Tag Archives: blikrichtingen

Groendoen 2.0

Groendoen 2.0

“Groendoen”… De festivals zijn er fantastisch goed mee bezig, maar wat heb je er verder aan? Je kunt prachtig bewerkte pijpen in het riool onder je huis laten aanleggen, maar als niemand het weet en ziet… wat moet je er dan mee? Groendoen is goed maar de bezoeker zal het niet zo snel zien als een belangrijke reden om naar juist dat ene groene festival te gaan. Nog even een noviteit, een strijden van goedbedoelende visionaire pioniers. Goed voor toch zeker 4 seizoenen zeer speciaal zijn, als festival.

Een evenement met alleen maar groene kenmerken, dat is een ander verhaal. Daar kan men zich nu nog mee onderscheiden: alles is groen en verantwoord. De drankjes zijn verantwoord, geserveerd in verantwoord groen en recycleerbaar materiaal, men zit op gerecyclede kartonnen stoelen en kijkt naar groene drankjes drinkende bands die eten van een op zijn slow-foods-gefabriceerde koe. Echter, hoe lang duurt dat nog, dat je je kunt onderscheiden als zijnde een groen  evenement? We leven in een vluchtige tijd. Emoties zijn maar heel even exclusief van onszelf. Dus waarschijnlijk  niet heel lang meer. Bovendien wil de bezoeker liever niet belerend worden toegesproken.  Bijzonder groen, moet zo snel mogelijk normaal worden. Je moet een heel sterk merk zijn, wil je deze emotie meteen kunnen claimen en  vasthouden. Daarbij laat de bezoeker zich niet graag de les lezen; dat weten zij immers ook wel, dat groendoen goed is. Of men het actief doet is niet belangrijk, de intentie groen te doen is er al lang. En intentie volgt op emotie. Gepasseerd station dan? Geef de intentie creatieve vleugels! Het “consumeren” en zeker het actief meedoen aan het creatieve groendoen, geeft de illusie van “goed bezig zijn” en tegelijkertijd heeft men plezier op uw festival. U beloont tevens de bezoeker voor de band met het festival, door hen actief te laten zijn binnen het groendoen: het (al dan niet nieuw gevonden) DNA van het festival. Voor het publiek is het een gesublimeerde vorm van groendoen, en dat geeft weer een goed gevoel: het gevoel van uw festivalconcept.

De evenementensector stimuleert zelf het groengehalte en het zal niet heel lang meer duren eer de bezoeker, de consument, groendoen ziet als iets heel vanzelfsprekends. Wie zal het immers in zijn hoofd halen te zeggen dat groendoen niet goed is? Voor milieu, voor dier en mens, voor de wereld. Men kan vooruitlopen met biologisch geteelt vlees, maar als dit eenmaal de norm is geworden en men heeft er van overheidswege regulering bij bedacht, heb je niet meer iets bijzonders in handen.

Groendoen is een gevoel

Voor evenementen en festivals is in directe vorm de boodschap “groen is goed”  afgeven, een gepasseerd station.  Dat klinkt misschien cynisch, maar we zijn nu eenmaal mensen. Bovendien moet groen maar net passen bij je evenement. De TT in Assen zou bv. alles op groene energie moeten laten lopen, om als groendoener geloofwaardig te kunnen zijn. Dat doe je niet zo maar even.

Wel kan men scoren met de vorm van groendoen en vooral het gevoel van groendoen.

Groendoen is heel erg in. Leuk voor het groen, maar minder leuk als je je groen wil profileren als festival zijnde. De Slow-food beweging heeft heel lang gedaan alsof hun manier van kijken naar de wereld, manier van produceren en genieten, “ de normaalste zaak van de wereld was.”  Een beweging die ik overigens een warm hart toedraag. Dus: geen keurmerken, geen speciale slow-food restaurants, liever geen slow-food cursussen voor consuminderaars.  Slow food heeft een gigantische bijdrage geleverd aan  het verantwoord produceren van lokale producten, maar heeft die “ moral highground”  verloren aan de trend van… juist, lokaal maken van grote brands. Tegelijkertijd zagen we in Europa een  groeiende belangstelling voor slow food-achtige producten en een reguleringsdrang vanuit Europa.

