Deel 2: Tacit knowledge: de zaal en stedelijke context

 

In deze serie van 3 blogs, 3 verschillende benaderingen voor het versterken van de live concert-ervaring

Deel 1: De live concertervaring verrijken: holistische benadering

Deel 2: Tacit knowledge: de zaal en stedelijke context

Deel 3: Live-ervaring versterken vanuit de artiest

Een inspirerende afspraak plannen, naar aanleiding van deze blog? Mail me gerust voor een ontmoeting. acts@la-clappeye.nl;

Dit artikel staat ook op ISSUU 

Een perspectief vanuit tacit knowledge, tijd en plaats in de stedelijke context

De vorige blog (deel 1) ging over belevingen vanuit het perspectief van de experience designer. Ik maak een korte maar niet onbelangrijke omweg via het begrip tacit knowledge [ref]Chomsky (1965) said: ‘Obviously, every speaker of a language has mastered and internalized a generative grammar that expresses his knowledge of his language. This is not to say that he is aware of the rules of the grammar or even that he can become aware of them.’ This internalization of the rules or principles of a generative grammar is usually described as tacit knowledge and the claim that each language user tacitly knows a generative grammar has been a core element of Chomskyan linguisticsand cognitive science (e.g., Chomsky 1986: ‘the central concern becomes knowledge of language’).[/ref], in verhouding tot de spatial urban syntax.

“ Existential phenomenologists argue that, if we are to understand ourselves as human beings and the worlds in which we live, we must ground that understanding in a conception and language that arise from and return to human experience and meaning. There is no world “beneath” or “behind” the world of primordial lived experience, and existential phenomenologists are skeptical of any conceptual system that transcribes human life, actions, and experience into secondhand, reason-based presentations—for example, positivist-analytical accounts that necessarily convert experience and meaning into tangible, measurable units and relationships that are claimed to represent some empirical trace of their original lived source. “ David Seamon; 2004

Tacit knowledge is dus niet alleen conceptuele manier van denken en een abstractie. Ook in andere wetenschappen erkent men het bestaan en belang van tacid knowledge en de invloed daar van op onze interactie met de fysieke wereld. De band met space syntax is verbluffend actueel.

Space Syntax: methodology was developed by Hillier and Hanson (1984) and consists on the correlation of natural movement patterns in the urban grid. Space Syntax is useful for the understanding of the formal logic of the urban fabric, in what concerns its evolution and the emergence of centralities and living open spaces where the main urban activities take place (…)

(…) what is required for the development of an integrated methodology and theory is a clearer understanding among historians of how space influences society, culture and economy. This will create a platform for more analytical applications of the Space Syntax theory in the analysis of historical space. (…)”

 

Een overstijgende kwaliteit die voortkomt uit een systeem van kleinere onderdelen, en op zichzelf- als entiteit -interacteert met de omgeving en met andere- als entiteit communicerende- overstijgende kwaliteiten, zijn zgn “emergent qualities.”

” (…) emergent entities (properties or substances) ‘arise’ out of more fundamental entities and yet are ‘novel’ or ‘irreducible’ with respect to them. (…)”

De concert experience op het moment zelf, is een “emergent quality” van alle daar aanwezigen. Of men nu als publiek uit Limburg en Drenthe naast elkaar staan, men is onderdeel van een ervaring. Dat wil zeggen, ervaren waartoe zij zijn geprogrammeerd te ervaren. Geprogrammeerd door tacid learning. Lees ook over het concept tacit learning en het begrip space ballet. Dat verklaart waarom het publiek in dat pand is (residual meaning), met juist deze functie, in dit deel van de stad. Lees over de duidelijke overeenkomsten van de urban space syntax. Dit concept is door wiskundigen en andere exacte wetenschappers- weliswaar schoorvoetend -overgenomen, maar men voelt er zich vanuit die tak van wetenschap nog niet zo prettig bij. Toch is dit fenomeen,  ook in de architectuur en stadsplanning, een bekende methode om te kijken naar de veranderende structuur van de stad, de mens en de processen binnen de leefomgeving. Niet alleen om veranderingen mee in kaart te brengen om de stad mee in te richten, maar zeker ook om mee te begrijpen hoe de omgeving zich heeft gevormd en hoe ons gedrag daarbinnen te verklaren is.

