Tag Archives: CreativeConcepting

Leren kijken naar een ding deel 2

Design en designer

Voor een creatief concepter en experience designer, zijn dit belangwekkende thema’s. Technologie werkt beter als het de gebarenwereld van de mens volgt. Andersom, passen we ons ook steeds meer aan, aan de fysieke en ergonomische eisen van nieuwe apparaten. Net zoals bij andere gebaren die we maken en herkennen, zijn gebaren geen geisoleerde momenten, bij het gebruik van een apparaat. Het zijn dynamische momenten, geincorporeerde aanwezigheid, binnen een ketting van belevingen van verschllende bewegingen. Het krijgt zijn betekenis, in zijn geheel gezien. Sociale context is een deel van dat geheel.

Bijna altijd, hebben acties en bewegingen van ontwerpers, andere gevolgen dan die bedoeld werden.

Niet zoals de kunsten, natuurwetenschappen en humanistische studies, gaat design in essentie over intervenieren in de wereld. Creatief design vraagt daarom om grote intellectuele uitdagingen. De designer als reflectief beoefenaar (vrij vertaald naar Schon), en het designproces als “reflectie-in-actie”, gaat uit van het idee dat de fundamentele voorwaarde van design, er een is van onzekerheid, uniekheid en van conflict. (Julienne Hanson).

Psycholoog Irving Biederman, die visuele perceptie bestudeert, schat dat er waarschijnlijk 30.000 verschillende direct te onderscheiden objecten zijn, voor een volwassene.

Stel dat elk object een minuut kost om te leren, dan kost het je voor 20.000 objecten, alles bij elkaar 333 uur om te leren! (Norman). Dan hebben we het nog niet eens over de nieuwe objecten die we dagelijks onverwacht tegenkomen, terwijl we eigenlijk met heel andere zaken (willen) bezig zijn.

 Goed design- volgens Schön -moet onnoemelijk veel factoren in aanmerking nemen, en de gevolgen van het negeren van een of meer van die variabelen, kunnen catastrofale gevolgen hebben. Een te sterke laser in de massaproductie van een cd-speler, kan bijvoorbeeld een gevaarlijk wapen worden.

 Hij doet het niet!

Mensen hebben de neiging zichzelf de schuld te geven bij gedoe met technologie. Mensen zien vaak oorzaken voor gebeurtenissen, kennen een causaal verband toe wanneer er twee dingen opeenvolgend gebeuren. Als ik actie A uitvoer, voorafgaande aan een zekere uitkomst S., moet A. S. dus hebben verzoorzaakt. Terwijl er eigenlijk geen relatie bestond tussen de twee. Het is nog complexer wanneer we met een actie beogen een zeker resultaat te behalen, en er problemen zijn wanneer we die actie via een tussen-medium tot stand brachten.

Het kan natuurlijk gewoon wel je eigen schuld zijn. Er is een beleving van causaliteit in de relatie tussen het ding waar je de schuld aan geeft en het resultaat. Beleving is daarbij het sleutelwoord. Dat causaal verband hoeft helemaal niet te bestaan.

Een belangrijk aspect is dat we regelmatig weinig informatie hebben, op basis waarvan we die beoordeling kunnen doen. Een apparaat kan zo complex zijn (en dat zijn de meesten), dat je het gebruik er van aan allerlei andere zaken moet aflezen dan aan bijvoorbeeld de vorm van het apparaat of duidelijke mapping. Het kan zijn dat je een knopje indrukt, maar geen weerstand voelt, er klinkt geen piepje en er gaat geen lampje branden. Er is dus geen manier in dat voorbeeld om je eigen gedrag aan te ijken.

Het grappige is dat onze neiging om onszelfde schuld te geven bij falen van alledaagse objecten, tegen onze normale neiging in gaat, om onze eigen problemen toe te schrijven aan de omgeving, en die van anderen aan hun persoonlijkheden.

Design door alledaags gebruik

Een interactie-georiënteerd  proces, is een design proces dat start met herkennen van alledaagse handelingen, inherent aan alledaags design.