Je hebt meer macht wanneer je laten we zeggen een keurmerk introduceert met lagen erin, dan een keurmerk met alleen maar grote en mooie woorden, met een mooi stempeltje erbij.

De uitdaging voor de festivals en evenementen is naar mijn mening, om het grote goed, het grote idee en de schitterende grote idealen, samen te pakken in activiteiten die een natuurlijke binding hebben met het DNA van het festivalconcept.

Dit zou een prachtige overlevingskans kunnen zijn voor festival Mundial in Tilburg, die naar mijn mening een beetje de weg zijn kwijtgeraakt. In deze tijd scoort multicultureel (tijdelijk) helaas niet meer zo goed, maar voeg daar de factoren groen, vrijheid en verantwoord aan toe en men kan weer jaren vooruit!

Een concreet voorbeeld: Op het festivalplein is een soort bloemenperk van papieren bloemen aangelegd. Bij elke kilowatt energie die wordt bespaard door actief meedoen door het publiek, groeien de bomen. Net zo lang tot het plein totaal groen ziet van papieren bomen met papieren bloesem. Het actief meedoen van publiek kan bestaan uit rommel per kilo van de grond af rapen, op hometrainers met dynamo energie genereren voor het festivalterrein, de fietsers gesponsord door het tuincentrum. Via een app virtueel bloemen planten in de stad en ga zo maar door.

Een tip: Eigen je een ideologie toe, doe alsof je al bijna klaar bent met de 2.0-versie daar van en een autoriteit op het aankomende 3.0. Zorg dat die boodschap en visie ook verweven is binnen de textuur van je evenement en zorg dat die creatieve handen en voeten krijgt.  De lokaliteit heb je al binnen: de locatie van je evenement. Roep de boodschap niet om, maar straal hem uit.

[fblike]

Festival-tweaking, deel 1

Festival-tweaking, deel 1

Festival-tweaking is een vast onderdeel op dit blog. Vooral omdat het finetunen en tweaken van festivals, concepten en culturele projecten, een belangrijk onderdeel is van mijn werk. Feitelijk gaat het om finetunen van concepten in bredere zin. Soms is de vraag direct, maar meestal komen die zaken gaandeweg aan het licht. Creative Concepting door La Clappeye Acts, kan daar bij helpen.

Het komt vaker voor dat opdrachtgevers hun reeds bestaande format of concept willen behouden en wat aan fijnafstemming willen doen, dan dat er compleet nieuwe concepten geboren moeten worden. Ook dat gebeurt gelukkig, maar eenmaal een concept of format gevonden, wil men daar niet zo makkelijk meer van afstappen. Begrijpelijk, het is hun kindje, hun “ding” en daar waken ze terecht over.

Tweaking klinkt vluchtig en ad hoc, maar dat is het bepaald niet. Festival-tweaking heeft een aantal grote voordelen. Je gaat zelf anders kijken naar wat je hebt bedacht en neergezet, je past principes toe op je concept waar je niet eerder aan hebt gedacht, je gaat de blinde vlekken weggummen, lievelingetjes even opzij zetten, opnieuw nadenken over wat je eigenlijk wil zeggen. Door te kijken naar details, door zaken in het kleine om te draaien (soms letterlijk), ga je vanzelf kijken naar het grotere plaatje. Klopt alles nog wel? Vaak is dit een plafond waar organisaties tegenaan lopen, waardoor ideeën blijven steken in een losse gedachte of terloopse opmerking. Misschien moet alles wel herijkt worden? Zo lang je dat maar niet aan de grote klok hangt, kun je daar mee experimenteren wat je wil. Uiteindelijk moet ik er zelf zorg voor dragen dat niemand zich gepasseert voelt, dat het basis-idee overeind blijft (voor zover dat de bedoeling is natuurlijk) en alle betrokkenen hun “ding” kunnen blijven doen.

