Tag Archives: belevingen

Leren kijken naar een ding deel 2

Design en designer

Voor een creatief concepter en experience designer, zijn dit belangwekkende thema’s. Technologie werkt beter als het de gebarenwereld van de mens volgt. Andersom, passen we ons ook steeds meer aan, aan de fysieke en ergonomische eisen van nieuwe apparaten. Net zoals bij andere gebaren die we maken en herkennen, zijn gebaren geen geisoleerde momenten, bij het gebruik van een apparaat. Het zijn dynamische momenten, geincorporeerde aanwezigheid, binnen een ketting van belevingen van verschllende bewegingen. Het krijgt zijn betekenis, in zijn geheel gezien. Sociale context is een deel van dat geheel.

Bijna altijd, hebben acties en bewegingen van ontwerpers, andere gevolgen dan die bedoeld werden.

Niet zoals de kunsten, natuurwetenschappen en humanistische studies, gaat design in essentie over intervenieren in de wereld. Creatief design vraagt daarom om grote intellectuele uitdagingen. De designer als reflectief beoefenaar (vrij vertaald naar Schon), en het designproces als “reflectie-in-actie”, gaat uit van het idee dat de fundamentele voorwaarde van design, er een is van onzekerheid, uniekheid en van conflict. (Julienne Hanson).

Psycholoog Irving Biederman, die visuele perceptie bestudeert, schat dat er waarschijnlijk 30.000 verschillende direct te onderscheiden objecten zijn, voor een volwassene.

Stel dat elk object een minuut kost om te leren, dan kost het je voor 20.000 objecten, alles bij elkaar 333 uur om te leren! (Norman). Dan hebben we het nog niet eens over de nieuwe objecten die we dagelijks onverwacht tegenkomen, terwijl we eigenlijk met heel andere zaken (willen) bezig zijn.

 Goed design- volgens Schön -moet onnoemelijk veel factoren in aanmerking nemen, en de gevolgen van het negeren van een of meer van die variabelen, kunnen catastrofale gevolgen hebben. Een te sterke laser in de massaproductie van een cd-speler, kan bijvoorbeeld een gevaarlijk wapen worden.

 Hij doet het niet!

Mensen hebben de neiging zichzelf de schuld te geven bij gedoe met technologie. Mensen zien vaak oorzaken voor gebeurtenissen, kennen een causaal verband toe wanneer er twee dingen opeenvolgend gebeuren. Als ik actie A uitvoer, voorafgaande aan een zekere uitkomst S., moet A. S. dus hebben verzoorzaakt. Terwijl er eigenlijk geen relatie bestond tussen de twee. Het is nog complexer wanneer we met een actie beogen een zeker resultaat te behalen, en er problemen zijn wanneer we die actie via een tussen-medium tot stand brachten.

Het kan natuurlijk gewoon wel je eigen schuld zijn. Er is een beleving van causaliteit in de relatie tussen het ding waar je de schuld aan geeft en het resultaat. Beleving is daarbij het sleutelwoord. Dat causaal verband hoeft helemaal niet te bestaan.

Een belangrijk aspect is dat we regelmatig weinig informatie hebben, op basis waarvan we die beoordeling kunnen doen. Een apparaat kan zo complex zijn (en dat zijn de meesten), dat je het gebruik er van aan allerlei andere zaken moet aflezen dan aan bijvoorbeeld de vorm van het apparaat of duidelijke mapping. Het kan zijn dat je een knopje indrukt, maar geen weerstand voelt, er klinkt geen piepje en er gaat geen lampje branden. Er is dus geen manier in dat voorbeeld om je eigen gedrag aan te ijken.

Het grappige is dat onze neiging om onszelfde schuld te geven bij falen van alledaagse objecten, tegen onze normale neiging in gaat, om onze eigen problemen toe te schrijven aan de omgeving, en die van anderen aan hun persoonlijkheden.

Design door alledaags gebruik

Een interactie-georiënteerd  proces, is een design proces dat start met herkennen van alledaagse handelingen, inherent aan alledaags design.

Iedereen doet dagelijks mee in ontwerp en design, al herken je dat zelf niet. Alledaags design weerspiegelt de vindingrijkheid die zich manifesteert wanneer het ontwerp van objecten (artefacten) wordenn aangepast om zo beter in een bepaalde omgeving te passen. (Wakkary & Maestri, 2007, 2008). Een betere term is ontwerp door gebruik.

Sommige nieuw ontworpen objecten hebben functies, vlakken en “affordances” die door de designer zijn aangebracht, maar die in praktijk helemaal niet als affordance worden opgemerkt, of die wel als zodanig worden herkend, maar de functie van affordance hebben verloren vanwege een andere context van gebruik of vanwege het feit dat de design-affordance alleen nog maar zijn uiterlijke vorm dunnetjes heeft behouden, zonder dat het echt nog een duidelijke functie heeft.

In de professionele designwereld, kijkt men ook naar andere manieren van waarnemen, door de gebruiker van objecten en zijn omgeving. Zo kan een object een grote meerwaarde hebben, wanneer het gebruik er van, de bewegingen volgt die we zelf dagelijks toch al maken. Zoals bijvoorbeeld een steek-beweging maken met je handen. Een sleutel in het slot steken bijvoorbeeld. is zo’n beweging. Het brood in het broodrooster stoppen.

Met andere woorden, door heel goed te kijken naar hoe de gebruiker spullen gebruikt, kan een ontwerper hier alleen maar van leren.

Zie voor een voorbeeld: Participatory workshops: everyday objects and sound metaphors

Morfologie

Morfologie, de studie van patroon en vorm, is cruciaal voor design omdat het een essentieel deel vertegenwoordigd van het corpus van samenhangende kennis. Net als bij de space syntax, in de jaren ’70, waarbij architectuur als een formele beschrijvende tak van kennis werd vertegenwoordigd, is de benadering zowel wiskundig als morfologisch.

Dingen hebben levens

Een ding is veel meer dan alleen een ding alleen. De objecten die we thuis hebben gebruiken en weer weggooien, is een geglobaliseerde vorm van levensduur van een object, die begint bij de aanschaf en eindigt bij de prullenbak. Dat is een systeem van gebruik die we in onze materiële cultuur hebben ontdaan van diepere betekenis.

Sentimentele opjecten in huis hebben voor het hele huishouden betekenis, maar ze zijn niet van iedereen. Ze zijn er niet alleen om herinneringen op te roepen, of een persoonlijk verhaal weer te geven, ze hebben nog meer functies. Ze refereren aan een diepgewortelde culturele praktijk van giften geven, van ruilhandel, van de uiteindelijke tactiele kwaliteiten van he materiaal waarvan ze gemaakt zijn. In dat opzicht zijn ze ook een vorm van vorm- en materiaalgeheugen voor ons. De toegang daartoe in huis, is een onderhandelde activiteit, en is in hoge mate geritualiseerd. Bewaren van sentimentele objecten gaat dus véél verder dan alleen maar status van het bezit, of van materiële kwaliteiten.

 Dingen hebben beweging en gebaren

Objecten zijn een deel van ons geheugen, maar kunnen niet onthouden zonder dat wij (onbewust) weten wát ze moeten onthouden. Het gebruik van een object zit hem niet alleen maar in de functionaliteit of symbolische waarde. Het object bestaat ook in de ‘ruimte’. Alleen al het gegeven dat we precies weten hoe we het moeten vastpakken, dat we weten wat het weegt voordat we het hebben opgepakt, hoe het object klinkt als het zou vallen. De bewegingen die we gebruiken bij het hanteren van een object, zijn gebaren geworden omdat het design van het object dit forceerde. De vorm kan je uitnodigen een bepaalde handeling te verrichten. Een plat vlak bijvoorbeeld, als een bord of een plaat op de deur, nodigt uit tot slaan. Een knop nodigt uit om aan te draaien.

Maar een fractie van de gebaren die we maken, worden in gebruikers-georienteerde benadering van objecten relevant gevonden. Echter is er een hernieuwde interesse in de meer socio-anthropologische aspecten van technologie. Benaderingen van huishoudelijke ritmes vanuit ritme en routine- hoe kritisch ook -volgen toch een vrij star raamwerk.

Embodiment

Een ding heeft ook een biografie. Ook heeft het een geheugen. Een object als een mand of een hamer, herbergt een collectief geheugen aan kwaliteiten die we door de vele eeuwen heen belangrijk of nuttig hebben gevonden, en die we behouden hebben en  bewaard in zowel de kwaliteiten van het object, als in ons gebruik er van en de ruimtelijke referenties van zowel het object als de context. De vorm van de steel, de klank van een hamer op een object, het gevoel van actie en hardheid. Als we met onze vuist op tafel slaan, maken we hetzelfde gebaar als van het slaan met een hamer. Onze vuist balt zich, zoals de kop van een hamer.

Er is een wederzijds proces van waardecreatie tussen mensen en dingen. Zo kan een object in een museum, waardevol zijn vanwege de gedeelde geschiedenis tussen ons en het object. Daarom heeft een cadeautje ook een andere waarde dan iets wat je zelf kocht. Obecten zijn ingebed in sociale omgevingen, en die laten sporen na in objecten.

Affordance

Voor affordance is niet een Nederlandse vertaling die helemaal de lading dekt. Ik gebruik de Engelse term, die in de literatuur gangbaar is.

In Gibsons ecologische benadering van perceptie, bieden dingen en kenmerken van de wereld, hun eigenschappen, aan organismen die met hen interacteren. Water laat toe zich te drinken, bekers laten uit zich drinken, een handvat laat zich vastpakken. Het moet echter wel een organisme zijn met een mond, een keel en een maag, of hand met duimen om de kop te kunnen vasthouden. Een mond is nodig om water mee te kunnen drinken en bij afwezigheid van water, is een mond zoals hij is gebouwd niet nodig. De eigenschappen “drinken” of ” uit-te-drinken-heid” zijn dus niet exclusief voor die objecten (het water en de beker), of voor de gebruikers er van, maar ze bestaan in relaties tussen organismen en de omgeving.

The Social Life of Small Urban Spaces: William H. Whyte from Nelly Oli on Vimeo.

Sommige anthropologen als Tim Ingold, stellen dat menselijke leefomgevingen, eigenschappen toestaan, die elke generatie opnieuw kan worden uitgevogeld, herontdekt of her-groeid, door menselijke individuen, zonder dat er overdracht is tussen een beweerde aparte wereld van culturele representatie(s). Bijvoorbeeld van omgevallen boomstammen een overbrugging kunnen maken, van stenen een vermaler van noten maken.

Volgens Gibson, moeten affordances niet gezien worden als afhankelijk van cultuur, voorkennis of verwachtingen van het individu, zoals Norman suggereert. Norman richt zich ook op de perceptuele en mentale capaciteiten.

Een simpele handeling als aan een tafel gaan zitten voor een maaltijd, herbergt een wereld van affordances die in massadesign aanwezig zijn. Anthropometrische kenmerken bepalen een belangrijk deel van het design. De hoogte van de stoelen, de grootte van de lepel, de scherpte van het mes, de hoek van de benen onder de tafel, de helling van het torso ten opzichte van het tafeloppervlak en het bord met eten.