Iedereen doet dagelijks mee in ontwerp en design, al herken je dat zelf niet. Alledaags design weerspiegelt de vindingrijkheid die zich manifesteert wanneer het ontwerp van objecten (artefacten) wordenn aangepast om zo beter in een bepaalde omgeving te passen. (Wakkary & Maestri, 2007, 2008). Een betere term is ontwerp door gebruik.

Sommige nieuw ontworpen objecten hebben functies, vlakken en “affordances” die door de designer zijn aangebracht, maar die in praktijk helemaal niet als affordance worden opgemerkt, of die wel als zodanig worden herkend, maar de functie van affordance hebben verloren vanwege een andere context van gebruik of vanwege het feit dat de design-affordance alleen nog maar zijn uiterlijke vorm dunnetjes heeft behouden, zonder dat het echt nog een duidelijke functie heeft.

In de professionele designwereld, kijkt men ook naar andere manieren van waarnemen, door de gebruiker van objecten en zijn omgeving. Zo kan een object een grote meerwaarde hebben, wanneer het gebruik er van, de bewegingen volgt die we zelf dagelijks toch al maken. Zoals bijvoorbeeld een steek-beweging maken met je handen. Een sleutel in het slot steken bijvoorbeeld. is zo’n beweging. Het brood in het broodrooster stoppen.

Met andere woorden, door heel goed te kijken naar hoe de gebruiker spullen gebruikt, kan een ontwerper hier alleen maar van leren.

Zie voor een voorbeeld: Participatory workshops: everyday objects and sound metaphors

Morfologie

Morfologie, de studie van patroon en vorm, is cruciaal voor design omdat het een essentieel deel vertegenwoordigd van het corpus van samenhangende kennis. Net als bij de space syntax, in de jaren ’70, waarbij architectuur als een formele beschrijvende tak van kennis werd vertegenwoordigd, is de benadering zowel wiskundig als morfologisch.

Dingen hebben levens

Een ding is veel meer dan alleen een ding alleen. De objecten die we thuis hebben gebruiken en weer weggooien, is een geglobaliseerde vorm van levensduur van een object, die begint bij de aanschaf en eindigt bij de prullenbak. Dat is een systeem van gebruik die we in onze materiële cultuur hebben ontdaan van diepere betekenis.

Sentimentele opjecten in huis hebben voor het hele huishouden betekenis, maar ze zijn niet van iedereen. Ze zijn er niet alleen om herinneringen op te roepen, of een persoonlijk verhaal weer te geven, ze hebben nog meer functies. Ze refereren aan een diepgewortelde culturele praktijk van giften geven, van ruilhandel, van de uiteindelijke tactiele kwaliteiten van he materiaal waarvan ze gemaakt zijn. In dat opzicht zijn ze ook een vorm van vorm- en materiaalgeheugen voor ons. De toegang daartoe in huis, is een onderhandelde activiteit, en is in hoge mate geritualiseerd. Bewaren van sentimentele objecten gaat dus véél verder dan alleen maar status van het bezit, of van materiële kwaliteiten.

 Dingen hebben beweging en gebaren

Objecten zijn een deel van ons geheugen, maar kunnen niet onthouden zonder dat wij (onbewust) weten wát ze moeten onthouden. Het gebruik van een object zit hem niet alleen maar in de functionaliteit of symbolische waarde. Het object bestaat ook in de ‘ruimte’. Alleen al het gegeven dat we precies weten hoe we het moeten vastpakken, dat we weten wat het weegt voordat we het hebben opgepakt, hoe het object klinkt als het zou vallen. De bewegingen die we gebruiken bij het hanteren van een object, zijn gebaren geworden omdat het design van het object dit forceerde. De vorm kan je uitnodigen een bepaalde handeling te verrichten. Een plat vlak bijvoorbeeld, als een bord of een plaat op de deur, nodigt uit tot slaan. Een knop nodigt uit om aan te draaien.

Maar een fractie van de gebaren die we maken, worden in gebruikers-georienteerde benadering van objecten relevant gevonden. Echter is er een hernieuwde interesse in de meer socio-anthropologische aspecten van technologie. Benaderingen van huishoudelijke ritmes vanuit ritme en routine- hoe kritisch ook -volgen toch een vrij star raamwerk.