Het tweaken en finetunen gebeurt bij voorkeur NIET in een brainstormsessie of vergadering. Bij een brainstormsessie is het weliswaar zo, dat tot de regels kan behoren dat je elkaar bv. niet veroordeelt of ideeën tegenhoudt, maar je gaat toch uit van een bepaald stramien waaromheen de brainstormsessies worden gebouwd, waarvan de deelnemers al bij voorbaat beperkt worden in hun denken. Je kunt wel out-of-the-box willen denken, máár…. Het moet maar net op het whiteboard of flipover passen.

“Tweaken, dat doe je in verschillende lagen.”

Beleving tijdens een programma-onderdeel / voorstelling.

Je hebt een mooie voorstelling, maar de meer subversieve beleving moet je ook kunnen overbrengen in de fysieke omgeving en in de spanningsboog van de avond. Niet alleen de voorstelling heeft een vantevoren uitgekiende spanningsboog, het verloop van de héle avond of de héle activiteit, kent een eigen spanningsboog. Men is bijvoorbeeld gewend dat een voorstelling uit meerdere bedrijven kan bestaan en dat de ruimte daartussenin een “pauze” heet. Men is gewend rustig op te staan en op een bepaalde snelheid naar de foyer te lopen. Is de omgeving daar op ingericht? Zijn de paden zó breed dat er chaos kan ontstaan of dat de intimiteit van de voorstelling wegvalt? Smallere paden forceren een rustig verloop van de pauze, het buitengaan en weer binnen komen. Té smal levert natuurlijk irritatie op. De pauze moet vervolgens niet al te lang duren. Men komt uit de voorstelling met een gecultiveerd ritme en dat moet je zien vast te houden én te voeden!

Beleving van het stilistisch geheel, door het publiek

–         Micro-mapping: In kaart brengen in grafiekjes en timelines van de beeld- en geluidsbibliotheek in het hoofd van de bezoeker

–         Idem, op het gebied van sociale ontwikkelingen, persoonlijke ontwikkeling, levensloop, politieke stromingen en nabije omgeving

Kortom, het in kaart brengen van het referentiekader van de bezoeker.

Ik gebruik voor micromapping een soort timeline van een denkbeeldige bezoeker van leeftijd X, waarboven en onder categorieën zijn aangebracht. Bijvoorbeeld categorieën als “politiek” of “maatschappelijke ontwikkelingen” Heeft iemand bijvoorbeeld ProVo meegemaakt? Dolle Mina, baas in eigen buik, bezetting van het Maagdenhuis? Welke beelden horen daarbij? Welke vormen en kleuren? De ijkpersoon heeft kinderen gekregen in 1973, de kinderen waren puber in 1987. Dat betekent een grote dominantie van invloeden vanuit jongerenmedia rondom die periode. Wat was er in de mode? Welke muziek klonk op de radio? Welke auto’s werden er gereden? Welke kleuren, vormen, geuren en combinaties daar van, wekken associaties op met hun jeugd, met hun pubertijd? Hoort bij de herinnering aan hun studerende periode, een gevoel van strijdvaardigheid? Van feesten? Welke iconen uit die tijd, spreken nu nog net zo hard tot hun verbeelding? Bij de verschillende onderdelen die je hiermee in kaart brengt, kun je nog verder gaan door plaatjes, stofjes en textuurtjes te plakken bij de verschillend onderdelen.

