenissen zijn geen zaken waarbij je dagelijks stil staat. Zo sta je zelden stil bij de beperkingen die ons worden opgelegd of die wij onszelf opleggen, door alleen maar “te zijn”, te bewegen, te bestaan, de kinderen op te voeden of de keuze van onze woonlocatie.

The bleedin’ obvious ?

John Cleese zou zeggen, the laws of the bleedin’ obvious. Maar zo voor de hand liggend is het alledaagse leven bij nadere beschouwing toch echt niet.

Zo kan een door-en-door geëmancipeerd gezin, toch onbewust kiezen voor een beperking aan bewegingsvrijheid voor de vrouw, door in een gebied te wonen waarvan je denkt dat de afstand tussen huis en werk voor zowel man al vrouw evenredig groot of klein is, maar de ruimtelijke layout van de wijk waarin je bent gaan wonen, als jong gezin, dicteert door aanwezigheid van faciliteiten, een fysieke beweging om het gezin te kunnen onderhouden, die uitgerekend voor de vrouw van het stelletje tot een ‘gevangenis’ kan verworden.

Haast hebben en tijd-tekort, hebben natuurlijk met elkaar te maken. Je hebt weinig tijd om de dingen te doen die je moet doen, maar vooral heb je haast omdat je- naast de dingen die je moet doen- ook nog tijd over wil hebben om de dingen te doen die je het liefste doet. Toch richt je voor jezelf- alleen al door het haast hebben, een raamwerk in, waarin je doet wat je moet doen juist een zeker tijdsframe faciliteert, waarin dat mogelijk is. Met andere woorden, je kunt doen wat je moet doen, sneller doen dan je ze normaal doet, in de hoop meer tijd te hebben voor de leukere dingen, maar alle faciliteiten om te doen wat je moet doen, zijn er op gericht dit te faciliteren binnen het ritme waarin je dat normaal ook al doet. De kinderen van school halen bijvoorbeeld- dat moet en misschien kun je na die rit iets leuks gaan doen- maar de kinderen moeten bij thuiskomst het kopje thee en koekje krijgen, de kinderen kunnen bij elkaar gaan spelen- wat betekent dat de moeder van de klasgenootjes zich ook aanpast aan jouw ritme, en ga zo maar door. Toch is het alledaagse steeds minder gebonden aan plaats, maar des te meer nog aan routine. (Van Eijk).

Dergelijke geinstitutionaliseerde ritmes maken het gemakkelijk om te kunnen bepalen wat de ander op een zeker moment aan het doen is en om je eigen ritmes daar op aan te passen. Aan de andere kant betekent het ook dat inbreuk op die ritmes, inbreuk is op routines die voor een ander huishouden cruciaal zijn om hun leven mee te kunnen sturen en vormgeven.

Op welke alledaagse verschijnselen, baseren we het ritme in het alledaagse huishoudelijke leven?

  • Uitzendtijden van televisieprogramma’s;
  • Journaal-uitzendingen;
  • Schooltijden;
  • Eten: ontbijt, diner;
  • Scripts: voorgeprogrammeerde sets aan gedragingen;
  • Fysiek gebruik van de ruimte binnenshuis;
  • Taalgebruik;
  • Technologische toepassingen;

Dat is natuurlijk geen volledig overzicht en wellicht komt het vrij vanzelfsprekend over, maar daarin ligt dan ook meteen de kern van het alledaagse. Verschillende takken van wetenschap houden zich bezig met “spaces” in de stad, met die van pleinen en hoven. Echter speelt een wezenlijk deel van ons bestaan zich af achter gesloten deuren.