 

Network view, tacit knowledge and learning
Network view, tacit knowledge and learning

 

Zo hebben de inwoners van een voorsprong middeleeuwse ommuurde stad, zoals Den Bosch, ook kenmerken in hun gedrag die horen bij de layout van de stad. De muren dicteren een bepaalde structuur van de straten, waarin de huizen vrij dicht op elkaar staan, en de straten de functie hebben van een doorgangsroute, met 3 hoofdwegen, die samenkomen op het belangrijkste plein. Inmiddels zijn er wijken buiten de binnenstad bijgekomen, met inwoners die de Bosschenaar net zo goed als een Bosschenaar beschouwt, zoals ook iemand die in de nieuwe wijk achter het station woont, maar toch is er een verschil. Dat zit hem in de perceptie, zoals we die hebben ontwikkeld, door de eeuwen heen. Alleen al de omschrijving “voor” en “achter” het station, zegt heel veel over de inwoner van de binnenstad. Zelfs mensen die wonen in de buitenwijken, gebruiken het perspectief van de historische binnenstad en hebben het ook over “voor” en “achter het station. Er kan een groot plein achter het station liggen, maar dit aan zicht en beleving onttrokken, door station en door tacit learning, kent weinig interactie met andere delen van de stad, dus zit het ook niet in de dagelijkse routine, niet binnen de zichtlijnen van de bewoners van de binnenstad. Dat heeft behoorlijke consquenties, zou je daar een concertzaal of theater willen hebben.

Het is een volstrekt kunstmatig aangelegd plein, ook in conceptueel opzicht; het is geen transitiegebied en vanaf “achter” het station bezien, is het hooguit een aanlooproute en geen plaats van bestemming. Een aanlooproute naar een centrale plek als een plein, is historisch gezien een plek, waar ook belangrijke functies niet aanwezig zijn. Als je kijkt naar Den Bosch en de Markt aldaar, zie je een plein waarop straten samenkomen,die doorgangsroutes vormen, via de belangrijkste toegangswegen van buiten de stad, naar de Markt.

De live-ervaring verlengen vanuit de zaal als plek

De sociale context waarin dat kan plaatshebben, moet je niet los zien van de rituele of ritualistische handelingen die onderdeel moeten gaan vormen van de flow waarin je de bezoeker wil krijgen. Men moet de bezoeker niet te snel te willen binden aan de concertflow. Zeker in een tijd waarin bezoekers niet meer zo gewend zijn aan een flow met een lange spanningsboog en de geringe mogelijkheid voor makers om een producer-generated flow te maken, waarin het publiek van begin tot eind in een door de maker bedachte flow blijft, moet je zorgen dat je genoeg ruimte laat voor andere processen, waarmee het publiek zich laat binden.

 

kaartjes den bosch

 

Bijvoorbeeld door remediation van het gebouw. Veel concertzalen zitten in panden die voorheen een andere functie hadden. Toch zit daar nu een concertzaal of theater. Er waren dus al kwaliteiten en eigenschappen in het gebouw en de omgeving, die gebruik voor een theater of concertzaal toestonden. Zoals W2 Poppodium en de Toonzaal in Den Bosch.

Ligging W2, Toonzaal en Verkadefabriek
Ligging W2, Toonzaal en Verkadefabriek

” In order to operate effectively in environments, in order to survive by our wits in the Savannah or in the shopping mall, we need to assess the environment’s potential to hinder or facilitate our goals, that is, we need to comprehend or “read” environmental meaning. (…) Stokols ( 1981) refers to place- based meaning as “the nonmaterial properties of the physical milieu – the sociocultural ‘residue’ (or residual meaning) that becomes attached to places as the result of their continuous association with group activities’. He further suggests that place-based meanings form the “glue” of familiarity that binds people to place (…)” (Place identity: symbols of self in the urban fabric. Blz 110)