Allemaal tools om een beeld te krijgen van de innerlijke bibliotheken van je bezoekers. Vervolgens moet je dit nog gaan vertalen naar conrete beelden en ervaringen. Wil je een jaren ’80 sfeer overbrengen aan je publiek? Dan moet je wel zorgen dat ze die beeldtaal begrijpen. Over the top? Ook dan de juiste verhoudingen aan “serieuze” stijlelementen van de jaren ’80 en de overtreffende trap daar van, om het overdreven gevoel te kunnen overbrengen.

Onbewuste en subliminale  beïnvloeding.

Ik heb voor een bedrijf ooit een show gemaakt, waarvoor ik een soort groot altaar van de wansmaak had gemaakt. Het ding had kaarsjes, heel veel knipperende lampjes, nepgouden “altaarkast”, een offertafel. Tegelijkertijd fungeerde het altaar als een soort set van een televisieprogramma uit de jaren ’50. De twee hoofdpersonen (soort kosters-echtpaar) waren in het begin heel vroom en nog voor zij op kwamen, was het voor het publiek overduidelijk dat het hier een katholiek hoogaltaar betrof. Er hoefde maar één detail te worden toegevoegd om het een televisieset te laten worden: een héél lullig orgelmuziekje met een soort jingle. Het publiek ging van piëteit in een keer naar joligheid en spot. Kortom, met heel kleine subtiele veranderingen, trigger je een beleving onder het publiek.

Als je dat uit elkaar gaat halen, is het vooral de symmetrie van het geheel: de hoge “altaarkast” en de 2 zijpanelen (zetstukken), met de altaartafel ervoor. Een hoogaltaar dus.

Dit fenomeen heb ik afgekeken van een verschijnsel dat in de literatuur “the theatre of majesty” heet. Dat handelt over de rechtvaardiging van aristocratische macht door uiterlijk vertoon aan het volk. Iets waarvan men zich tot op de dag van vandaag nog bedient. Die rituelen kennen eenzelfde opbouw, eenzelfde scheiding tussen het publiek (horigen) en de adel (artiest), met een geleidende kwaliteit, in de vorm van rechtspraak of in dit geval piëteit. Niet zo vreemd dat men in vroeg tijden, hun rituelen spiegelden aan kerkelijke rituelen.

Een ander voorbeeld. Ik was gastprogrammeur bij het Bossche Klub KOE (Kunsten Ontmoeten Elkaar) en de locatie was een voormalige kerk. Waar ooit het altaar was, was nu een podium met een groot scherm ode achtergrond. Er stonden nog wel banken in de kerk. In de hele ruimte en in de bijgebouwen waren dingen te zien. Toen we de deuren openden en het publiek binnenstroomde, ging men tot mijn stomme verbazing regelrecht naar de kerkbanken en gingen daar zitten. Starend naar waar ooit het altaar was… maar nu het podium, nog zonder acts.  Het duurde even eer men van de banken kwam, de ruimte in. Dat was niet een vantevoren ge-tweakte belevenis… puur psychologie en cultivering.

Tot zover deel 1 over festival-tweaking.

In een volgend blogje, zal ik dieper ingaan op het behandelen van de festivalprogrammering ten opzichte van de dagelijkse routine van de bezoekers.

Bekeken publiek

Bekeken publiek.

Publiek, dat kennen we. Het is de partij die aan de andere kant van het podium zit een naar je aan het kijken is. We hebben een ongeschreven afspraak onderling, dat als de artiest staat te spelen of te acteren, het publiek aandachtig luistert en als blijk van waardering naderhand gaat applaudisseren..

Een aantal jaren geleden was publiek met een abonnement toch een beetje not-done. Er werd met het nodige dedain naar gekeken. Nu houd ik (Renk van Oyen) mij vanuit La Clappeye Acts én Oude Muziek Brabant en als freelancer, veel bezig met publieksbereik en kijk ik ook naar de eigenaardigheden van de verschillende soorten publiek.

Hoewel ik niet officieel een marketeer ben, is dat wel ook onderdeel van mijn werk. Dat maakt m’n werk zo leuk, ik mag me overal mee bemoeien… en dat doe ik dan ook.