Deze onderdelen, faciliteren het noodzakelijke informatieverkeer tussen de verschillende gezinsleden, op verschillende manieren. Het gebruik van de verschillende ruimtes en communicatieve functies daar van, binnen een huishouden bijvoorbeeld. De eettafel is een voor de hand liggende, maar de tijd voorafgaande aan de avondmaaltijd, wordt meestal in de huiskamer doorgebracht, waarbij de grenzen voor gebruik van de ruimten voor de komende periode (eten, avond, nacht) worden bepaald. en daarmee ook een deel van het gedrag.

image

Ook objecten binnen het huis bepalen gebruik van beschikbare tijd en de manier waarop we ons dagelijks leven vormgeven. De placering van stoelen rondom de eettafel bijvoorbeeld. Welke stoel staat het dichtst bij de ingang naar de keuken? Wie zit daar en waarom? Wat zegt dit over de rolverdeling binnen het huishouden? Conventie suggereert al snel de vrouw, als antwoord op bovenstaand voorbeeld. Rolbevestigend- ja -maar heeft het ook communicatieve kwaliteiten? De positionering van die stoelen met de vrouw van het gezin als gebruiker van die plaats aan tafel, zorgt ook voor de mediering van voedsel, van structuur (die van de maaltijd), het tempo van de avond (eten we gehaast of op ons gemak), het sluit een ritme af (dat van de dag) en het gebruikt de maaltijd in de huis/eetkamer als moment om de gebruikte ruimte in huis opnieuw te definieren.

Zo was de huiskamer- voor de maaltijd -de plek waarin ongecontroleerd contact werd toegestaan middels de whatsapp van dochterlief en Facebook gesprekken van zoonlief, dat vader een deel van de familiale collectieve ruimte opgaf door een hoofdtelefoon te gebruiken voor muziek en waarin moeder de ruimte een hybride functie gaf, door heen en weer te lopen tussen keuken en huiskamer, waarmee ze de communicatieve grenzen van de huiskamer en het gezinsleven, verbond aan een fysiek ritme: dat van haar en dat van de komende maaltijd. Het is niet voor niets een geliefd onderwerp binnen de feministische literatuur. Ongewild dicteert ritme, ruimtelijkheid en het alledaagse, nogsteeds een raamwerk voor gender-specifiek gedrag.

Heel specifieke plekken binnen het huis of binnen ruimtes, hebben belangrijke symbolische eigenschappen, die het gezinsleven mede medieren. Zo is de eettafel zelf, een belangrijke schakel tussen familierelaties, beweging en attributie van waarde aan objecten. Ze onderhouden belangrijke sociale relaties, en fungeren als communicatiemiddel tussen personen, onderlinge relaties, door tijd en ruimte heen.

De technieken om het gebruik van alledaagse dingen mee te visualiseren zijn enorm toegenomen.  Voor interaction-design, experience-design en huis-pathologie.

Ook worden die technieken gebruikt voor toepassingen die discipline-overschrijdend zijn. Zoals het in kaart brengen van de placering van 1 enkel object in een huishouden, over een langere periode. Welke reis legt jouw koffiekopje of bos sleutels af, in je huishouden? De technieken kunnen worden gebruikt om bijvoorbeeld dementerende ouderen te helpen.

Zie hieronder een filmpje van de presentatie van zo een project.

” Mprint is based around the idea of an objects physical history. It makes use of these histories by visualizung a solution to an all too common problem: Losing things!

Mprint captures and leaves a residue underneath every object on designated surfaces. These residues are an indication that any particular object has occupied that space. Object residues become the entry point into Mprint’s interface which can locate a lost object and take snapshots of surfaces so that meaningful layouts and spatial relationships can be saved and recalled later. “

Bekijk hier de video

Toneel van het alledaagse: dramaturgisch verloop

Zo heeft elke familie wel een eigen alternatief taalgebruik, zoals “oma’s kastje”, ” het goeie servies”, ” de mooie glazen”. Door gebruik te maken van die alternatieve taal, leg je niet alleen een verband tussen relaties, je determineert tevens hoe het moment van gebruik van oma’s servies, gezien moet worden: als iets heel bijzonders, plus je legt een verband in de tijd, door mediering van objecten. Oma-moeder/vader/kleinkind. Objecten met een hoge emotionele lading, op een plek die niet toevallig werd gekozen: de eettafel. Ook de aard van het voedsel “in het goeie servies” medieert waarde en attributie tussen de verschillende gezinsleden.