Spelen, speelgoed, alsof doen.

Het kinderspeelgoed is in vele opzichten een afspiegeling van een volwassen leven. Niet alleen de letterlijke copie van bijvoorbeeld een winkelwagentje in het klein, ook de dimensies van een hobbelpaard tot de materiaalkeuze van een poppenkastpop. De sociale interacties tussen de kinderen die spelen, zijn in veel opzichten een mini-versie van de grote mensen wereld.

affordances in play

Door kinderen zelf te laten sjouwen en bewegen met spullen, kunnen ze zelf het niveau van de uitdagingen bepalen. Kinderen personaliseren hun omgeving door kinderformaat meubeltjes binnen een nieuwe ruimte te verplaatsen, waarmee ze hun gevoel van controle verhogen (Maxwell, 2007). Door kinderen losse materialen aan te bieden, in de vorm van bijvoorbeeld losse blokken, boomstammen, banden, stoffen en pijpen, verhoog je het spel en doen-alsof. De kinderen worden aangemoedigd de mogelijkheden van het spel, de ruimte en de materialen te verkennen.

Kinderen hebben kansen nodig om keuzes te maken in waar ze mee spelen, waar ze spelen, met wie ze spelen en wat ze spelen, net als wanneer ze spelen en voor hoe lang.

 Pathways en locales

Een huishouden als onderkomen, als plaats waarin de leden van het huishouden hun alledaagse leven leiden, kan ook worden bekeken vanuit het gebruik van een specifieke ruimte, waarin bepaalde sociale praktijken van het huishouden, gedurende de dag, plaatshebben. De plek waar routinematige activiteiten en interacties tussen de verschillende leden van het huishouden, plaatsvinden en elkaar kruisen, terwijl de setting van de ruimte ook gebruikt word om waarde mee te geven aan de interacties en de individuele activiteiten en gedragingen van de leden van het huishouden.

De notie van een “locale” (Giddens), is een belangrijk begrip vanuit het perspectief van behuizing en wonen. “Sociale praktijken kunnen gezien worden als patronen van interactie, die zijn geordend doorheen tijd en ruimte.” Locales refereren aan het gebruik van ruimte om de omgeving te prepareren voor interactie.

Het is meestal mogelijk om locales aan te wijzen, in termen van hun fysieke eigenschappen, als kenmerken van de materiele wereld of als combinaties van die eigenschappen en van menselijke artefacten.

Een Housing pathway is te definieren als patronen van interactie, aangaande het huis en thuis, over tijd en door ruimte heen. Het is een continue set van relaties en interacties, die het huishouden ervaart door de tijd heen, in zijn consumptie van het wonen. Het behelst ook de carriere-levenscyclus van huishoudens en mobiliteit.

Eigenschappen die het huis of de ruimte tot “locale” maken, worden op een chronische manier ingezet, door agenten in het formeren van ontmoetingen doorheen ruimte en tijd, in die zin dat zij gezien kunnen worden als “stations” waarin de routine activiteiten van verschillende individuen zich kruisen.

Klik hier voor deel 1

Leren kijken naar een ding deel 1

Dingen die dingen anders doen

Het alledaagse ding, daar kijken we niet zo vaak op een andere manier naar dan we normaal doen. Het alledaagse ding is er immers elke dag en elke dag staat het in de weg, in de kast, in de vitrine, in de gereedschapskist. Het is er, en dat is genoeg… zou je denken. Toch gaat er in de wereld van het alledaagse object, een wereld schuil die voor het grote publiek veelal verborgen blijft. Het is ook niet altijd even concreet. Maar dat zijn wij als mensen zelf ook niet.

In de komende 3 blogs, tracht ik enkele kernbegrippen toe te lichten, waarmee we ons alledaagse leven en dan met name dat van objecten, op een andere manier kunnen gaan bekijken.

Dingen doen al heel lang met ons mee

Een object- inclusief landschappen of zelfs het menselijk lichaam, zijn actieve participanten in het sociale leven en verandering. Die nadruk op het fysieke van een object, is een vorm van onderzoeken, niet zozeer een ander onderwerp, waarin de fysieke kwaliteiten van een voorwerp, een geheel vormen met alles waarmee wij het object kunnen waarnemen, plaatsen, bepreken en beoordelen, op alle niveau’s. Dus ook de emotionele respons is waardevol, de geur, de textuur, geur, smaak, temperatuur, de textuur van het object, de eigenlijke materiele verschijningsvorm, het moment en sensatie van het manifesteren van het object binnen onze beleving, onze interactie met het object. Welke betekenissen schrijven we het toe, roept het over zichzelf af en onze relatie tot het object? We vragen het onszelf pas af, wanneer we het in het museum plaatsen, als onderdeel van een brede achtergrond aan factoren, zoals de setting van het object, achtergrondkennis, cultureel en historisch geconstrueerde interpretatie en integratie van zintuigelijke percepties. Subjectiviteit van reactie en materialiteit, zijn met elkaar verbonden en beiden bepalen de ervaring en interpretatie van objecten.

kamer

Repetitie als geheugen

Een machine is iets anders dan een gereedschap. Een gereedschap is er op gemaakt om repetitieve handelingen “te onthouden”  door de generaties heen. Het gebruik er van op zich, staat los van context, sociale lagering of cohesie binnen een gemeenschap. Het gebruik kenmerkt zich door een moreel imperatief (Sennett) te vertegenwoordigen tot werken voor het nut van de gemeenschap.

Sinds de industriele revolutie, leek de machine het werk van de ambachtsman te bedreigen. Het leek een fysieke bedreiging. De industriele machines werden niet moe van repetitieve handelingen, ze deden hetzelfde werk- uur na uur -zonder klagen.

Trendwatchers en futuristen zien- met de nadere introductie van robots en robotica binnen de arbeidsmarkt -een opleving van het artisane, het ambacht. Dit fijne werk kan vooralsnog niet door robots worden overgenomen. Niet vanwege de fijne motoriek, maar vooral vanwege het gebrek aan diepgewortelde, niet overdraagbare kennis, van design, gebruik, ruimte en context. De verwachte opleving aan ambachtelijk werk, is feitelijk al langer aan de gang, al kennen we het onder een andere naam. De economische crisis heet veel ZZP’ers gekweekt, het heeft een opleving aan gemeenschappelijke initiatieven veroorzaakt en een andere relatie tussen producenten en consumenten. Dit is goed waar te nemen binnen het verschijnsel “zelfgemaakte markt”. Een opleving van ambachtelijke beroepen, die we tot voor kort hebben aangezien als uitvloeisel van economische crisis, maar tevens een voorbode is, voor trends die we nu pas namen kunnen geven.

Objecten in musea

Objecten in musea zouden ons het meeste kunnen vertellen door middel van ons eigen lichaam. Aanraken, laten raken en laten aanraken. Maar objecten in musea staan er niet voor niets. Als ze interessant zouden zijn in het alledaagse leven, zouden ze daar in bijvoorbeeld Ikea wel een mooi plaatsje inruimen. Een Klippan bank, naast een Griekse amphora…. niet echt een voor de hand liggende keuze.

Toch, in het denken over artefacten, over spullen, dingen, is in onze westerse cultuur een duidelijke scheiding aanwezig tussen wat het ding als materieel object is doet en was, en waar het in theorie verder allemaal nog meer voor zou kunnen dienen. Objecten vertellen een verhaal, maar ze zijn er zelf geen onderdeel van… hooguit een toevallige passant en vervolgens een herkenbaar middel om het verhaal verder mee herkenbaar te maken.

De eigenlijke fysieke “real-time” zintuigelijke ontmoetingen met materiele objecten en de emotionele en intellectuele reacties die zij faciliteren, zijn nu juist de reden dat het object uberhaupt bestaat en dat wij het verhaal middels zijn kwaliteiten kunnen vertellen en begrijpen. Alleen moeten we niet vergeten dat onze zintuigen zijn opgebouwd uit lichamelijke ervaringen, uit reacties op dat wat materialiteit ons heeft kunnen overbrengen, middels aanraking, gebruik (denk aan gereedschap), geur (denk aan bloemen, gif) et cetera.

Onze interactie met objecten, bestaat uit informatie, materialiteit en de menselijke zintuigelijke percepties daar van.

Betekenis komt voort uit handelingen vanuit onderbuikgevoel, die connecties in het leven leggen en de lichamelijke voorwaarden daartoe. Ze krijgen pas betekenis als ons lichaam dit toelaat. Cognitief leren heeft anders weinig zin. (vrij naar Mark Johnson, 2008). Het grootste deel van onze cognitie en betekenisgeving, vind plaats buiten onze bewuste beleving.

Om te begrijpen wat de relatie van een object is, door de tijd heen, binnen verschilllende werkelijkheden en in verschillende contexten, ben je nooit helemaal volledig of correct. Wel zijn er manieren om kritisch, analytisch en met gevoel te kijken naar zowel object als gebruiker er van. Een methode die steeds meer navolging krijgt, is die van de biografie van het object. Je stelt het object vragen die je in andere vormen ook aan een mens zou kunnen stellen. In ethnografie en archeologie, een methode die veel gebruikt wordt. Later kom ik hier nog op terug in een blog over pathways en dwellings.


Sociale semiotiek

Ook vanuit de semiotiek- betekenisleer -is een flink onderzoeksveld beschikbaar met onderzoeksmethodieken die ons in staat stellen, de betekenis van een object en zijn materiele kwaliteiten, te ondervragen met een set aan resources, die tegelijkertijd onszelf vragen stelt.

In taal zit bijvoorbeeld heel veel informatie verscholen over een object en over onze relatie daartoe. Echter, kan het ook zijn dat ergens in de geschiedenis, wij A en B bij elkaar optelden- binnen een woord, gebruik, kleur, betekenis, die eigenlijk los van elkaar gezien moeten worden. Zo kan een klabats, niet de klanknabootsing van een zweep zijn, maar een verbastering van een heel ander woord.

Als we klank en beeld uit elkaar halen, of grenzen tussen waarnemingen weghalen of juist benadrukken, krijgen we vaak een heel ander beeld te zien. Of hetzelfde beeld, maar ineens lijken heel andere dingen op de voorgrond te treden of design-elementen die we belangrijk dachten, blijken een mindere rol te hebben gespeeld in de evolutie van het object en ons gebruik er van. In sociale semiotiek heet dat “segregatie” . Die twee (of meer) elementen uit elkaar halen, betekent dus ook een heel eigen en nieuwe manier van beschouwen van alle losse onderdelen, die nu in eens niet meer bij elkaar (lijken te) horen.