Bijna altijd hadden die panden- in hun oorspronkelijke functie -kenmerken en kwaliteiten die het herbergen van grote groepen mensen toestond, die nu door de zalen worden benut. Zo niet de panden zelf, dan wel door de fysieke omgeving, die was ingericht om een bepaald stedelijk ritme te faciliteren. Er zijn veel invalshoeken waarmee de wetenschap kan kijken naar de stad en naar panden. Binnen de humanitaria, kijkt men ook naar de stad en de omgeving, als zijnde een groot boek met verhalen en structuren. Als je die met tacid learning vergelijkt en goed gaat kijken, kun je zeggen dat de taal die het gebouw spreekt, er eentje is die we misschien niet meer goed kunnen verstaan, maar waar van de betekenis zo diep in ons en onze gedragingen zit, dat we op zijn minst aanvoelen wat het tegen ons zegt. Al jaren bekijken wetenschappers naar de stad en haar structuur en bevollking, alsof het een podium is, met attributen en acteurs. Laat ik voor nu volstaan met de vergelijking dat de acteurs van destijds weliswaar zijn overleden, maar dat de rollen die zij speelden, nogsteeds bestaan. Ze lopen nogsteeds over dezelfde wegen, schuilen nogsteeds onder dezelfde boom. Toch zijn de randgebieden van toen- waar onder andere de Willem II fabriek, Verkadefabriek en de Heus (fabriek) stond, geen transitiegebieden. Ze lenen zich wel uitstekend als verbindingsfunctie voor regionale verspreiding van kennis, als culturele “hub”, omdat de omgeving niet meer is ingericht op inter-regionale netwerken, maar omsloten door functies die het verkeer voor industrieel gebruik verhinderen. Naar contouren van kennis-netwerken, kent iedere Bosschenaar wel iemand die beroepsmatig op de een of andere manier met een van de fabrieken te maken heeft gehad. Dat is een tacit quality van die industriële omgeving, waar een cultureel “hart” echt iets aan heeft; al is “hart” hier niet de juiste benaming meer voor. Het gebouw waar poppodium W2 zit- een voormalige sigarenfabriek -werd onlangs verbouwd en voorzien van nieuwe functies, waaronder diensten van nieuwe soorten creatieven, die een kantoor-ritme suggereren.

Laat ik de Toonzaal als voorbeeld nemen.

– Ligging: Aan de buitenste rand van het centum van Den Bosch. Nu in het centrum, toen het gebouwd werd in de 19e eeuw, stond het aan derand van de stad, maatschappelijk gezien, in de periferie van de stad. Gezien de veranderende demografie, lag het gebouw toen aan de rand van een relatief arm gebied, nu ligt het in een omgeving van relatief hoge welstand, waarin een groot deel van de omgeving niet voor bewoning is bestemd.

Die perifere functie werd overgenomen, toen het concertzaal werd. Periferen horen meestal alleen bij de gemeenschap omdat ze kwaliteiten hebben, die anderen niet hebben of niet op het juiste moment. Denk maar aan rondreizende zigeuners en kermisvolk, in vroeger tijden. Net als Joden, die als intermediair dienden in grensgebieden, omdat het de gereformeerden verboden was om met katholieken te handelen. Dat is voor de plek van de kunsten eigenlijk hetzelfde. Het is in marketingtermen minder makkelijk te ” culten” dan de W2, gezien de sacrale aard va het gebouw en de recente geschiedenis van WO II.

– Functie: Voormalige synagoge toen,concertzaal nu.

– Kenmerken van het gebouw toen:
Centrale gebedsruimte met grote rituele afstand tussen de geestelijke en de gelovigen;
Ook grote fysieke afstand binnen het gebouw tussen geesteljke en gelovigen;
Ligging niet nabij de grote toegangswegen naar de stad. Geen bestemmings-functie.

– Kenmerken van het gebouw nu: Centrale concertzaal, met grote afstand tussen bezoeker en artiest, door onder meer een lange fysieke afstand tussen publiek domein en de eigenlijke zaal, symmetrische opstelling vanwege placering van de stoelen en een nogaanwezige altaarkast, nog eens vehoogd door het grote verschil in akoestiek tussen foyer en zaal en een te hoog podium. Tenslotte de looplijnen binnen het theater. Rechterkant voor de gelovigen/bezoekers, linkerkant voor de rabbijn/artiest. Fysiek gezien, is er maar een weg naar binnen en een naar buiten. Een akoestieke overgang vanuit foyer naar de zaal, die bij het publiek het sacrale karakter van de ruimte extra benadrukt. In het muziekcircuit, staat de Toonzaal bekend om zijn goede akoestiek. De Toonzaal is een locatie waarvoor de bezoeker zijn bezoek van tevoren zal plannen.