Embodiment

Een ding heeft ook een biografie. Ook heeft het een geheugen. Een object als een mand of een hamer, herbergt een collectief geheugen aan kwaliteiten die we door de vele eeuwen heen belangrijk of nuttig hebben gevonden, en die we behouden hebben en  bewaard in zowel de kwaliteiten van het object, als in ons gebruik er van en de ruimtelijke referenties van zowel het object als de context. De vorm van de steel, de klank van een hamer op een object, het gevoel van actie en hardheid. Als we met onze vuist op tafel slaan, maken we hetzelfde gebaar als van het slaan met een hamer. Onze vuist balt zich, zoals de kop van een hamer.

Er is een wederzijds proces van waardecreatie tussen mensen en dingen. Zo kan een object in een museum, waardevol zijn vanwege de gedeelde geschiedenis tussen ons en het object. Daarom heeft een cadeautje ook een andere waarde dan iets wat je zelf kocht. Obecten zijn ingebed in sociale omgevingen, en die laten sporen na in objecten.

Affordance

Voor affordance is niet een Nederlandse vertaling die helemaal de lading dekt. Ik gebruik de Engelse term, die in de literatuur gangbaar is.

In Gibsons ecologische benadering van perceptie, bieden dingen en kenmerken van de wereld, hun eigenschappen, aan organismen die met hen interacteren. Water laat toe zich te drinken, bekers laten uit zich drinken, een handvat laat zich vastpakken. Het moet echter wel een organisme zijn met een mond, een keel en een maag, of hand met duimen om de kop te kunnen vasthouden. Een mond is nodig om water mee te kunnen drinken en bij afwezigheid van water, is een mond zoals hij is gebouwd niet nodig. De eigenschappen “drinken” of ” uit-te-drinken-heid” zijn dus niet exclusief voor die objecten (het water en de beker), of voor de gebruikers er van, maar ze bestaan in relaties tussen organismen en de omgeving.

The Social Life of Small Urban Spaces: William H. Whyte from Nelly Oli on Vimeo.

Sommige anthropologen als Tim Ingold, stellen dat menselijke leefomgevingen, eigenschappen toestaan, die elke generatie opnieuw kan worden uitgevogeld, herontdekt of her-groeid, door menselijke individuen, zonder dat er overdracht is tussen een beweerde aparte wereld van culturele representatie(s). Bijvoorbeeld van omgevallen boomstammen een overbrugging kunnen maken, van stenen een vermaler van noten maken.

Volgens Gibson, moeten affordances niet gezien worden als afhankelijk van cultuur, voorkennis of verwachtingen van het individu, zoals Norman suggereert. Norman richt zich ook op de perceptuele en mentale capaciteiten.

Een simpele handeling als aan een tafel gaan zitten voor een maaltijd, herbergt een wereld van affordances die in massadesign aanwezig zijn. Anthropometrische kenmerken bepalen een belangrijk deel van het design. De hoogte van de stoelen, de grootte van de lepel, de scherpte van het mes, de hoek van de benen onder de tafel, de helling van het torso ten opzichte van het tafeloppervlak en het bord met eten.

Spelen, speelgoed, alsof doen.

Het kinderspeelgoed is in vele opzichten een afspiegeling van een volwassen leven. Niet alleen de letterlijke copie van bijvoorbeeld een winkelwagentje in het klein, ook de dimensies van een hobbelpaard tot de materiaalkeuze van een poppenkastpop. De sociale interacties tussen de kinderen die spelen, zijn in veel opzichten een mini-versie van de grote mensen wereld.

affordances in play

Door kinderen zelf te laten sjouwen en bewegen met spullen, kunnen ze zelf het niveau van de uitdagingen bepalen. Kinderen personaliseren hun omgeving door kinderformaat meubeltjes binnen een nieuwe ruimte te verplaatsen, waarmee ze hun gevoel van controle verhogen (Maxwell, 2007). Door kinderen losse materialen aan te bieden, in de vorm van bijvoorbeeld losse blokken, boomstammen, banden, stoffen en pijpen, verhoog je het spel en doen-alsof. De kinderen worden aangemoedigd de mogelijkheden van het spel, de ruimte en de materialen te verkennen.