Om het object te begrijpen moeten we vooral herontdekken, dat we een object hebben leren kennen via ons eigen lichaam! Via aanraking, via gebruik. Het bevat ons geheugen, in hoe het werd geconstrueerd, waaróm het werd gemaakt en waarom van juist die hard- of zachtheid, en het bevat ons geheugen in het gebruik van het object zelf. Zelfs wanneer we een ons onbekend object zien, kunnen we door het gewoon op te pakken en te voelen, al een groot deel van het gebruik afleiden. Door het simpele feit dat het object in onze handpalm past, we het juist met een hele grove motoriek kunnen vastpakken, dat het een grote draai/zwaaicirkel heeft (een hamer bijvoorbeeld), dat het voor hard of zacht gebruik is, of het voor eenmalig of meermalig gebruik is. We hebben ons lichaam gebruikt in de productie, de noodzaak van het bestaan en creatie van het object, en in de practische toepassing er van. Een vorm van niet te articuleren kennis, die we ons herinneren via ons lichaam. Ook in de sociale semiotiek, is dit een vocabulaire- een resource waarmee je kunt proberen begrijpen en achterhalen. Een verzameling van semiotieke keuzes, die een specifieke context typificeren, heet een semiotisch register (Halliday; Van Leeuwen).

In een boek of in een advertentie kan men heel gemakkelijk suggereren dat bepaalde beeldelementen bij elkaar horen of juist niet, ook al is dat objectief gezien helemaal niet zo. Door slim te kaderen, bij plaatjes bijsnijden aan de randen van een pand of centreren van een groep bomen, suggereer je dat objecten, mensen of producten bij elkaar horen of juist niet. Ook door het “rijmen”  van bijvoorbeeld vorm van een parfumfles met “zachte” woorden of objecten met namen die heel zacht en lief klinken, link je de parfumfles aan diezelfde lieve en zachte betekenissen, die op alle niveau’s bij je op belletjes drukken. Ook in het fysieke leven, op school, in de bus, in het park en bij jou op het werk, worden deze trucs- zowel bewust als onbewust -toegepast, en ze beinvloeden ons begrip van de dagelijkse werkelijkheid, ons gevoel en ons gedrag. Zo kan een afdeling op een kantoor, precies laten zien waar de macht ligt, door ritme aan te brengen in de kantoorruimte. Door een kleine partitie aan te brengen, door strategisch geplaatste planten, door een bureau te plaatsen, net bij de overgang tussen tapijtkleur 1 en tapijtkleur 2. Verschil kan hem ook zitten in ander materiaal van de bureaustoel, directe en indirecte verlichting etc. Dit hoeft lang niet altijd te gaan over statusverschil willen aanbrengen, het kan ook gewoon een manier zijn om je te uiten, te onderscheiden of misschien toch promotietijger? De nuances zijn heel klein en geraffineerd. Maar hoe dan ook, leveren ze voer voor nieuwe modi van de wereld begrijpen en doorzien.

Tot zover deel 1. In deel 2 onder meer de rol van designers en de eigenschappen van de ruimte waarin wij ons huishouden voeren.

XD KORT: Jan de wandelaar: alledaags wandelen in de openbare ruimte

XD KORT: Jan de wandelaar: alledaags wandelen in de openbare ruimte

Uit empirisch onderzoek is bekend dat voetgangers een vrije, niet geblokkeerde wandelrichting kiezen, maar houden er niet van om teveel van een rechte route af te wijken.

Het vreemde is, dat we als voetgangers onze manier van lopen, stilstaan, plein oversteken, navigeren, vooral toeschrijven aan persoonlijke keuzes.  In onze perceptie- wanneer we er achteraf naar gevraagd worden -spelen omgevingsfactoren nauwelijks een rol in het gebruik van de ruimte. (Milloniga;  Schechtner;)

pedestrian verkeersbord

Het is ook begrijpelijk dat we dit vooral met persoonlijke keuzes associëren. Beslissing, actie en beweging horen immers bij elkaar. Als je kijkt naar hoe mensen in een stadsbuurt met elkaar relaties onderhouden, zie je dat dit voor een groot deel komt door de “wandel-arena’s”, de corridoors tussen de woonbuurten en de stadsomgeving (voor zaken/commercie), waar buurtbewoners heen gaan voor alledaagse noden en plichten, als groenteboer en brievenbus. Men zal niet zo snel de eigen straat aflopen om daar mensen te ontmoeten, maar op zeker moment komt men elkaar binnen de wandel-arena’s toch tegen. Zo niet iemand die je direct kent, dan wel iemand die een paar graden van je verwijderd is, door middel van andere contacten.

  Hoewel we vaak denken dat we heel individueel acteren, is het vormen van samen- en medewerkingspatronen tussen mensen in de openbare ruimte, een fenomeen waarmee heel snel sociale ordening plaatsheeft, binnen een heel korte tijd.  Het is verrassend hoe mensen die elkaar vreemd zijn, in enkele seconden op elkaars bewegingen en gedrag zijn afgestemd, wanneer zij in min of meer de zelfde omgeving zijn opgegroeid. Dat wijst op een sterk cultureel bepaalde manier van bewegen tussen mensen van verschillende culturele achtergronden, in iets ogenschijnlijk heel simpels als willekeurige ontmoetingen tussen voetgangers

 Stilstaan in de stad

Een moderne stad is van een stad waarin consumenten wonen, naar een stad gegaan die bestemd is voor productie. Produceren dat doe je ergens waar mensen, mogelijkheden en materialen zijn. En die zijn op een plek. Een moderne metropolis heeft alleen maar plekken. De weg naar een plek toe, het vertrek vanaf een plek… het is niet productief, zo lijkt het. Daartoe is ook de stad ingericht. Plekken waar je als voetganger eigenlijk niet gewenst bent, zijn te herkennen aan grote blinde facades, aan  puien waar nauwelijks ramen in zitten,

Het verkeer gaat er gemiddeld 60 km per uur, terwijl jij als wandelaar gemiddeld 5 kilometer per uur loopt. Het duurt lang eer je een bord ziet, en als je hem ziet, zijn de letters groot en van dichtbij moeilijk te lezen. Dat is een ritme, gemaakt voor automobilisten. Jij als voetganger kunt zo veel meer zien en opmerken. Aangezien je als voetganger zo’n 5 kilometer per uur loopt, heb je voldoende tijd om de omgeving in e op te nemen. Visueel contact is heel dichtbij en persoonljk voor voetgangers op het trottoir. Het ritme waarin die mogelijkheden worden geboden, is dus cruciaal voor de rijkheid van de voetgangerservaring. Het aantal deuren, ramen, holtes en kolommen, etalages en details.

Hoewel onze visuele perceptie van publieke ruimte natuurlijk afhangt van viewpoint en afstand, is de snelheid waarmee we lopen cruciaal. Ons lichaam is van nature ontworpen om waar te nemen en impressies te verwerken, bij beweging van ongeveer 5 kilometer per uur. De architectuur in sommige delen van de stad, komt overeen met deze snelheid. Te voet manouvreren gaat makkelijk en voetgangers kunnen dichtbij de gevels komen. Aanwijzingen en borden kunnen van dichtbij worden bekeken en kunnen ook kleiner zijn en verfijnder.

Over dit onderwerp is onnoemelijk veel literatuur geschreven en onderzoek verricht. Al een jaartje 45 kunnen we van voetgangers uitgebreide simulaties maken, waar we veel kennis aan te danken hebben. Door betrokkenheid van andere disciplines als menselijke geografie, urbanistische studies, biofilie et cetera, kunnen we de voetganger nu op een veel meer holistische manier bekijken. Er worden gedragingen zichtbaar bij voetgangers in de stad, waarvan we tot voor kort nog geen weet van hadden. Later in andere blogs daarover meer!

XD Kort: Kleur, drank en muziek in het restaurant

Experience Design kortjes” zijn korte inzichten in experience design. In het kort licht ik theorieën en bevindingen toe, uit onderzoeken en de praktijk.

Restaurantbelevingen

Het gebruik van licht, geluid en muziek is bepalend voor hoe we de sfeer ervaren, maar ook de smaak van ons eten, het gezelschap waarin we verkeren en de herinnering aan de ervaring, naderhand.

Formele restaurants gebruiken vaak de kleur blauw (in design, niet zozeer belichting alleen), aangezien deze kleur de gast kalmeert en laat ontspannen.

Geluid en muziek is bijvoorbeeld van invloed op ons drinkgedrag en de hoeveelheid die we tot ons nemen. Precies hetzelfde geldt voor licht en lichtkleur en intensiteit. Hoewel er zeer veel research word verricht, is het wel belangrijk te benoemen dat dit vaak cultureel bepaalde reacties zijn, van beperkte ethnografische betekenis, en bovendien vaak gekoppeld aan commerciële formules die niet in alle landen even populair zijn. Zo kan iemand in een all-you-can-eat-restaurant worden beïnvloed meer te drinken door lichtgebruik, in een Amerikaanse setting. Maar binnen Europese setting hoeft dat niet zo te zijn, omdat het tempo van drinken doorgaans wordt bepaald door de gastheer (in á la carte restaurants), of door etiquette. Algemener is wel aangetoond dat bij de beleving van muziek op de achtergrond, crowding (drukte), menselijke densiteit en fysieke densiteit (van de ruimte), een belangrijke rol speelt bij de perceptie van muziek in restaurants en gedrag.

Gasten waarderen een horecaomgeving meer naarmate het er drukker is, en blijven dan ook langer zitten.

Muziek

Ook associëren we sommige smaken met bepaalde soorten muziek en kunnen :

  •  `Zure’ muzikale improvisaties moeten een hoge pitch en dissonantie hebben
  • `Zoete’ muzikale improvisaties zijn consonant, langzaam en zacht
  • `Bittere’ muzikale improvisaties hebben een lage pitch en legato
  • `Zoute’ muzikale improvisaties zijn staccato en dicht op elkaar, in brede muzikale intervals (opeenvolgende noten in heel verschillende pitches)

Onderzoek wijst uit dat zelfs bepaalde stijlen van muzikale improvisatie, betrouwbaar smaakvoorkeuren van de muzikanten ken kan weergeven. Kersen, kaneel, vanille etc.

Klassieke muziek heeft een associatie met de notie van hoge kwaliteit en klasse. Het genieten, het proeven van dure wijnen, is verwant aan de waardering van kunstvormen, voornamelijk muziek en aan beeldende kunst.

Een hoger muziek tempo zorgt voor een hogere arousal. (Kellaris en Kent; 1994) Dit heeft te maken met het hogere aantal prikkels dat met een hoger tempo gepaard gaat. Dit effect is overigens groter, wanneer in de muziek meer nadruk ligt op de drum. (Van den Boer, P.F.M; 2007)

glas2

Ook het tempo van achtergrondmuziek beïnvloedt de  waargenomen wachttijd. Bij korte wachtperiodes (4 – 15 minuten) zorgt langzame muziek voor een kortere waargenomen wachttijd dan snelle muziek. Het gebruik van muziek in majeur en mineur tonen kan hetzelfde effect bewerkstelligen. In dit geval zorgt muziek in majeur tonen voor een langere waargenomen tijdsperceptie en muziek in mineur tonen voor een kortere waargenomen tijdsperceptie. (Kellaris & Kent, 1992)

Kleur

De kleur rood heeft de langste golflengte en violet heeft de kortste.  Kleuren met een korte golflengte (koele kleuren), hebben de voorkeur bij mensen, in vergelijking met kleuren met een lange golflengte (warme kleuren).