Het is heel grappig te zien dat publiek niet zomaar publiek is. Nog los van de ongeschreven afspraken die je met elkaar hebt gemaakt, kent elke groep zo zijn eigenaardigheden. Men vergeet vaak dat die eigenaardigheden niet altijd op afstand van de zaal meetbaar zijn- de parameters van je doelgroep, waarop je je richt bij publiekswerving –maar pas ín de zaal of in de foyer voorafgaand aan of na de voorstelling pas zichtbaar worden!  Dat zijn héél belangrijke factoren, die door marketeers maar ook door programmeurs nogal eens over het hoofd worden gezien. Als je de potentiële kopers van een bankstel in je winkel hebt, wil je er toch ook voor zorgen dat ze ín die winkel op een nette manier worden bejegend? Dat geldt dubbel zo hard voor het theater, natuurlijk.

Abonnementen.

Ik schreef al over abonnementhouders. Dat zijn trouwe bezoekers maar toch… ze lijken meer te consumeren dan dat ze daadwerkelijk ín de voorstelling zitten. Van hen was bekend dat zij zich thuisvoelden in het theater, dat ze graag gezien werden na de voorstelling, in de foyer en graag erkenning wilde van hun connaisseurschap. Na de voorstelling was het grappig om te zien hoe dat werkte. Het abonnementpubliek dronk wel wat, maar was meer bezig zich ten opzochte van hun collega’s te laten zien als zijnde connaisseurs.. kind aan huis, ze hadden al zeker 6 voorstellingen gezien. Als zij eenmaal weg waren, bleef er een kliekje over die wij het “echte” theaterpubliek vonden. De acteurs waren eenmaal klaar met douchen en afschminken en daalden af naar de foyer. De echte liefhebbers waren overgebleven en waren trots zich te mogen mengen met de theatermakers. Pas een jaar of 12 geleden, kwamen marketeers en theatermakers op het geweldige idee om metéén het publiek en de theatermakers met elkaar te vermengen. Geen artiestenfoyers meer, gewoon aan de bar met Pierre Bokma en Kitty Courbois. Afgekeken van Brabant, waar dit al wat gewoner was dan in het noorden. Concepting was aan het oprukken en oplettende concepters hadden allang gezien dat je de eigenaardigheden van het publiek moest omzetten naar betrokkenheid, naar bevestigen en belonen van hun relatie tot het gezelschap of het theater. De muur tussen uivoerenden en publiek was aan het vervagen. Dezelfde “vierde muur” die we kennen van het toneel, overigens. Ook daar was publiek en de maker onderling uitwisselbaar. Dat gebeurde ook letterlijk, door het publiek op het podium te planten, en de acteurs speelden in de zaal. Redelijk nieuw was dat toen, nu moet je wel met iets interessanters komen, wil je dat verschijnsel nog nieuw kunnen noemen.

In ’s-Hertogenbosch staat het publiek er om bekend dat ze voor bijna alles een staande ovatie geven. Al is de voorstelling van een pijnlijk slechte kwaliteit… de Bosschenaar gaat er met alle liefde voor staan. Ik denk zelf dat dit niet zozeer een uiting van bewondering is. Met gaan staan, trek je de acteur naar hetzelfde niveau toe; je forceert een gelijkwaardigheid. Boven een recensie van Festival Boulevard stond eens de kop “Den Bosch klapt vooral voor kunstjes.” Het is toch een beetje zeggen dat je waardering toont, maar ga vooral niet naast je schoenen lopen. We blijven calvinisten, zelfs in het Zuiden. Niet dat dit slecht is, alleen is het wel jammer dat er nauwelijks een overstijgende trap is van een staande ovatie, om je bewondering te tonen. In het concertgebouw in Amsterdam ontstond zowaar een protestactie door musici. En er werden papiertjes opgehangen met de vraag niet voor alles te gaan staan.