Kinderen hebben kansen nodig om keuzes te maken in waar ze mee spelen, waar ze spelen, met wie ze spelen en wat ze spelen, net als wanneer ze spelen en voor hoe lang.

 Pathways en locales

Een huishouden als onderkomen, als plaats waarin de leden van het huishouden hun alledaagse leven leiden, kan ook worden bekeken vanuit het gebruik van een specifieke ruimte, waarin bepaalde sociale praktijken van het huishouden, gedurende de dag, plaatshebben. De plek waar routinematige activiteiten en interacties tussen de verschillende leden van het huishouden, plaatsvinden en elkaar kruisen, terwijl de setting van de ruimte ook gebruikt word om waarde mee te geven aan de interacties en de individuele activiteiten en gedragingen van de leden van het huishouden.

De notie van een “locale” (Giddens), is een belangrijk begrip vanuit het perspectief van behuizing en wonen. “Sociale praktijken kunnen gezien worden als patronen van interactie, die zijn geordend doorheen tijd en ruimte.” Locales refereren aan het gebruik van ruimte om de omgeving te prepareren voor interactie.

Het is meestal mogelijk om locales aan te wijzen, in termen van hun fysieke eigenschappen, als kenmerken van de materiele wereld of als combinaties van die eigenschappen en van menselijke artefacten.

Een Housing pathway is te definieren als patronen van interactie, aangaande het huis en thuis, over tijd en door ruimte heen. Het is een continue set van relaties en interacties, die het huishouden ervaart door de tijd heen, in zijn consumptie van het wonen. Het behelst ook de carriere-levenscyclus van huishoudens en mobiliteit.

Eigenschappen die het huis of de ruimte tot “locale” maken, worden op een chronische manier ingezet, door agenten in het formeren van ontmoetingen doorheen ruimte en tijd, in die zin dat zij gezien kunnen worden als “stations” waarin de routine activiteiten van verschillende individuen zich kruisen.

Klik hier voor deel 1

The Life of Signs

The Life of Signs

Elke organisatie gebruikt tekst en beeld om bezoekers en klanten op een gemakkelijke manier door het gebouw te kunnen leiden. Dat is niet alleen een manier om mensen de weg mee te laten vinden (wayfinding), maar bovenal een belangrijk communicatiemiddel, waarmee je de organisatie op een  manier laat communiceren met de bezoeker, die direct grenst aan zijn meest elementaire vorm van bestaan: zijn lichamelijke verplaatsing door de ruimte die je als organisatie voor hem hebt gevormt.

Ik beperk me voor deze blog even tot de signage binnen gebouwen, en niet de urban signage. Hier en daar zijn er wel uitstapjes naar een stedelijke context. – Signage en wayfinding zijn niet hetzelfde. Daar waar wayfinding er op gericht is de bezoeker letterlijk makkelijk de weg te laten vinden en terugvinden, is signage echt een communicatietool, met natuurlijk wel wayfinding-capaciteiten, met zeer specifieke regels; Ik heb er een aantal uitgelicht, verspreid over wayfinding, design, conceptueel en communicatie.

Over wayfinding door de vroege menseheid, en de nogsteeds in de mens aanwezige wayfinding-processen, is veel gepubliceerd. Zeker in urban context de moeite waard je in te verdiepen.

Zie voor uitleg over wayfinding en signage op de Glossary pagina. Voor de bronnenlijst, zie deze pagina.