De kleur rood werd geassocieerd met “spannend” en “stimulerend”, die beide een hoge mate van plezier en “arousal” impliceren. Blauw werd geassocieerd met “veilig”, “comfortabel”, “zacht”en “rustgevend”, die allemaal een lage mate van plezier en “arousal” impliceren.

De kleur rood stimuleert de eetlust vanwege het effect op het menselijk metabolisme. Dit geeft aan waarom de kleur rood een populaire keus is geworden bij fast-food restaurants. De kleur geel wordt ook veel gebruikt in deze sector aangezien deze kleur de aandacht trekt van de gast, eetlust verhogend werkt en de gast aanmoedigt om te eten. Omdat deze kleuren gevoelens creëren van opwinding, is het verblijf van de gast vaak kort, wat zorgt voor een snelle omloop

De temperatuurinschatting die ontstaat bij rode en blauwe kleuren kan gebruikt worden bij het wisselen van seizoenen. De rode kleur (hogere schatting van de temperatuur) kan in het
winterseizoen gebruikt worden om het bezoek “warmer” te laten aanvoelen. De blauwe kleur (lagere schatting van de temperatuur) kan in het zomerseizoen gebruikt worden om
het bezoek “koeler” te laten aanvoelen.

De voorkeur voor bepaalde kleuren verandert ook naarmate we ouder worden. Ook is aangetoond dat cultuurverschillen een belangrijke rol spelen in waardering van kleuren.  Naarmate men ouder wordt, verlaagt de voorkeur voor de kleur geel en de voorkeur voor kleur groen werd juist hoger met de leeftijd.

In een andere studie bleek dat mensen aardbeienmousse die hen werd geserveerd op een wit bord, dit als 15% meer intens beoordeelde en 10% zoeter dan precies dezelfde mousse, geserveerd op een zwart bord. (Piqueras-Fiszman)

  Het gewicht, kleur en materiaal van het bestek heeft ook invloed op onze smaak van wat we eten. In restaurant settings bleken in een studie mensen met kleinere vorken, juist meer te eten.

Als mensen naar een restaurant gaan, geven de kosten en de moeite die ze er voor hebben gedaan, hen een grotere behoefte aan verzadiging en bevrediging. Men observeerde dat, wanneer mensen niet zelf hoefden te betalen voor het eten, men met kleinere vorken juist minder at dan met grote.

 Drank

In onderzoeken waarbij deelnemers in restaurants werden blootgesteld aan specifieke lichtkleuren, om te onderzoeken of dit invloed had op het drinkgedrag, bleek dat deelnemers in de rode conditie, een hoger dranktempo hadden in vergelijking met de deelnemers in de blauwe conditie. Ook leeftijd en geslacht hebben een significant effect op het dranktempo.

Klassieke muziek zorgde voor een hogere omzet dan top 40 muziek in een wijn winkel. Mensen werden door de klassieke
muziek gestimuleerd duurdere artikelen aan te schaffen.

Zelfs de specifieke wijnkeuze kan worden
beïnvloed door muziek.

Zijn we willoze slachtoffers? Geenszins.

Mensen kunnen cognitief, emotioneel of fysiologisch reageren op hun omgeving. Hoe zij zich gedragen in de omgeving is door meerdere factoren bepaald: de sterkte en de richting van de relaties wordt tussen de variabelen gematigd door persoonlijke en situationele factoren (response moderators). Individuele persoonlijkheidkenmerken kunnen een grote rol spelen bij de reactie van een persoon op een omgeving.

Zo gaan “Arousal-zoekers” op zoek naar omgevingen die hen hoge niveaus van stimulatie geven en genieten daarvan.

“Arousal-vermijders” gedragen zich precies het tegenovergestelde en geven de voorkeur aan een omgeving die hen lagere niveaus van
stimulatie geven.

glas1Tot slot nog een paar leuke tools

Service Simulator

Wine Cellar Manager tool

Coffitivity app: recreates the ambient sounds of a cafe

Zie voor nog veel meer tools en resources onze Links en Tools pagina

image

XD Kort: Licht en nabijheid aan de restauranttafel

Experience Design kortjes” zijn korte inzichten in experience design. In het kort licht ik theorieën en bevindingen toe, uit onderzoeken en de praktijk.

Licht en nabijheid aan de restauranttafel

In een restaurant heeft verlichting en de kleur, kleurwarmte en intensiteit van de belichting, een grote invloed op de perceptie van voedsel, de smaak en de manier waarop de gasten zich tot elkaar verhouden. Wanneer collega’s met elkaar gaan eten, kan gedempt licht, een ongemakkelijk gevoel teweegbrengen, aangezien de relatie die men tot elkaar heeft, een bepaalde fysieke afstand tot elkaar dicteert, die kleiner en dus intiemer wordt, bij gedempt licht. Ook gaat men zachter praten, wat een verkleining afdwingt van de afstand tot elkaar. Daarnaast is van invloed, de rol van de als gastheer/vrouw optredende gast, in een gezelschap.

Persoonlijke ruimte- de “comfort-zone” heeft niet een vastomlijnde vorm, in die zin dat de “personal space-boundaries” breder zijn, direct aan de voorzijde van een persoon en direct achter de persoon, en smaller zijn aan de linker- en rechterkant van een persoon, wat betekent dat we gevoeliger zijn voor benadering, aan de voorkant en achterkant.

Een verkleinde persoonlijke ruimte (45 centimeter of minder), verkleint het gevoel van privacy en verhoogt stress, wanneer de ander niet een intieme relatie heeft tot de persoon in kwestie

wpid-20140926044025.pngBestellen

Chique spijzen met nog veel chiquere namen? Gasten beoordelen de gerechten inderdaad als van hogere kwaliteit en rijker aan smaak.

De namen van gerechten op het menu is van grote invloed op sensorische verwachtingen van de gast. Mensen nemen bijvoorbeeld aan dat ijs met de naam `Frosh’ romiger, zachter en rijker van smaak is, dan ijs met de naam `Frish.’ Dit lijkt te maken te hebben met de klank van de klinkers in de 2 namen.

Zware menukaarten wekken de indruk dat een hogere prijs voor het eten redelijker is, dan wanneer je een lichter menu in de handen zou hebben.

Afrekenen

Vrouwelijke kelners die bij het teruggeven van wisselgeld, heel subtiel even de hand of schouder van de bezoekers aanraken, krijgen vaker een grotere fooi. Mannen zowel als vrouwen reageren hier positief op.

Op de rekening een smiley tekenen of een zonnetje van een 0 maken, vergroot de kans op een hogere fooi.

 Tot slot een leuke tool voor de heb:

Restaurant table simulator.

Bronnenlijst, links, tools en resources

Groeiende lijst met bronnen en resources, tools en links

Hoewel het niet de intentie heeft volledig te willen zijn, werk ik regelmatig de nieuwe lijsten met links bij. Ook de bronnen die in blogs en research zijn gebruikt, zijn terug te vinden in de bronnenlijst, die ik regelmatig bijwerk.

De lijst met links naar tools, resources, artikelen, software en research-projecten, is te vinden via deze link, rechtsboven op de site.

Onder die pagina zie je een link naar de bronnenlijst.

Ook bouw ik aan een lijst met termen en vaktermen, die in blogs genoemd worden. Te vinden via de pagina “Glossary”, bovenaan de site.

25 Tips voor museumgidsen en kunstdocenten

25 Tips voor museumgidsen en kunstdocenten

 

Onderstaande 25 tips komen uit de nieuwe- in ontwikkeling zijn de -methode “Staging the museum,” een scenario based beleving & trainingtool, bedoeld om museumprofessionals te verbinden aan vrijwilligers in en rondom kleine en middelgrote musea. In deze tijd is het belangrijker dan ooit om vrijwilligers te engageren bij de totale organisatie van een museum. Het ontbreekt musea vaak aan middelen om vrijwilligers bij te scholen. Door voortschrijdende wetenschappelijke inzichten, is het vak van expositie-organisatie steeds complexer geworden, waardoor de afstand tussen museum organisatie en vrijwilliger steeds groter is geworden. In tijden van co-creatie en zelforganisatie is dat eigenlijk een onacceptabel verschijnsel. De methode tracht het gat te dichten tussen vrijwilliger en organisatie.

De meeste museumgidsen zijn vrijwiligers, met lange of kortere ervaring als gids. Vaak zijn ze relatief hoog opgeleid en hebben een redelijk zelfverzekerde houding ten opzichte van “hun” verhaal. Dat “hun” daar moeten we aan sleutelen. Het is weliswaar voor een deel hun eigen vocabulaire, maar er zijn zo veel dingen waar je op moet letten tijdens de tour, dat een uitgebreide training wel is aan te bevelen. Daarnaast hebben veel gidsen blinde vlekken ontwikkeld, gedurende de jaren, die even kunnen worden aangestipt. Een heel belangrijke motivator voor toepassen van deze methode, is het feit dat vrijwilligers binnen een museumorganisatie over het algemeen op een niveau binnen de organisatie zitten, waar nieuw verworven kennis (door de organisatie), vaak aan voorbijgaat. Vanuit academische hoek maar ook vanuit het publiek. Terwijl juist zij degenen zijn die het vaakst interacteren met publiek en aanspreekpunt zijn. 

Er is heel wat veranderd in de afgelopen jaren. De wetenschap van hoe we als mens reageren op verschillende soorten prikkels, hoe gebaren werken, hoe esthetiek in elkaar zit. Kortom, de ingredienten van memorabele belevingen, komen niet alleen uit de mouw van de creatief concepter, maar zijn allen tot op de korrel nauwkeurig onderzocht. Waarmee niet gezegd is dat we alles weten, natuurlijk. De tips hieronder, komen voort uit recent wetenschappelijk onderzoek, en uit mijn eigen praktijk.

De methode die ik heb ontwikkeld- en waarvan hieronder een klein deel staat – is een mengeling van:

– Wetenschappelijke inzichten, academisch onderzoek van derden;
– Theatertechnieken;
– Televisionele technieken;

Een onterecht zwaar onderbelicht onderdeel bij gidsen en bij museumdocenten, is de performance van de eigenlijke rondleiding zelf. Meestal is een museumgids vrijwilliger en ontbreekt het het museum aan fondsen om goed onderricht te geven. Goed opgeleide gidsen hebben een grotere invloed op kennisoverdracht bij bezoekers. Rondleiden in de praktijk komt zo nauw, dat je het haast niet meer kunt overlaten aan enthousiasme alleen. Men verricht heel wat onderzoek op dit gebied. Onderzoek waar je gebruik van kunt maken. Helaas komt deze materie maar zelden bij de vrijwilliger terecht, op de werkvloer. De meeste vrijwillige gidsen zijn verschrikkelijk goed gemotiveerd, daar zal het niet aan liggen. De plaats die zij in een organisatie innemen, is ook debet aan het gebrek aan nieuw verworven inzichten. Zelfs al werk je betaald bij het museum, is het a) de vraag of je bij de goeie wetenschappelijke bron kunt komen, en, b) of je het voor elkaar krijgt, de meestal gortdroge informatie kunt onttrekken aan de onderzoeken. Buiten het feit dat het nogal vakidioterige materie is, is het ook nog zo dat je niet zomaar bevinding nr. 1 naast bevinding nr. 2 kunt leggen.