Geld terug?

In sommige zalen is het even de gewoonte geweest een niet-goed-geld-terug-garantie te geven. Mocht je als publiek na de voorstelling besluiten dat je het niks vond, gewoon geld terug en nog een kopje koffie erbij voor de troost. Zelf heb ik altijd geweigerd daar aan mee te werken. Je neemt een aanvaardbaar risico als publiek. Je orienteert je, leest de site, de kritieken. En op basis daar van, besluit je het risico te nemen of niet. Het is abstract en het is gemaakt om een gevoel en beleving over te brengen. Of dit iets moois met je heeft gedaan of niet… de beleving heb je gehad. Dus niks geld terug. Wat een arrogantie, eigenlijk!

De niet-goed-geld-terug-garantie werd destijds ook meer ingegeven door het beleid van van der Ploeg dan door het publiek zelf. Entree: meespeeltheater, terugspeeltheater, interactief theater, theater-interviews. Allemaal manieren om de dialoog aan te gaan met het publiek. Eentje die verder moest gaan dan een staande ovatie als blijk van waardering, én tegelijkertijd de hiërarchie- voor zover die er nog was –met tak en wortel uit te roeien. Ik ben het in mijn loopbaan niet vaak tegengekomen dat mensen hun geld terug mochten vragen. Gelukkig maar. Toch is ook dit weer een stapje verder in de zelf-emancipering van het publiek. Dan moet er dus ook sprake zijn van een zekere achterstand, toch? Als ik “moeilijk publiek”’  even buiten beschouwing laat, zie ik niet zo’n achterstand bij het publiek ten opzichte van de rest van de wereld. Laat staan ten opzichte van theatermakers. Maar het hoort wel bij de democratisering van de kunst en de mythe van de beschikbaarheid, als basis voor vrijheid. Auto-emancipatie is in dit licht een betere term dan zelf-emancipatie. Als de hiërarchie weg is, en je wil nogsteeds entertaint worden, dan moet er toch een scheiding zijn tussen de spelers en de kijkers. Je kunt de scheiding wel weggummen… maar als je aan het einde applaudisseert, stem je in met die scheiding tussen de kunstenaar en het publiek. Is auto-emancipatie dan niet gewoon een vorm van cultureel darwinisme? We zijn niet meer bereid de geschiedenis af te wachten, trends en langzame divergente ontwikkelingen willen we niet meer. Dat wringt! Daar willen we van af. Dat kan niet democratisch zijn!

Asymetrische reciprociteit is dat. Men is afhankelijk van elkaar, heeft gelijkwaardig ruilmateriaal (applaus en waardering t.o.v. het artistieke product), maar de gelijkwaardige relatie is op een ander vlak tegelijkertijd hiërarchisch te noemen. Te vergelijken met je baas die tegelijkertijd ook je neef is.

Dus theater willen we niet consumeren, we willen niet een te grote kloof tussen uitvoerenden en het publiek, maar wel willen we dat er een stukje magie overblijft… We moeten aan de buitenkant doen alsof maker en toeschouwer beiden hetzelfde zijn, gelijkwaardig, geen spreker of toehoorder… en dan accepteren we als publiek dat ze toch nog eventjes maar, iets anders zijn dan wij en zelfs iets kunnen wat wij stervelingen niet kunnen: acteren, musiceren, dansen en zingen.

Het abonnementspubliek wil vooral comfort, niet teveel toeters en bellen en liever geen thematische benadering, anders dan die van de serie waarin ze zich hebben ingekocht. Het is een groep die gewend is aan een hoog servicegehalte, niet te veel hoeven wachten, hebben zich vooraf goed ingelezen in de materie, kennen de cast van haver tot gort (in theorie) en ze wonen graag goed georganiseerde lezingen en voorbesprekingen bij. Maar… dit is wel een beeld van alweer 5 jaar geleden. Ouder abonnementspubliek van toen, is nu weer 5 jaar ouder, en dat zijn ook de mensen die toen 5 jaar jonger waren. In die tijd is er alweer heel veel anders geworden.