Aankondigen dat bij het tafel dekken “oma’s servies” gebruikt moet gaan worden, zet een hele serie “scripts” in werking die voorschrijven hoe de avond, het gebruik, de ruimte en de tijd, beleefd moeten gaan worden.

We gebruiken objecten in ons huishouden als mediators voor sociale omgang, de definitie van de ruimte die we op verschillende tijden verschillend gebruiken en om sociale omgangsvormen mee te conditioneren en t normaliseren.

Een eettafel is een belangrijke plek binnen een huishouden. Zo ook de open haard, de schouw boven de open haard en het tafeltje met de fotolijstjes. Om nog maar te zwijgen van oma’s kastje, waarin objecten worden bewaard die door de tijd heen verschillende dingen voor verschillende mensen betekenden, maar nogsteeds de overbrugging tussen generaties en familiale banden vertegenwoordigen. De placering van “alledaagse” objecten is daarin niet onbelangrijk.

Huis-choreografieën en biografieën van dingen

In verschillende disciplines gebruikt men de term “choreografie” van objecten. In tegenstelling tot orchestratie van objecten. Choreografie is een manier van beschrijven van alle lichamelijke bewegingen en activiteiten, waarin bewegingen en gebaren veelbetekenende interacties en relaties leggen tussen verschillende organische of niet-organische “agenten” . Het betrekt daarin een plan voor de actie, de actie zelf en alle “agenten” die het samenbrengt.

De verschillende huis-choreografieën, zoals schoonmaken, koken of je computer gebruiken, zijn niet beperkt tot de eigenlijke fysieke locatie of huishouden, maar reiken naar buiten de muren van het pand én het eigen fysieke netwerk, naargelang het doel van de functie (bijvoorbeeld gasten voor eten verwachten), de gereedschappen die je bij de activiteit gebruikt (de stofzuiger) of de apparaten die je gebruikt (e-mail versturen). Het bepaalt dus mede hoe je je ook buitenshuis beweegt.

Dunne muren en tiener slaapkamers.

Huis-choreografieën zijn dus niet alleen prive-activiteiten, maar hebben dynamische sociale en organiserende functies in de hele samenleving. De meeste huiselijke bewegingen die we verrichten binnen ons huis, zijn voor-gechoreografeerd, in die zin dat fysieke ruimtes choreografieën creeëren binnen de beperking van hun fysieke grenzen en mogelijkheden.

Andere manieren van leven, in omgevingen met meer dichtheid in stedelijke gebieden, scheppen andere manieren van consumeren en werken binnenshuis. Studies in China en Korea lieten zien hoe de behuizing en de inhoud verschilt van die van Europa. Daar zijn de ruimten kleiner en hebben dunnere muren, wat als gevolg heeft dat de kinderen daar veel minder een slaapkamercultuur met bijbehorende technologie hebben, dan de kinderen in Europa, omdat zij door de omstandigheden “gedwongen” worden, meer buitenshuis te zijn voor het ontwikkelen van hun persoonlijkheid en identiteit. Dat betekent ook dat zij minder ruimte hebben om in de privacy van de slaapkamer, ongecontroleerde toegang hebben tot sociale media. Ook de strenge Japanse regels rondom beltonen van GSM’s in publieke ruimtes, heeft direct zijn weerslag op beslissingen om meer te sms’sen dan te bellen.

Het begrip van alledaagse objecten is niet enkel beperkt tot het omschrijven van het materiaal en objectief gebruik er van. Een koffiekopje is niet alleen een rond ding waar iets vloeibaars in kan. De laatste paar jaar is meer inzicht ontstaan in “the biography of things”, waarbij de onderzoeker ‘vragen stelt’ aan het object, zoals men dat ook doet in archeologie. Deze biography of things zal ik in een ander blog nader toelichten.