Hoe gebruik je nu die kenmerken- de taal van het gebouw zelf, de ligging, de voormalige functie- ook als deel van de stedelijke omgeving en als visueelherkenningspunt in de stad -in je voordeel gebruiken? De vergelijking gebedsruimte en concertzaal en geestelijke en artiest, lijkt flauw, maar de bezoeker van nu, reageert net zo. Dat heeft ook grote voordelen. De decodering van tacit kwaliteiten is vrij “direct” te noemen. De gemeenschappelijkheid van de ervaring van aesthetische kwaliteiten, is vrij snel aanwezig, omdat de voorwaarden daartoe, voor een groot deel al verborgen liggen in de voormalige functie van de zaal, als gebedsruimte, de layout en de grote overgang tussen het concert en de publieke ruimte.

Interacties leefomgeving, waaronder space syntax en tacit learning

 

Ritme, gebruik en clusteren

Kijk als zaal nou ook eens naar de kwaliteiten van het oorspronkelijk gebruik: Een oude fabriek heeft toevoerswegen nodig voor materialen, moet centraal liggen vanwege de arbeiders die er dagelijks moeten komen werken, heeft een plek in het stedelijk landschap veworven, die is gaan uitmaken van een hele nieuwe manier van de weg vinden. Werken als 20-jarige in die fabriek, tekende destijds in een klap, het hele sociale en maatschappelijk leven van de arbeider af, in die paar woorden: Ik ben sigarensorteerder bij Willem II. Dat zijn kenmerken die nogsteeds in de kieren van de stad zijn terug te vinden. Kenmerken die je kunt aanspreken en benutten, als je een beetje out of the box kunt denken en kijken

Voor abonnementen is het interessant te weten dat clusteren en serialiseren heel goed kan werken omdat het steedsweer herhalen van min of meer dezelfde (live)ervaringen een verlangen bij de bezoeker opwekt, dat deelname hem doet groeien, dat hij er iets van opsteekt en er bij elk bezoek beter van wordt. (Pine & Gillmore). Als je er vervolgens een loyalty instrument aan toevoegt, die op die behoefte inspeelt (stempelkaart, klinkt ouderwets maar heeft zo zijn voordelen), kan dat mooi werken om de live beleving bij het publiek te versterken. Absolute voorwaarde is wel, dat je heel goed weet wat het publiek al weet en hoe je kunt aanvullen op hun kennis.

Hoe anders werkt dat bij live concerten met een hoger tempo? Heel algemeen kun je stellen dat een publiek met hogere participatiebehoefte, een jonger publiek is. Heel andere wensen en kenmerken ook, heel andere benadering van de live ervaring. In vicarious experiences- het spiegelen van ervaringen waardoor je de sensatie van de ervaring beleeft zonder de eigenlijke fysieke activiteit te verrichten, heeft men een ” model” nodig, die bepaalde kenmerken heeft, waarmee wij de geloofwaardigheid van de te spiegelen ervaring beoordelen. Naast de kenmerken sociale macht en competentie, is ook hoge status van groot belang. Ook om die reden is het van belang, het ” aura” in stand te houden, de scheiding tussen band/artiest en publiek in stand te houden. Daarmee bedoel ik niet arrogant of elitair, maar een rituele en conceptuele markering tussen de 2 domeinen. Dat kan al in de vorm van een verhoogd podium of belichting/lichtplan zijn. Het is geen goed idee om als band, voor het optreden al in de zaal of foyer te zijn.

Eigen aan een live-ervaring, is dat die in het hier en nu wordt ervaren. Als het moment en de ervaring voorbij is, blijft de herinnering aan de ervaring over. Dat is iets waarmee je de ervaring nog memorabeler mee kan maken. Door het “spiegelgevoel” van de ervaring, via andere middelen te verlengen. De herinnering aan de ervaring is niet alleen afhankelijk van het eigenlijke concertmoment, maar ook van de beleefde omgeving, door de tijd heen. De bezoeker anticipeert op en kijkt uit naar het concert, ervaart het concert op het moment zelf en heeft plezier aan de herinnering van bij het concert geweest zijn. Daar zijn veel manieren voor en niet elk type bezoeker kan op dezelfde manier worden getriggered via dezelfde middelen en kanalen.