Naast alle nieuwe inzichten, is er natuurlijk ook nog gewoon de vertrouwde vorm van theater, waarmee ik graag werk. Een methode die iedereen leuk vindt, en bovendien een die mij in staat stelt om elke cursist voldoende persoonlijke begeleiding te geven. De onderbuik moeten we niet vergeten.

Ik geef een kleine voorproef uit de methode. Veel plezier! 


De 1e 5:

  1. Laat het publiek wijzen. Dat verhoogt de gezamenlijke betekenisgeving, en daarmee opbouw van kennis.
  2. Verspreide aandacht in de groep/rommelig? Engageer 1 persoon uit de groep met hoge status, en laat hem kijken en wijzen/gebaren. Dit nodigt de rest tot meekijken en zet een keten van actie en reactie in werking, waarmee je hen weer bij de les krijgt;
  3. Bij jeugd: Ook heel kleine bewegingen/veranderingen in lichaamshouding, duiden op deelname.
  4. Plaatsing lichaam/rotatie torso richting de schilderijen, is al een non-verbaal teken / richting geven aan concentratie, zowel als de aandacht afwenden van spelers/toeschouwers die niet direct deel uitmaken van de ontmoeting/encounter;
  5. Buitensluiting van spelers die niet bij het proces horen, vind ook plaats door aangepast geluidsniveau, fysieke orientatie tov de buitenstaanders;

De 2e 5:

  1.  Nabijheid stimuleren: Verhoogt de mogelijkheid tot prompting door gebaren;
  2. Nabijheid en afstand zijn 2 manieren om de wil tot interacteren te stimuleren: wel of niet participeren in de gegeven actie;
  3. Niet participeren, is OOK interactie. Buitenstaanders/niet-deelnemers aan een gesprek of interactie-ook een nonverbale -geven een signaal af waarmee ze laten merken geen deel uit te maken van de interactie; In de overdracht van groepskennis belangrijker dan je zou denken;
  4. Non-interactie/niet-deelnemers kun je ook bij het proces betrekken door hen deel te laten uitmaken van de nonverbale taal die de groep bindt: Door hen bijv ook te laten wijzen, waardoor zij dezelfde symbolische taal spreken, of hen een vraag te stellen, die hen bindt aan het centrale thema, en daarmee het groepsbegrip;
  5.  Deelname van bezoekers, kent 3 rollen: De performer; de toeschouwer(s) en de omstanders;

deelnemers conversatie met tekst

De 3e 5:

  1. De rol van performing word verkregen door de sociale interactie onderling, zich aanpassende , veranderende rollen, naarmate de interactie zich ontvouwt, door turntaking onderling;
  2. Bij elke sociale interactie, moet de performer peilen of zijn handelingen worden bijgevallen, zowel als zien of zij makkelijk en naar behoren worden geinterpreteerd door het publiek. Dat peilen gebeurt tijdens de acceptatiefase die volgt op elke interactie (performance); dat wil zeggen wanneer het publiek zijn deelname bevestigd of begrip heeft van wat er zojuist gebeurde. Die acceptatie kan zich uiten in “turntaking” in de vorm van spraak en door erkennings-tekens als hoofdknikken, nabijheid (naderen) en (glim)lachen. Turntaking is het wisselen van rollen. Een groepslid (publiek) is nu performer, etc.
  3. Duidingen in gebaren is een manier om gezamenlijke aandacht te genereren en gezamenlijke orientatie onder de deelnemers;
  4. Het gebruik van gebaren vormt visuele of verbale verbindtenissen (vectors) onder de participanten, in interactie zowel als met het beoogde punt van aandacht, op dezelfde manier als blikrichtingen of gebaren doen;
  5. Steeds veranderende rollen in het proces, onderbouwt het belang van een fysieke context;

De 4e 5:

  1. Wijzen/refereren is een manier om iets in de omgeving te duiden, terwijl men een intrinsieke verbindtenis sluit tussen de “performer” en het beoogde punt van aandacht, en er vervolgens de aandacht van de geadresseerde op vestigt;
  2. Wijzen zorgt voor een gezamenlijke orientatie / zelfde richting uit;
  3. Wijzen is al een vorm van gericht denken: het is letterlijk een index-keuze;
  4. Wijzen is een “prompt”, die gericht een respons uitlokt;
  5. Gebruik “motion verbs” als hier, dat, daar, om de symbolische lading / het nonverbale, concreet te pairen aan de fysieke wereld;

De 5e 5:

  1. Bij kinderen werkt de motion verb “kijk” heel sterk, wat gezien moet worden als een uitnodiging tot iemands ervaring van aanschouwen (Katz; 1996);
  2. Verbs of motion zijn geintegreerd onderdeel van overstijgende gemeenschappelijk handelen/acteren, om de ander uit te nodigen tot ervaring van hetzelfde punt van perceptie;
  3. Mensen vertrouwen meer op wijzen en minder op taal, naarmate de afstand kleiner wordt;
  4. Mensen hebben allerlei manieren om te verhullen dat ze deelnemen aan het groepsproces (involvementshields). Zelfs de kleinste beweging kan gezien worden als actieve deelname aan het proces en de aanwezigheid van andere spelers/deelnemers erkennen, door bodyshifts, anders gaan staan, zelfs stilte;
  5. Laat mensen zo veel mogelijk dingen aanraken;

Groepsdynamiek, sequenties en ritme: Een afsluitertje

– Verspreide aandacht in de groep/rommelig? Engageer 1 pers uit de groep met hoge status, en laat hem kijken en wijzen/gebaren. Dit nodigt de rest tot meekijken.

– Non-interactie/niet-deelnemers kun je ook bij het proces betrekken door hen deel te laten uitmaken van de nonverbale taal die de groep bindt: Door hen bijv ook te laten wijzen, waardoor zij dezelfde symbolische taal spreken; Ze voelen zich meer bij de groep horen en ook de groep zal bij een hogere groepsidentiteit,meer voor elkaar open staan; Zich anders ten opzichte van elkaar bewegen.

Afsluiten / transitie.

Zeker jonger publiek is heel erg gewend aan korte televisionele sequenties. Als iets onze tijd typeert, dan is het wel het fenomeen sequenties en serialisatie dientengevolge. We zijn als mens geneigd om verbanden te willen zien, ook tussen voorwerpen die eigenlijk niet bij elkaar horen. Als we er niet al een mooi verhaal bij hebben, dan zorgen we in ons hoofd dat we ze ” clusteren”. Zo moet je geen 20 absolute topstukken uit je museum, in een en dezelfde vitrine zetten, want de bezoeker loopt er zo aan voorbij: Het feit dat ze allemaal bij elkaar liggen, zijn door de bezoeker al geclusterd, en omdat het er zo veel bij elkaar zijn, zal het wel heel gewoontjes zijn of niet de moeite waarrd… dus loopt men er voorbij.

– Gebruik overgangen in je verhaal samen met de ruimte en met taalgebruik/narratieve structuur. Het publiek ervaart de ruimtelijke indeling- DE ultieme manier om zich te orienteren -ook als een verhaal. Als de basiskenmerken voor orientatie er niet zijn, raakt ‘ ie gedesorienteerd. Daarom is plaatsing en routing binnen het museum zeer belangrijk, omdat de bezoeker ook visueel gezien, de patronen van een verhaal gebruikt. Er zijn heel erg veel factoren die hem vervolgens van dat verhaal kunnen afbrengen en zorgen dat hij de weg kwijt raakt.

Als je een verhaal op zeker moment gaat samenvatten of je gaat door naar een volgend hoofdstuk, zorg dan dat je dat ook fysiek markeert, door bij een deur of doorgang te gaan staan. De bezoeker zal die 2 zaken met elkaar in verband brengen, waardoor een beter begrip van de bezoeker bij je verhaal ontstaat. In je verhaal gebruik je op die momenten, woorden die overgang of afsluiting suggereren, als “tenslotte” of ” tot zover, zo goed”, op het moment dat je naar een fysieke overgang komt. Die overgang kan zijn, van de ene naar de andere ruimte, maar ook deuren (open en gesloten), vormen voor het publiek een onderbreking in het verhaal van de ruimte.

Stemgebruik

Je stem is natuurlijk heel belangrijk. Zeker volwassenen zijn heel gevoelig voor een belerende toon. Je rol als gids is natuurlijk een “rare”, want je weet dingen die je aan publiek wil overbrengen. Toch is het een kwestie van structuur aanbrengen in je verhaal en soorten woorden die je gebruikt, en je als”acteur” te verhouden tot het publiek. Simpel gezegd: van binnen ben je een autoriteit ten opichte van de bezoeker, van buiten ben je een gesprekspartner, net als een collega zou zijn.

BRONNEN: Zie deze link

Dit artikel staat ook op ISSUU.

Informatie en contact

Bovenstaande is een greep uit de methode, die bestaat uit een aantal onderdelen theorie, praktijklessen en persoonlijke begeleiding bij het rondleiden van bezoekers. Interesse in deze methode? Neem contact op met Renk van Oyen voor een inspirerende afspraak. Vanzelfsprekend kan de methode worden aangepast naar de specifieke wensen van het museum.

acts@la-clappeye.nl

www.la-clappeye.nl

Nieuwe methode in ontwikkeling: Staging the museum – scenariobuiding voor museumprofessionals

Staging the museum – scenariobuiding voor museumprofessionals

Momenteel in ontwikkeling. Dit is een verkorte uiteenzetting van de inhoud.

In deze serie workshops – speciaal gericht op kleinere musea -leren de deelnemers op een andere manier te kijken naar bezoekersgedragingen en de resultaten van onderzoeksmethoden, direct toe te passen in de praktijk- als museumgids, als directie, als vrijwilliger of als kunstdocent. Met deze methode dichten we het gat tussen wetenschappelijk onderzoek en concreet gebruik van de resultaten in de praktijk, door zowel museumvrijwilliger als professional. 

Methodologie:

Grofweg gaat de deelnemer via abstractie (concepten, zienswijzen, softmaps) naar concreet werkbare draaiboeken. Hiervoor maken we gebruik van het gratis programma Celtx- software waarmee relatief eenvoudig een televisie/filmscenario kan worden gemaakt en ingericht. Dit programma bevat ook de mogelijkheid om tekst te annoteren en te voorzien van labels, waardoor per “scene” heel makkelijk een beeld verkregen wordt van direct te beinvloeden omgevingsfactoren, als doorzichten, sequenties in de opstelling van de expo en gebruik van licht en geluid. Tevens alle contactpunten tussen museum en bezoeker.
Via biografische aantekeningen van de museumbezoeker, door observatiemethoden in het eigen museum bijeengrbacht, ontwikkelt Aan de hand van dat scenario, vult de deelnemer de ontstane cases aan, tot een volwaardig draaiboek, waarmee ook concreet gewerkt kan worden, in de praktijk. Het omvat daarnaast ook een professioneel licht- en geluidsplan en een complete “breakdown-database” .de deelnemer een set kenmerken, waarmee hij/zij scenario’s gaat ontwikkelen in Celtx.