Wayfinding

– Accentueer “regio’s”  in het gebouw. Zijn ze conceptueel aan elkaar gelinkt? Aaneengesloten ruimtes voor verschillend gebruik? Maak het visueel ook logisch. Hiermee kan de bezoeker zich orienteren en het geeft hem het gevoel op een logische manier door je “narratief” te lopen; Laat hem de mogelijkheid ook “terug”  in dat verhaal te kijken, door de ruimtelijke versie van breadcrumbs te gebruiken;

– Geef de bezoeker niet te veel keuzes en niet te veel kruisingen van paden en gangen;

– Gebruik “landmarks” (Lynch) , dat is een van de allerbelangrijkste elementen van wayfinding. De bezoeker kiest hier niet bewust voor, dat zit diep in ons als mens;

– Onthou dat mensen van nature geneigd zijn om informatie over signage weg te filteren, vooral die gaat over nooduitgangen. zodat we niet overladen worden met informatie;

– Geef elke ruimte, eigen unieke kenmerken mee. Signage moet binden en tegelijkertijd de belangrijkste ruimtes, unieke kenmerken geven;

Geef mensen een kaartje van het gebouw, tentoonstelling of ruimte waarin zij de weg moeten vinden. Dat geeft hen veel zekerheid, ze zien precies waar ze zijn, ten opzichte van de totale ruimte/het gebouw, ze kunnen volgen en voorzien wat het “narratief”  van de ruimte is en je kunt veel informatie kwijt over de organisatie en service-elementen;

– Voorzie in duidelijke zichtlijnen, de ruimte in;

– Goeie indoor-mapping

image

Design

– Er is niet een norm voor alle soorten signage in alle soorten gebouwen. In grotere gebouwen met een sterke hierarchische informatiestructuur, houdt men doorgaans het lettertype sans-serif aan (Hermann; 2012), beschikbaar in verschillende gewichten. Die is van grotere afstand goed te zien. De schreven van dit lettertype, “vloeken” tegen de strakke geometrische vormen van veel signage.

Aanbrengen van signage is deel van de architectuur van het gebouw! Dus niet iets wat na het eigenlijke bouwen en vormgeven, nog even moet worden toegevoegd. Dit staat vaak op gespannen voet met de ontwerpen van de architect. Dat verdient de aandacht, al bij het ontwerpproces van het gebouw;

signage software

Conceptueel

Signage = boundary-management!

– Let op de zachte kantjes! Als je  complexe en grote systemen gebruikt (spoorwegen, onderwijs), kan dat al snel koud, groot en log overkomen.  Zorg dat je de randjes zacht en fluide houdt. Grote systemen kunnen meer humaan lijken, wanneer het zachte randen heeft, op de punten waarop het publiek er mee in aanraking komt. Goed vormgegeven systemen wekken de indruk veel persoonlijker en vriendelijker te zijn, omdat ze randen en interfaces hebben, die intuitief en hartelijk zijn. Deze contactpunten verworden tot kleinere, intiemere ruimten, waarin mensen oogcontact met elkaar kunnen maken;

– Ga het hele pand af en noteer ALLE teksten en afbeeldingen die boodschappen- direct en indirect -naar je gasten en klanten overbrengen: Breng ze in kaart. Dat kan ook via mapping software, maar op een computerscherm oogt signage altijd anders dan in het echt. Ontstaat er een semantiek die bij je organisatie past? Zijn ze begrijpelijk en vriendelijk waar nodig, en gebiedend waar noodzakelijk? Breng nu alle teksten in het hele gebouw in kaart op een plattegrond. Passen de teksten bij het gedeelte van het gebouw of de functie die (een deel van) het gebouw heeft?

– Pas op met aanpassingen die je aanbrengt in de ruimte. Ander licht of lichtplan? Muren geverfd? Ga dan na of de signage nogsteeds het beoogde effect heeft. In andere atmosferische omstandigheden, kan signage al snel anders worden beoordeeld;

– Een “woonkamer” hoeft geen bordje “woonkamer” te hebben. Je kunt met sfeer, textuur, textiel en kleur (atmospherics) heel veel doen. Soorten ruimten markeren, functies van elkaar scheiden. Een paar visuele of atmosferische cues kunnen het gebruik van een ruimte al duiden. Woonkamer / schemerlamp, bijvoorbeeld. Op die manier komen atmospherics en signage heel dicht bij elkaar. Een holistische benadering van je signage is dan ook wenselijk.

wayfinding

– Zorg dat je ruimtes en functies ook namen geeft die al in je eigen organisatie voorkomen en die iedereen kent. Een bordje ophangen, is niet het goeie moment om de uitstraling van de zaal of bedrijf, op een ongeloofwaardige manier te lanceren.