Festivals Klassiek: Experimenteer meer!

Sommige festivals hebben het goed begrepen. De voorstellingen en concerten binnen het festival, raken via zo veel lijntjes het publiek, daar is deze blog even te kort voor. Maar de stap ná het kopen van het kaartje… dat is nogsteeds een achtergebleven gebied.

Ik was nauw betrokken bij het Storioni Festival 2011, een klassiek festival. Ze hadden op een aantal dagen na de concerten een soort talkshow, waarvan de formule was (en ik citeer) “we zien wel wat er gebeurt.” Als het aan mij had gelegen had ik de boel van A. tot Z. vooraf tot in de details geregisseerd.  Niets aan het toeval overgelaten. Hoewel hier en daar soms wat knullig, verliepen de “talkshows” in de foyer, na de concerten , wonderwel! Ik was verbaasd over de informele sfeer. Maar wat mij van mijzelf verbaasde, was het feit dat het publiek (gemiddeld 50-55 jaar oud), een heel ander mediorenpuliek was dan ik had verwacht. Ik ken wel de onderzoeken en de eigenschappen van het publiek, maar hier zie ik mensen die weliswaar gemiddeld 55 jaar oud zijn, maar toch iets alternatiefs over zich hebben, verrassend veel bleken te weten van de optredende artiesten en heel breed georienteerd waren. Het waren vooral de mensen die meerdere concerten bezochten, die de sfeer van het festival bepaalden. Kortom, het verkregen inzicht was (voor dit festival): EXPERIMENTEER VEEL MEER! Het zijn mensen die blijkbaar toch iets méér willen, betrokken willen zijn bij het geheel, de formaliteit willen loslaten. Dit is voor de klassieke muziek uiterst goed nieuws! Ik had voor dit festival met een collega (Tanja Beugelsdijk van Beugelsdijk communicatie) een sociale media campagne uit de grond gestampt.

Het werkte uitstekend maar bij een volgende editie ga ik zeker andere keuzes maken in de inzet er van! Sowieso veel meer integreren binnen de randprogrammering.

Aanbevelingen.

Voor mij als man van La Clappeye is dit heel interessant. Ik ben meer maker dan marketeer en dit is klassiek publiek 2.0, waarmee nog heel veel mooie successen te behalen zijn! Maar wel binnen een veel breder concept dan op hoop van zegen losse onderdelen aanelkaar te plakken. Ik adviseer: maak korrelig wat strakgestreken was, ga niet meer uit van teveel veronderstellingen, stel “organische” ontmoetingen samen, niet alles dood-produceren, laat de inhoud van de concerten voor zichzelf spreken, zonder te veel “gemaakte” poespas erbij, en ga voor en na de voorstelling zorgen dat het festival sfeer krijgt en versterk dáár de binding van het publiek met makers en festival!

[fblike]

Vliegblaadje #1

Vliegblaadjes

Eindelijk zijn de nu al geroemde Vliegblaadjes van LCA ook online te lezen. In elk Vliegblaadje: 10 korte toptips uit onze praktijk. De primeur gaat natuurlijk nogsteeds naar de mensen die zich hebben opgegeven via de mail, maar na een tijdje verschijnen ze ook hier.

Elk Vliegblaadje bevat 10 gouden inspirerende tips uit de praktijk van La Clappeye Acts.  Alleen voor inspirators, programmeurs, organisators, trendwatchers, imagineers en mooie mensen.

Hieronder Vliegblaadje #1

10 bruikbare tips voor een geslaagd evenement of feest. De 11e tip: La Clappeye Acts!