Parallel aan het hele proces, krijgt de deelnemer individuele coaching bij de rondleidingspraktijk, waarbij we niet alleen technieken uit de theaterpraktijk gebruiken, maar ook resultaten uit onderzoeken naar publieksbeinvloeding en ruimtegebruik, direct toepassen op de situatie.

Beknopt overzicht inhoud methode:

  • Van concept naar scenario naar volledig draaiboek
  • Vertelperspectieven: onderzoeken en kiezen
  • Creatieve technieken, point-shifting;
  • De ruimte gebruiken als decor;
  • Het gebouw zelf vertelt ook al een verhaal: spatial narrative, pacing, sequenties;
  • Wayfinding van publiek binnen gebouw en expo;
  • Eigen script schrijven en het verhaal doen;
  • Stemgebruik en invloed van de gids op publiek, spanningsboog en concentratie;
  • Non-verbale communicatie;

Wat mis je nog?

Zijn er zaken die jullie als museum professional, als bezoeker of vrijwilliger nog missen? Geef gerust voorstellen en tips, via de comments.

 

Deel 1: De live concertervaring verrijken: holistische benadering

 

In deze serie van 3 blogs, verschillende benaderingen voor het versterken van de live concert-ervaring, vanuit verschillende perspectieven. De blogs zijn afzonderlijk van elkaar te begrijpen, maar vormen wel één geheel, dus het verdient de aanbeveling ze in chronologische volgorde te lezen.

Deel 1: De live concertervaring verrijken: holistische benadering & liveness

Deel 2: Tacit knowledge: de zaal en stedelijke context

Deel 3: Live-ervaring versterken vanuit de artiest

 

Lees vooral alle 3 de delen, aangezien het verschijnsel tacid knowledge door alle 3 de blogs zit verweven. Onderaan deel 1 zit ook een lijst met bronnen, waaruit ik voor deze serie blogs heb geput. 

 

De live-concert ervaring voor publiek ter plaatse: hoe verrijk en verbreed je de ervaring?

Een concert als geïsoleerde ervaring? De NS hebben er heeeel erg lang over gedaan, maar hebben eindelijk in de smiezen dat de reiservaring van de reiziger, niet alleen bestaat uit het station binnen komen, instappen en overstappen, maar dat dit slechts een onderdeel is van de totale reis, die al start vér voordat hij überhaupt zijn huis verlaat. Nieuwe stationsconcepten, privatisering en samenwerken met bedrijfsleven, dwingen de ns er toe, eindelijk eens te gaan kijken naar multimodaal en intramodaal transport, en de bijbehorende reiservaring. Fietsen is niet leuk, de auto is vervuilend. Jazeker, de trein nemen: dat is zeker weten de mooiste ervaring. Daar horen strategische belevingsconcepten bij, die voor zo’n bedrijf behoorlijk kostbaar zijn.

Wat heeft dat nu met concerten te maken? Net zo als de NS begrijpt dat het zijn systeem van rails kan gebruiken om specifiek hun deel van de reis (met de trein dus) tot de leukste en meest memorabele beleving te maken, kan een concertpodium of theater, gebruik maken van de rails in al onze hoofden, om te komen tot memorabele belevingen, die tot lang na het concert bij ons blijven. Daar moet een zaal met beleid, inzicht een vooruitzicht aan beginnen. Maar het goeie nieuws is: Ook met relatief eenvoudige ingrepen, hoeft dat helemaal niet zo duur te zijn!

Wel moeten belevingen zorgvuldig worden geregisseerd!

” (…) considered a live music performance when the music is performed by an artist (or artists) for an audience at a publicly accessible place. The live music experience on the other hand not only constitutes the band’s performance but also the time surrounding this performance. Thus different factors like e.g. the setting in which the band is performing also have an effect on the overall live music experience (…) ” – S. Kold

 

Allereerst verandert de samenleving in een hoog tempo. Dus ook je publiek. Omdat wij kunst maken, zitten we heel dicht op processen die ons als mens binden, sturen en leiden. Rituelen sturen en maken ons, maar we zoeken er ook veiligheid in, we willen er in schuilen. Dat kan op den duur tegen ons werken, daar we niet altijd direct in de gaten hebben, welke van de twee voornoemde functies, we eigenlijk aan het bedienen zijn. Voorzien we in de behoefte een raamwerk van nieuwe en bestaande rituelen te bieden? Of zitten we juist aan het allerlaatste puntje richting heel andere processen? The thin end of the wedge? In beide gevallen zitten we er middenin, naast de bezoeker.

Een concertbeleving is geen geïsoleerd moment. Je kunt er arrangementen omheen verzinnen, maar die hebben niet altijd een langlopende bestaanscurve, en worden meestal naar kortlopende marketingwaarden beoordeeld. Beter nog dan in kaart brengen wat de ervaring van de bezoeker ter plaatse is of zelfs experiencemapping van de reis vanuit huis naar zaal, zou je je eens moeten verdiepen in het ritme van je bezoeker: welke handelingen zijn routinematig, welke handelingen zijn ritueel? Zijn de routinematige handelingen wellicht tot onderdeel van een door de zaal gecreëerde beleving om te vormen? Althans, zodanig dat het publiek het associeert met de door de zaal beoogde live-beleving? In deze blog een abstractere manier van kijken dan je misschien gewend bent te doen.

In plaats van een plaats te zijn waar artiesten optreden, moeten zalen veel meer gericht zijn op het verrijken van ervaringen en belevenissen. Dit is niet een geïsoleerde marketingcampagne, maar een strategisch startpunt. Veel zalen willen wel, maar weten niet hoe ze dat moeten aanpakken, zijn bang bestaand publiek te verliezen of kunnen niet goed zien hoe het hen op den duur voordeel kan opleveren. Meer richten op verrijken van belevenissen kan ook betekenen dat je op concepten uit komt waarin het live concert maar een relatief klein onderdeel vormt van het geheel. Door de crisis gaan mensen minder vaak naar een concert, maar wat als je de contouren van de concertervaring nu zou kunnen buigen naar concepten die meer gaan over lifestyle, entertainment en uit gaan? Grote kans dat je concepten ziet ontstaan die werken, die betaalbaar zijn, en waarmee je je publiek niet vervreemd maar juist aan je kunt binden.

Een holistische benadering

Een bezoek aan de concertzaal of theater, is niet een geïsoleerde gebeurtenis in het leven van de bezoeker. Je moet het bezoek zien als een serie van ogenschijnlijk intergerelateerde momenten, die middenin het leven en belevingswereld van de bezoeker staan. Inclusief de busreis naar de zaal, de stad waarin hij zich beweegt, het ritme waarin hij zich beweegt en de motivators daartoe. Ze komen aan met voorkennis, een netwerk, met bepaalde drijvende kenmerken, as individu, als man of vrouw, als lid van een zekere sociale klasse en inkomensgroep. Heeft hij vroeger muziekles gehad, bijvoorbeeld? Dat kan al duiden op een bepaald persoonstype, waarvan de kenmerken zich verder uitstrekken dan alleen dat geïsoleerde gegeven. Door middenin de beleving van de bezoeker te gaan staan, kun je toekomstig gedrag voorspellen. Niet enkel de beleving terplekke, ook die door de tijd heen, via de kanalen, die hen sturen, en die door hen zelf gevormd werden. Zichtbaar en onzichtbaar, bewust en onbewust.

Sören Køld; The power of live; 2012:

” Browsing for potential concert experiences and buying a concert ticket induces the consumer to both anticipate and look forward to the concert, to experience the sensations of being at the concert, and finally to enjoy the memory of having attended the concert. “

Op vrijdag gaat men na het eten uit of zoekt een arrangement op: keuze voor arrangement kan gebaseerd zijn op het totaalplaatje van het arrangement zelf, maar ook een keuze van praktische aard zijn: meteen vanuit het werk Door naar de concert/theaterzaal. Een holistische benadering van experience design, geeft inzicht in alle aspecten die de bezoeker binden aan zijn omgeving, waar de zaal- “toevallig” -ook deel van uit maakt.

De handelingen die nodig zijn om bij een concert aanwezig te zijn, en direct gelieerd aan de verwachting van wat het concert bij de bezoeker teweeg brengt aan belevingen, kun je direct koppelen aan de concertbeleving zelf!

Bijvoorbeeld het zoéken naar een concert en het bestelproces van het ticket. Zelfs in een wereld die zich virtueel en online afspeelt en waarin mensen steeds minder eenzelfde activiteit verrichten op hetzelfde moment (bijvoorbeeld samen televisie kijken, zijn de fysieke handelingen die we verrichten om bijvoorbeeld ons te oriënteren op de week, het weekend, vergelijken van vrije tijd en werktijd, gebonden aan heel aardse en fysieke kenmerken, in de tijd, locatie en fysieke plaatsing van de potentiële bezoeker.

Ik noem hieronder niet alle methoden en modellen bij naam en functie, maar doe enkele aanbevelingen, die de live concert-ervaring kunnen versterken en vormgeven.

– Zoeken naar mogelijke concertervaringen door bezoekers, is al een deel van het uitgaansritueel
– Kaartje kopen: Mag online besteld worden. Wel een korte route laten doorlopen bij het bestelproces, waarmee je het vooruitzicht op de live-ervaring van het concert al voor een deel beloont; Je voorziet daarnaast al in enkele contactpunten met de zaal, die je kunt vormgeven;
– Het fysieke toeganskaartje (dik papier): Fysieke artefacten, als verlenging van de live-ervaring van het concert;
– T-shirts, caps, kaart van de omgeving, transport regelen voor/na het concert (maar pas op, dit kan het geheel een te massaal uiterlijk geven, als je het als dienst isoleert);
– Arrangementen: Doe dat alleen als het ook past bij de pacing, toon en het ritme van zowel doelgroep, concertsoort, leeftijd en e kanalen die je gebruikt. Zo kan een eet-arrngement goed werken bij een klassiek concert voor 50-plussers (” passief” publiek, hoge graad van immersie, esthetiekis belangrijk) maar juist niet bij een jonger publiek, die maken liever zelf die keuze, maar stellen tips voor goedkoop eten en drinken, wel op prijs;

 Het eigenlijke bestellen aan de kassa en de functie van het wachten: Moeten wachten in de rij, is niet altijd erg. Het helpt de zaal het moment van de dienstverlening wat te verlengen, service zichtbaar te maken. Voor het publiek is het interessant omdat ze hun mede-publieksleden kunnen zien, zich kunnen vereenzelvigen met de doelgroep, en hoe die zich tot henzelf verhoud. Bij elkaar in eenzelfde ruimte, geeft een gevoel van gezamenlijkheid, die de live-ervaring aanzienlijk ten goede komt. Hou er echter wel rekening mee dat ervaringen uit het verleden, bepalend zijn voor het referentiepunt van tijd-perceptie, bij de bezoeker. Het vervelende gevoel van moeten wachten, begint al bij het zien van een rij. Er zijn manieren om het vervelende gevoel van moeten wachten, wat te verlagen. De wachttijd heeft nl invloed op de manier waarop de bezoeker, naderhand de concertervaring evalueert.