– Ritme en frequentie van signage communiceren ook. Zo kan het als dreigend worden ervaren wanneer je in een lange gang, regelmatig een uiting laat terug komen, die niet “logisch” is. Bordje en tekst “uitgang” is logisch, dat zou je in een lange gang kunnen verwachten, maar dan nog heel strategisch geplaceerd, daar waar logisch. Bijvoorbeeld een kruising met een andere gang of bij een clustering van functies als toiletgroep, koffie-automaat of zithoek.

– Niet alleen het ritme en frequentie waarin je signage plaatst, is belangrijk voor het begrip er van. De snelheid waarmee het publiek, de weggebruiker of klant zich verplaatst is dat ook. In veel steden zie je dat de signage en de stad zich nog niet hebben kunnen aanpassen aan het veranderende tempo, snelheid en frequentie waarmee bewoners zich nu kunnen verplaatsen. Als je heel snel gaat en de signage is gericht op jou als doelgroep, maar met een aanzienlijk lagere snelheid van verplaatsing, gaan die uitingen volledig aan je voorbij.

Communicatie

– Verkeerde zinsbouw verandert je boodschap en je uitstraling:

  • Fout: Geen terrasbediening;
  • Goed: Wij helpen u graag verder aan de bar;

Signage is niet alleen tekst, ook beeld. Alle teksten bij elkaar vormen ook beeld; – Hoe je een ruimte noemt op bewegwijzering, vormt meteen het beeld in het hoofd van de bezoeker, maar beinvloed ook direct de wayfinding. Als er op een bord “zaal” staat te lezen, maar het blijkt alle kenmerken van een “kamer” te hebben, zal de gebruiker minder snel de weg vinden; – Gebruikers van een ruimte- ook waar ze nooit eerder zijn geweest -hebben, op het moment dat ze het gebouw binnenstappen, een “cognitive map” in hun hoofd, waarin de ruimte min of meer is vormgegeven;

– Gebruik voorkennis van het bedrijf, bij de bezoeker. Sta je bekend om je gastvrijheid, nodig mensen uit met woorden als “gezellig”, “dampend heet”, “voor de lekkere trek”; Voorkennis kan ook bestaan uit bekendheid met huisstijl, kleurgebruik.

–  Signage kan onvoorzien worden aangepast door bijvoorbeeld reclame-uitingen in de foyer of het restaurantgedeelte van de organisatie. Heb je nagedacht over de invloed van de tekst op het menu, de afbeeldingen op de bierviltjes, de posters van het frisdrankmerk? Passen ze bij de signage?

– Hoe bekender de omgeving is, voor de bezoeker, hoe groter de kans dat hij een positieve houding ten opzichte van de organisatie en ruimte heeft;

Signage en informatievoorziening, beinvloeden gedrag.

In een Engels ziekenhuis, kon men het probleem van fysieke agressie jegens personeel, met maar liefst 50% verminderen, door het opnieuw designen van de spoedeisende hulp:

” (…) A lot of the frustration that leads to anger is just a lack of knowledge and a lack of understanding about how things work,” explained Lloyd. “It’s caused by patients not understanding the clinical language or the process or why someone who arrives after them is seen before them.”

The proposed solution focuses on placing key information in relevant locations within the waiting room and consultation areas so patients are constantly aware of where they are and how long each part of the process might take. Process map A process map in the waiting room guides patients arriving at A&E through the process, from check-in to assessment, treatment and next steps, and is supplemented by a leaflet with more details (…)

– Voordat je de signage gaat ophangen (of eigenlijk: implementeren), hang geprinte copietjes (in kleur) op de plaatsen waar de uitingen gepland zijn, en laat ze daar een tijdje hangen. Laat ze beoordelen door verschillende groepen mensen. Zeker als overheidsgebouw is het belangrijk dat bv ook mensen in rolstoelen en met verminderd zichtvermogen, de weg kunnen vinden;

– Aanvullen op de service-signage: Een uiting die doelt op het verlenen van service, nodigt uit en informeert niet alleen. Bij dergelijke teksten is het een idee om op het moment dat je merkt dat de uiting wordt waargenomen, je er een extra service-dimensie bovenop legt. Bijvoorbeeld bij “verse koffie” leg je er een verse Bossche bol bij.