De belangrijkste ingredienten om de herinnering aan een ervaring levend en memorabel te maken, bestaan uit het kunnen anticiperen op en uitkijken naar, de eigenlijke concertervaring zelf en de prettige herinnering aan de concertervaring, achteraf, zoals eerder besproken. Het is dus van belang dat je de bezoeker “door de tijd heen” trekt. Intertemporele beslissingen- hier het nemen van beslissingen waarvan de gevolgen zich gedurende de tijd, gelageerd ontvouwen, kunnen worden gevoed- binnen onze context van live muziek en theater, binnen een zaal), via verschillende methoden. Een beweging kan bijvoobeeld al heel veel doen. Een ritje in de achtbaan met 6 loops, kan je je nog jarenlang herinneren,elke keerdat je over een drempel sjeest,met de auto. Een bij een concert gekocht t-shirt geeft niet alleen een immateriële waarde mee in de vorm van een herinnering, maar bevordert tevens de word-of-mouth en bevestigd de drager er van in zijn plaats binnen zij eigen groep of context. Daarnaast heeft hij ook een tastbare herinnering aan het concert.

Het toevoegen van experience-elementen, rekt de Intertemporale beleving, maar tastbare objecten, kunnen de beleving nog veel verder uitrekken. Maar met een shirt of papieren kaartje alleen, zijn we er nog niet.

Fysieke belevingsverhogende elementen worden virtueel

De fysieke artefacten die de ervaring verrijken, worden vervangen door digitale alternatieven! Foto’s filmpjes et cetera. En laten dat nu bij uitstek zaken zijn, die de zaal moeilijk zelf kan vormgeven. De sociale media als kanaal, echter, zijn wel vorm te geven. Zo ook kan de zaal muziek weggeven, via Soundcloud etc. Goeie transmediale campagnes zijn belangrijk, maar zeker wil ik benadrukken dat het gamificeren van diensten die virtueel zijn, erg belangrijk is. Het is een heel technisch proces, waar ik in een ander blog of in een nader gesprek graag nog eens op in ga. In deze context volsta ik te zeggen, dat ook virtuele ruimtes, uiterlijke en innerlijke dimensies hebben. Belangrijk als je iets wil weggeven en een belevingswereld strategisch wil omsluiten.

Aanbevelingen voor zalen:

Zalen, het is heel hoog tijd dat jullie je serieus gaan bezighouden met

1) Faciliteren, toejuichen en toestaan van opnamen met smartphones bij concerten;
2) Live streaming gaan toestaan, zelf vormgeven en communities er omheen maken;
3) De archiefvorming die toch al aan het ontstaan is binnen de muzieksector, nu zelf in eigen hand nemen en vormgeven;
4) De tanende macht van de platenindustrie aangrijpen om zelf de dienst uit te maken ipv de grote maatschappijen.
5) User generated content: jullie toekomst en redding!
6) Inzetten van vrijwilligers om als eersten met smartphones concerten te registreren. Dat verhoogt de status van de individu als filmer, en bezoekers gaan hem/haar gebruiken als model voor een vicarious experience (door oa delen) wat de live-ervaring verhoogt en verrijkt.;
6) Bestaande live streams onmiddellijk omvormen tot volwassen en volwaardig medium

beeldregie W2 concertzaalFOTO: Op 31 oktober 2014 ben ik even gaan kijken bij de regie van de  live beeldregistratie van het W2 poppodium. 

Zo heeft het Concertgebouw een eigen live-stream voor concerten, die buitengewoon knullig in elkaar zit. Aangezien er vanuit het Concertgebouw verschilende malen per maand live uitzendingen worden verzorgd, staan daar standaard professionele camera’s, waar het Concertgebouw gebruik van mag maken. Ik vind het echt onbegrijpelijk dat zo’n zaal, met die middelen, zo amateuristisch met hun live stream om gaat. Aan het gebruik van mobieltjes, filmen bij concerten en live streams. zal ik later een aparte blog wijden.