” (..) The memorability of the concert experience, is also part of the social experience (…) ” – The Power of Live, S. Kold; 2012.

Een onderzochte methode, is het ophangen van infoborden, met de nog overblijvende wachttijd. Dat werkt positief op de klant, maar is voor concertzalen en theaters niet een goede methode. Ik zelf zou juist aanraden, om het gevoel van ” ruimte waarin je moet wachten” te verkleinen, door de functie van de foyer te veranderen. Geen wachtruimte meer, maar een ” being space, een plek waar je- naast werk en thuis -een derde ruimte hebt, waarin je thuis bent. Je kent kwaliteiten toe aan de ruimte, die de functie van de ruimte veranderen, en daarmee de beleving er van.

Veel stoelen neerzetten, bediening aan tafel. Een ander dissonerend ritme door de ruimte laten gaan, is een goed idee. Bijvoorbeeld mensen die uit de zaal komen, meteen naar de foyer leiden. Dat versterkt de anticipatie van de bezoeker, de voorgestelde beleving, en de emotional contagion werkt niet alleen via gezichtsuitdrukkingen,maar ok lichaamstaal en de “taal” die de groep als geheel uitstraalt, de symbolische interactie tussen de ledeen, forceert een cultuur. De belangrijkste motivator voor menselijke interactie, is reciprociteit. Of een singer songwriter als voorprogramma in de foyer. Zo’n ervaring creeert een gezamenlijkheid, die niet bij het gevoel van wachten hoort.
 Het wachten bij de bar zo veelmogelijk beperken; Vooral bij een min of meer klassiek publiek, is dit een grote bron van ergernis.

Liveness simuleren

Liveness (Bourdieu, Auslander/Ytreberg) wil ik hier graag apart behandelen. Met liveness wordt namelijk vaker de televisionele manier van live-gevoel creeeren bedoeld, als methode om bij de kijker het gevoel van live op te wekken. Heel grof gezegd zijn er 2 soorten van televisie maken: door televisiemakers zelf bedacht en gemaakt, en programma’s die door externe factoren worden aangboden aan mediamakers, in de vorm van events die zo groot zijn, dat de makers alleen maar kunnen registreren wat er aan het gebeuren is, en hebben er zelf geen invloed op. Deze media-events hebben kenmerken, die een grote invloed uitoefenen op het kijgedrag van de kijker, en van sociale interactie. Ze hebben een sterke rituele en ritualiserende functie, veel mensen kijken op hetzelfde moment naar hetzelfde programma, gaan met groepjes bij elkaar zitten, praten over hezelfde en ze vertonen, eigenschappen in taal, symbolen en bewegingen (emergent qualities (Sawyer) die een grote invloed kunnen hebben op publieke opinie. Televisiemakers passen hun formats daar op aan. Daar waar nieuwsprogramma’s maar 2 soorten vertelstijlen hebben, die je kunt samenvatten als de expert-view en narrative view (ook verschil in status), gebruiken televisiemakers een set van technieken en zeer geraffineerde methoden, om de kijker het gevoel te geven dat ze naar een media-event zitten te kijken. Ze gebruiken dus kenmerken van het nieuwsformat, om een live-gevoel te creeren bij de kijker. Zo gebruiken veel quizzen, 2 verschillende stemmen (acousmatic, personalised) om bijvoorbeeld een specialist naast de presentator een hogere status te geven, een notaris met een acousmatic voice. Het gaat zelfs vo ver, dat populair nieuws, in de continuiteit, heel subtiel net voor schakelen naar een interviewer op locatie, een acousmatische stem over het beeld heen zetten, om de” ernst” van de komende beelden aan te zetten.

Dit fenomeen is voor de podiumsector van groot belang, daar de artiest-publiek-interactie en motivaties voor publiek om naar het live concert te gaan, snel veranderen, maar de vorm van het optreden, in grote lijnen dezelfde structuur heeft, met een cultureel-bepaalde verwachte interactie. Een die het publiek wel anticipeert- maar dat is het actieve publiek. Die acceptatie is juist de kern van de ” afspraak” die ze met de creatieve wereld van de artiest hebben gemaakt, en ook met mede-publieksleden, ter plaatse.

Maar intussen dendert de wereld gewoon door. En ook de mediaconsumptie verandert. De kenmerken van de televisuele werkelijkheid, kunnen met enige aanpassingen, heel goed ook in de concertzalen worden toegepast. Repetitie, bijvoorbeeld, is een kenmerkend verschijnsel van deze tijd. Het impliceert bijvoorbeeld dat er genoeg van alles op verschillende tijden aanwezig is, en anders wel weer een keer terug komt. De mogelijkheden om iets unieks te zien slinken niet alleen, ook de wens en behoefte daartoe, verandert van vorm. Het stuurt ook ons gedrag. Zo kunnen we, met de televisie op de achtergrond aan, zonder dat we zelf aan het kijken zijn, heel makkelijk bepalen hoe laat het precies is. Op tv gebruikt men promo’s en teasers, sequenties, die met elkaar een taal vormen die men verstaat. In het theater is dat ook te gebruiken, door bijvoorbeeld bij sluitingstijd hetzelfde liedje te spelen, door midden op de avond een happy hour te houden.

“Jane Feuer (1983) has argued that an ‘ideology of liveness’ exists to naturalize a number of conventions for making events seem to unfold in an immediate ‘now’. “

Enkele aanbevelingen voor simuleren van liveness:

  • Remediation van bestaande formats naar het podium
  • Schermen ophangen in de foyer, met live beelden vanuit de zaal
  • Bezoekers van buiten de stad, koppelen (pairing) aan lokale, vaste bezoekers. In het geval van live concerten, blijkt uit onderzoek dat bij publiek-publiek-interactie en daarmee publiek-artiest-interactie, de lokale bezoeker zeer bepalend is voor hoe het publiek zich als groep gedraagt, De factor afstand bepaalt in hoge mate, hoe de lokalen en buitenstaanders zich gedragen. De lokalen hebben immers meer gemeen (emergent qualities), waardoor ze op een andere manier met elkaar communiceren.
  • Live videoregistraties met camera’s in het zicht van publiek;
  • Scripts (theater) aanpassen met heel actuele onderwerpen / uit het nieuws van die dag,
  • Op schermen in de foyer of bij de kassa, een ranking-systeem laten meedraaien, waarop live de beoordeling van net vertrekkend publiek is te zien
  • Scripten van social settings: Op het toneel, mise en scene met huiskamer, eetscene etc.Gebruik van aankleding en attributen van grote warenhuizen;
  • ” Re-enacting implied relationships” Personages in toneelstuk, gevormd naar personae uit het publiek van de zaal;
  • Televisioneel gezette changementen; filmische overgangen
  • Op toneel: het toneelstuk meer de contouren van een sociale interactie geven, die een duidelijke ” emergent quality” heeft, waar het publiek zich in kan herkennen. Een emergent quality is gevormd door de symbolische interactie van de groep. In geimproviseerd theater bijvoorbeeld, is juist de essentie van de voorstelling om via de performance een ” emergent” te creeeren en niet een product af te leveren. Echter, kan het zo zijn dat het publiek (vaak jongeren), niet receptief is voor de gecreeerde symbolische taal.

Visualiseren, mapping, in kaart brengen

Het in kaart brengen van belevingen is een proces dat op meerdere manieren ingezet kan worden. Als meetinstrument, als visualisatietool, als ideeëngenerator en als simulator. Dat kan op macroniveau (bv crowdcontrol), mesoniveau (looplijnen in een winkelstraat of station) of microniveau (bv de interactie personeel en klant of interactie mens en fysieke omgeving of product; interactie mens en bronmaterialen als stof, ijzer etc.).

Met het meten van de verkoop aan kaartjes, ben je er in ieder geval nog niet.

Inzichten verkrijgen die bepalend zijn voor de beleving van een dienst, product of omgeving. De mens is een individu, maar als je uitzoomt en je kijkt naar hoe bv voetgangers zich bewegen en gedragen, zie je dat er maar heel weinig voor nodig is, om ons helemaal van slag te krijgen. Dat is ook het geval als je inzoomt naar winkelpubliek. De beslissing om wel of niet de bedachte routing te volgen, of een rij met schappen te passeren, wordt voor een belangrijk deel bepaald door processen waarvoor nog maar weinig aandacht bestaat op micro-niveau. Bijvoorbeeld de placering van spiegels, de kleding van het personeel, verlichting of zelfs dichtheid van de ruimte (Spatial density) of aantal personeelsleden, bepaalt of en hoe we ons door die ruimte bewegen. Op het gebied van visualiseren van big data, zijn er echter heel veel mogelijkheden, die verrassende inzichten brengen. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als je fysieke delen van de straat, interactief maakt en van het publiek een reactie verlangt, in de vorm van bediening of aanraking? Het resultaat is verbluffend: Wij als voetgangers raken er helemaal van van slag!

Ook applaudisseren kan in kaart worden gebracht. Al lang ziet men verbanden met spraakpatronen. Zo blijkt een klein aantal rhetorische sets, geassocieerd te zijn met meer dan tweederde van (Atkinson) het applaus bij politeke speeches. Mensen die verlegen van nature zijn, zullen later beginnen met applaudiseren, dan mensen die minder verlegen zijn. Mensen met een groot ego hebben een kleinere personal space. Introverte mensen, staan verder van elkaar, dan extraverte persoonlijkheden. Wat betekent dat voor het applaus? Ik durf me er vanuit hier even niet aan te wagen.