– Ruimtes waar veel mensen komen, niet overmatig specifiek benoemen. In de ruimte zelf niet en ook niet in herhalingen in de aanloop richting de ruimte. Publiek “onderhandelt” altijd en overal de grenzen van de omgeving waarin het zich bevindt. Te specifiek zijn, doodt interactie.

image
Bron: You are here- a guide to pedestrian wayfinding

– Niet alleen de stad heeft een ritme, een gebouw heeft dat ook. De clustering van ruimtes, hoge en lage plafonds, open en gesloten deuren, lange en korte gangen. Ze vormen een ritme. Je kunt die spatial hierarchy gebruiken om de placering van de signage mee te spiegelen. Als dat natuurlijk aanvoelt, zal men sneller de weg vinden en er bovendien een prettig gevoel aan overhouden;

– Digitale signage: Ben daar terughoudend in. Dat kan snel als te sturend of autoritair over komen, al is de effectiviteit er van in sommige omgevingen welgedocumenteerd. Zo kan in een winkelomgeving, merkgerelateerde cues via een televisiescherm “uitzending” in de winkel, de informatieverwerking van klanten beinvloed. De cues wekken affectieve gevoelens op, die de houding construeren en uiteindelijk een positieve beleving van het merk opleveren. Echter, is dat niet zonder meer op elke omgeving te projecteren. Uit andere onderzoeken weten we dat digitale signage absoluut een opkomst beleefd, vooral vanwege overige virtuele mogelijkheden die gepaard gaan met implementatie van die technologie. Je moet niet te veel verschillende soorten van informatie via digitale signage willen bieden. Een voorbeeld is een bord waarop te zien is dat er nog x mensen voor je zijn, eer jij aan de beurt bent. Een bord met verschillende typen informatie, is verwarrend. Voordeel van interactieve (maar dat is voor een andere blog) signage is wel dat ze kunnen worden voorzien van technologie waarmee het gebruik en de bezoekersflow real-time is te meten.

Een voorbeeld van digital signage in het ziekenhuis:

” (…) Live information about how busy the department is and predicted waiting times for different assessments are displayed on monitors and the designers have proposed a mobile app that could direct patients to the nearest A&E with the shortest waiting times (…)” (Pearson Loyd)

– Design de layout/graphics niet te modieus; ze moeten nog lang mee kunnen, en ze verliezen aan geloofwaardigheid;

– Voor ophangen van bordjes naar nooduitgangen en vluchtwegen, moet je zeker advies inwinnen. Uit simulaties en testen, weten we dat mensen bij brand en paniek, de weg kiezen waarlangs zij zijn binnengekomen om uit de ruimte te raken, en dus niet via de daartoe aangewezen vluchtwegen en nooduitgangen. Zelfs een figuur van autoriteit die bij een brandalarm de mensen wijst op de vluchtwegen, heeft nagenoeg geen effect (wel een beetje); Mensen vertonen `scripted’ behaviour, en zullen de weg van het bekende en herkenning opzoeken: de weg via welke zij binnenkwamen (Sime, 1983, 1985). Het is anders wanneer de bezoekers een zekere groepsband met elkaar voelen.

Meertaligheid? Liever signage met duidelijke combinatie beeld/tekst∫. Uiteraard moet je het faciliteren als het nodig is. In het geval van musea en de teksten bij de artefacten, is uit onderzoek bekend dat meertalige begeleidingsteksten een negatieve invloed hebben op de bezoeker. Of dit ook geld voor algemenere signage, is mij in die context niet bekend.

Tot slot nog wat leuke tools

Walk [Your City] – Open source guerilla wayfinding

 Sound Tourism: A sonic tourist guide

Digital Signage: open source signage software

Meer links en tools 

Dit artikel staat ook op ISSUU

Trends: Big data, urbanist playground en social design

Social design: Terug van weggeweest!