  1. Als men op locatie naar je toe komt met een probleem, laat merken dat je het probleem begrijpt, leg uit wat je er mee gaat doen, en LAAT ZIEN dat je het gaat oplossen. Doe je dat niet, kom je niet alleen onbetrouwbaar over, je medewerkers gaan hun eigen plan trekken, wat uiteindelijk zeer demotiverend werkt.
  2. Doe denk-oefeningen / gedachten-experimenten met jezelf en met je ideeën: Haal in een tekst bijvoorbeeld alle lidwoorden weg, of alle ontkennende woorden, en vervang die lukraak met vooraf uitgeknipte woorden. Ga vervolgens met de nieuwe, rare tekst, een compleet nieuwe maken en hou je aan de absurde strekking van de tekst die er nu staat.
  3. Als je samenwerkt met (andere) creatieve mensen, vul dan niet al alles voor hen in. Een kader schetsen waarin zij moeten opereren, is op zich al een beperking. De meeste kunstenaars zien dit juist als een uitdaging… maar weet wanneer je moet ophouden, anders raak je ze kwijt.
  4. Werk je met figuranten of vrijwilligers: Zorg dat je er gedurende het hele proces bovenop zit en overal bij bent. Niet alleen levert je dit veel goodwill op, je bent er direct bij en je weet wat er aan de hand is, mochten zich problemen voordoen binnen de groep(en)
  5. Niet dood-produceren! Dat iets er verzorgd uit moet zien, wil niet zeggen dat je een feest moet doodproduceren. Dat wil zeggen dat niet elke handeling voor betrokkenen al moet zijn voorgekauwd door de productie, niet alles tot in de kleinste puntjes beschreven en in draaiboeken gepropt hoeft te zijn. Op zeker moment “loopt” je feest gewoon en moet je ook kunnen laten gebeuren wat er gebeurt… uiteraard wel oplettend blijven.
  6. Let op het verschil in idioom tussen de verschillende mensen/soorten mensen waarmee je werkt. Een manager hanteert bijvoorbeeld vaak een ander idioom dan een ontwerper of een muzikant. Praten jullie niet langselkaar heen? Of bedoel je eigenlijk juist hetzelfde, maar formuleer je het anders?
  7. Je wil iemand ergens van overtuigen, maar in één zin lukt dat niet. Hoe lang ben je met die persoon in één ruimte? Een hele dag? Dan heb je dus de hele dag om je boodschap aan de ander over te brengen, plús de gelukkige omstandigheid dat je niet alleen woorden hoeft te gebruiken om je boodschap over te brengen. Kortom, tijd zat om je boodschap met linten en al bij de ander neer te leggen.
  8. Tijdens de uitvoering van een feest: Probeer aan te voelen waar het publiek “zit” in haar beleving. Jij hebt als organisator alles binnen het feest al honderd keer gezien en beleefd… maar is die sfeer al in zijn geheel door het publiek opgepakt? Of is iedereen met heel andere dingen bezig? Ingrijpen dan! Vertrouw gerust op je intuïtie, je bent zelf ook deel van de groep binnen eenzelfde ruimte… meestal klopt het heel aardig wat je voelt.
  9. Eigen initiatief door medewerkers/vrijwilligers tijdens de uitvoering van de activiteit is a l t ij d goed! Welke beslissing je onder tijdsdruk ook neemt, het is per definitie de goede beslissing. De enige afweging is: gaat het fout als ik niet ingrijp? Bij “ja” dus ingrijpen en dan zien we later wel of het gewerkt heeft of niet.
  10. Gebruik voor jezelf visuele hulpmiddelen bij het organiseren. Kan een projectmanagementsysteem zijn, maar zeker werken ook mindmaps heel erg goed. Op de computer kan het heel eenvoudig maar natuurlijk ook op een prikbord op het kantoor.
  11. Zorg alleen wel dat op het prikbord ook ons visitekaartje hangt!

Hier ook het Vliegblaadje in PDF

Vliegblaadje1

[fblike]