Een inspirerende afspraak plannen, naar aanleiding van deze blog? Mail me gerust voor een ontmoeting. acts@la-clappeye.nl

Ik noem tenslotte een paar voorbeelden van bestaande toepassingen en methoden, om verschillende delen van de belevingswereld in kaart te brengen:

– Crowd control, crowd management, big data tools, urbanisme:

 

Experience mapping: In kaart brengen van de preciese, exacte ervaring van de bezoeker, met alle door de zaal geplotte contactpunten, inclusief de abstracte delen van de belevingswereld: servicegehalte, lichtval, hitte van de koffie bij de bar, de service-architectuur van de organisatie;

CmapTools; Gratis conceptmap software

 

– Softmaps en cognitive mappping:

– Spatial en experiential analysis-tools: Hoe verhoud de bezoeker zich tot de fysieke aspecten van het gebouw? Genoeg licht? Hoe verloopt de wayfinding? Kan de bezoeker zich gemakkelijk orienteren? Via licht, via de ramen, via zijn geheugen, via verwachtingen die hij ergens in zijn hoofd heeft (cognitive wayfinding); Crowdmanagement software, crowd simulators;

 

– Narratieve en fuzzy methoden: Dagboekresearch, gestructureerde interviews, veldopnamen;

 

Enkele interessante sites en methoden:

BRONNEN

  • Allen, Robert Clyde, and Annette Hill. The Television Studies Reader. London: Routledge, 2004.
  • Auslander, Philip. Liveness: Performance in a Mediatized Culture. London: Routledge, 2011
  • Avery, Robert K. Public Service Broadcasting in a Multichannel Environment: The History and Survival of an Ideal. New York: Longman, 1993.
  • Barker M; 2003 – “Crash, theatre audiences, and the idea of liveness.”
  • Baumard, Philippe. Tacit Knowledge in Organizations. London: Sage Publications, 1999.
  • Bilda, Zafer – “Designing for audience engagement”
  • Bourdon, Jérôme, and Cécile Méadel. Television Audiences across the World: Deconstructing the Ratings Machine.
  • Carpentier N; 2001 – “Managing audience participation: the construction of participation in an audience discussion programme.”
  • Conermann, Stephan – News and Rumor – local sources of knowledge about the world ;
  • Craane M. 2013 – A lived hermetic of people and place: phenomenology and space syntax;
  • Csikszentmihalyi, Mihaly. Flow: The Psychology of Happiness. London: Rider, 1992.
  • Dormans, Stefan Elisabeth Martinus. Narrating the City: Urban Tales from Tilburg and Almere. S.l.: S.n., 2008.
  • Duke, A. C., Judith Pollmann, and Andrew Spicer. Public Opinion and Changing Identities in the Early Modern Netherlands: Essays in Honour of Alastair Duke. Leiden: Brill, 2007.
  • Frith, Simon; 1996 – “Music and Identity.”
  • Hanus, Jord – Mapping Sixteenth-Century ‘s-Hertogenbosch : Towards a Spatial Analysis of Urban Social Structures; University of Antwerp; Centre for Urban History; Fellowship of the Research Foundation – Flanders (FWO-Vlaanderen)
  • Hanus, Jord. Affluence and Inequality in the Low Countries: The City of ‘s-Hertogenbosch in the Long Sixteenth Century, 1500-1650. Antwerpen: S.n., 2007.
  • Hook, Jonathan David; 2013 – “Interaction Design for Live Performance”
  • Hull B.; 1993 – Place identity: symbols of self in the urban fabric
  • Kold, Søren – The Power of Live A Rough Guide to the Concert Experience;
  • LaTulipe ea. 2011; – “Love, hate, arousal and engagement: exploring audience responses to performing arts”.
  • Oyen van, Renk -2014 – Reizen in je hoofd: De smaak van cirkels, de vorm van zuur; essay.
  • Platz F. & Kopiez R; 2013. “When the first impression counts: Music performers, audience and evaluation of stage entrance behaviour – Performers impression-management with regard to the audiences impression-formation”.
  • Robinson, Mark – Understanding Crowd Behaviours Volume 1 – Practical Guidance and Lessons
  • Robinson, Mark – Understanding Crowd Behaviours Volume 2 – Supporting theory and evidence
  • Rose, Alice. The Storyteller’s Journey. Carpinteria, CA: Pacifica Graduate Institute, 2001.
  • Sternberg, Robert J., and Joseph Horvath A. Tacit Knowledge in Professional Practice: Researcher and Practitioner Perspectives. Mahwah, NJ: L. Erlbaum, 1999.
  • Stoop, A.; 2013 – ” De live-stream van het Concertgebouw.”
  • Ytreberg – “Working notions of active audiences”
  • Ytreberg; 2004 – “Formatting participation within broadcast media production”
  • Ytreberg; 2005 -“Scripts and mediated communication”
  • Ytreberg: – “Extended liveness and eventfulness in multi-platform reality formats”
  • Ytreberg: – “Premeditations of performance in recent live television: a scripting approach to media production studies”

 

Trends in de theater- en evenementensector: van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 2

Trends in de theater- en evenementensector

van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 2

 Publiek werkt zichzelf toe naar een manier van participatieve cultuurbeleving die werkt via zelfgegenereerde belevingen, via netwerken die gemeenschappelijkheid suggereren en tegelijkertijd gaan om individuele bewegingen die men wil delen… met festivals en makers, met peers en met merken.

De koppen in deel 1 waren:

  •  Buiten de zalen: van kleinschalig naar grote idealen en van lokaal naar overkoepelend
  • Immersieve ervaringen & experience cramming
  • Social in de zalen

 De koppen in deel 2 zijn:

  •  Social op festivals
  • Social = personal?
  • Festival-tweaking = Simmer-sion

 Social op festivals

Iets breder genomen, gaan we sociale media ook zien op festivals tijdens voorstellingen. Net als andere sociale toepassingen als social logins, offline `liken’ en vóór of na de voorstelling een recensie tikken op je smartphone, zal screen steeds vaker een integraal onderdeel van de voorstelling worden, ook in artistiek opzicht. Zowel in de stoelen in de zaal als op het podium zelf. Op televisie is “second screen” nu al aan het inburgeren. In Londen deed men al een experiment met SMS’sen tijdens een Shakespeare voorstelling, waarbij het publiek subtext op het mobieltje kreeg, regie-aanwijzingen las en zelfs invloed kon uitoefenen op de verschillende rollen. Het publiek kreeg echter verschillende informatie, waardoor de beleving van de verschillende personages én het verloop van de voorstelling, per (groepen) persoon anders was.

 Social = personal?

Uit bovenstaande kan de trend gefiltert worden, dat social minder sociaal gaat worden en meer gericht op de individuele beleving van de toeschouwer. Social is niet een online verlengde van de echte wereld meer, maar een nieuwe en vaste dimensie die we ons als massa ook persoonlijk hebben gemaakt.

 Toch gaat social wel degelijk anders socialer worden, maar dit zal steeds vaker een afspiegeling zijn van wat offline al draagvlak heeft, al dan niet geïnspireerd op online communities. Dat is minder vrijblijvend dan het klinkt. Het betekent grofweg dat offline “gemeenschappen” zich vormen naar de mogelijkheden die een persoonlijk online netwerk bieden. Vrij vertaald: de contacten die men deelt via Facebook en andere media, vormen een binnenste schil waarmee men offline netwerken vormgeeft. Voorbeelden hier van kan men vinden in buurt-netwerken, urban gardening, guerilla-gardening, collectieve energiewinning, eten/koken met en bij de buurtgenoten, ruilkringen, et cetera. Een helder voorbeeld is het hierboven geschetste fenomeen van kleinschalige belevingen op kleine locaties, waar intimiteit en het kunnen delen van een gemeenschappelijke lifestyle belangrijker is dan de programmering van de avond. Het spreekt voor zich dat elke deelnemer blootstaat aan dezelfde grote invloeden als sustainability, kwakkelende economie en krimpende fossiele grondstoffen. Samenvattend zoeken we aansluiting bij elkaar, via netwerken en samenwerkingsverbanden met een sociaal karakter. Hierbij is de lokaliteit van minder belang. Van groter belang is de collectieve gemene deler; de ambitie, gezamenlijk doel, gemeenschappelijk ideaal. Ook de particuliere Facebookgebruiker en Twitteraar is zich bewust van zijn/haar invloed op partijen en mensen die niet op hun vriendenlijst staan of tot hun volgers behoren en wil steeds vaker bewust invloed uitoefenen op de schillen er omheen. Dan bedoel ik niet de Fail hashtag in een tweet, maar invloed via bovengenoemde idealistische netwerken en lifestylegenoten.

Voor festivals en evenementen bied ook dit kansen om publiek te betrekken en vast te houden. In het geval van concertzalen, is het beter om in te pikken op het gevoel wat men krijgt bij barok, dan diep op de inhoud en componisten van het concert in te gaan. Kijk maar naar hoe concertseries in elkaar zitten. Trefwoorden als “Italië” en “Snaren” en “Vrouwen”. Bij barok horen nu eenmaal “krullen” en “altaars”, of je dit nu oubollig vindt of niet. Dat is de associatie, nu de belevingen nog!

Voorbeelden:

Evenementen doen er goed aan precies in kaart te brengen, hoe het publiek zichzelf ziet ten opzichte van de wereld en de mensheid. Waar plaatst men zichzelf binnen een spectrum van goed-en-kwaad? Van fijn en vervelend? Geef richting aan de belevingen, faciliteer én regisseer deze! Dat betekent onder meer dat je gaat werken met liquide persona’s, actief gaat monitoren wat men waar en waarom deelt met elkaar. E-mailadressen verzamelen op het festivalterrein kan echt niet meer. Minder marketing, meer beleving!

 Festival-tweaking = Simmer-sion

Immersion (immersie) en simmer (pruttelen, stoven, zachtjes koken).

Het begrip Festival-Tweaking kennen de volgers en opdrachtgevers van La Clappeye Acts al langer. Hier is een extra laag bij gekomen: Simmer-sion.

Binnen de spanne van een festival, is het publiek niet alleen bezig receptief publiek te zijn (zie hierboven) maar is men ook deelnemer, men is een co-productie aangegaan met het festival, gaat elk moment een nieuwe deal aan met het festival: blijven we of accepteren we wat het festival ons aanbied aan escapemogelijkheden. Ze zoeken op het terrein en de locaties naar lifestylegenoten, kennen de locaties al beter dan de organisatie zelf, de afstand tussen publiek en de makers in de programmering is veel kleiner dan voorheen, ze bewegen zich ook buiten de festivaldata om al binnen de zelfde ruimte die het festival beslaat, in fysieke zin maar ook overdrachtelijk.

 Immersie alleen aanbieden als rond en afgeregisseerd geheel, is voor een groot evenemententerrein niet meer voldoende. Op het terrein zelf gebeurt te veel met het publiek om hen blijvend vast te houden met één overkoepelend concept. Het publiek doorziet concepten snel! Op het evenemententerrein pruttelt en stooft het in de publieksbeweging. Het zoekt op verschillende momenten van de dag en avond, andere prikkels. Publiek “neemt” niet alleen meer (in de zin van receptief), maar wil ook “geven”. Geven direct feedback aan de organisatie en makers, willen zelf meemaken en mee-maken, willen hun goedkeuring en liefkozen meteen laten blijken en delen met hun peers. Dit gaat veel verder dan crowdsourcing! Veel mogelijkheden ook dus voor sponsors. Zie het voorbeeld van Douwe Egberts, hieronder.

Tijd dus, om je publiek echt goed te leren kennen! Niet uit uitgebreide datasheets en grote data maar uit bewegingen, uit liquide persona’s, uit ritmes, uit wat publiek je al “geeft”.

Één bruikbare variant van een bestaande nieuwe toepassing, wil ik alvast delen. Onlangs werd een nieuwe service gelanceert die sportliefhebbers in het stadion- al tijdens de wedstrijd -de kans geeft betere stoelen te reserveren en betalen.

 Voorbeeld:

Dit is in deze vorm voor festivals al heel interessant, maar interessanter is het om deze dienst te richten op kleine groepen publiek, die bijvoorbeeld van een externe festivallocatie komen richting horeca en samen korting krijgen, als zij eenmaal op het centrale terrein zijn aangekomen, inclusief zitplaatsen. De verzamelde microdata kunnen vervolgens worden gebruikt om hen kortingen op maat aan te bieden en die te koppelen aan sociale parameters als gedeelde lifestyle, politieke voorkeur, bekende gezichten of thema’s.

Om echt unieke ervaringen en momenten te laten maken, ontwerpen én live uitvoeren, verwijs ik de lezer graag naar www.la-clappeye.nl

Renk van Oyen

[fblike]