Het heeft even geduurd, maar social design is terug. Daar waar voorheen de scheiding tussen kunst, sociale wetenschappen en technologie, het fenomeen social design, gezamenlijk binnen contouren van welzijnswerk en verlengde studies hielden, lijkt de comeback nu vooral het domein van urban design, die via big data, het engagement van de gemeenschap vormgeven en vooral de stad gebruiken als interface voor implementatie van beleid.

Social design kan rekenen op steun vanuit een groeiend aantal “undercurrents”, die voorheen vaker aan de zijlijn meededen, voor het vormgeven en veranderen van sociale processen en structuren in de publieke ruimte. Dat heeft onder meer te maken met de groeiende big data-mogelijkheden en de creatieve en wetenschappelijke toepassingen die momenteel een vogelvlucht beleven. Daarnaast is er sprake van een zich terugtrekkende overheid.

” Wat doet een creatief concepter met deze trend?”

Creative concepting is een veld waarin meer wetenschappelijke inzichten samenkomen, dat is op zich niets nieuws. Als creatief concepter ben je veel meer imagineer; je bouwt verder op de stand van zaken. Imagining from the top down and engineering from the bottom up. De teruggekeerde trend van social design, is in de “nieuwe” vorm veel meer gebaseerd op bruikbare wetenschappelijke inzichten, die via nieuwe tools zichtbaar gemaakt worden, ook voor een groter publiek. Het verlegt de zichtlijnen voor concepting aanzienlijk. Concreet kan een creatief concepter, opdrachtgevers directer en concreter inzicht geven in processen die spelen bij het in kaart brengen van hun publiek, hun gedragingen en motivaties, en die inzichten direct implementeren.

Eenmaal aanwezige kennis in de stad, blijft ook bewegen binnen de stad. Wanneer grote festivals uit de stad zijn verdwenen- bijft er de mogelijkheid tot her-engageren van alles wat het festival in de gemeenschap heeft losgemaakt. In de draden die de stad bindt, zijn de vezels achtergebleven van het verdwenen festival. Voor speciale gethematiseerde routes van het festival, waren mensen opgeleid om die routes te begeleiden, de uniformen of t-shirts van de honderden vrijwilligers, zijn nogsteeds in het stadsbeeld aanwezig, gelegde connecties tussen organisaties die binnen het festival samenwerkten, zijn nog aanwezig, de verschillende spelers zijn aan elkaar voorgesteld en een werkrelatie in gang gezet, waarvan de wederzijdse voordelen die voortkwamen uit de samenwerking, ook buiten het desbetreffende festival nog relevant zijn. Dat zijn vezels die nog actief zijn, en die je kunt aanspreken. Zo niet direct dan wel op symbolische wijze.

Consequenties van deze trend zijn dat bovengenoemde processen- die niet nieuw maar wel abstract zijn- makkelijker kunnen worden in beeld gebracht voor (liberale) overheden en het nut er van kan worden aangetoond en bekrachtigd. Het geeft ons als culturele sector bovendien een mogelijkheid (wederom) de noodzaak van kunst en cultuur aan te tonen en te bekrachtigen. Aan de minder zonnige zijde, moeten we er voor waken ons niet voor het karretje te laten spannen.

Big data voor het onpeilbare nu

Via GIS toepassingen (geografische data) kunnen we al langer bewegingen in beeld brengen, zoals wandelgedrag van voetgangers, verkeersbewegingen en demografische gegevens van klanten en publiek tracken. Echter, is het in toenemende mate mogelijk, menselijke processen in kaart te brengen, die voorheen voor het blote oog en begrip, onzichtbaar bleven.

– Hoe reageren voetgangers op een interactieve stad of op interactieve onderdelen? Wat nu, als de stad ” terug praat ” als wij ons bewegen? De resultaten zijn verbluffend. Voetgangers blijken volledig van slag te raken bij het interactief maken van delen van de stad. Piepkleine ingrepen hebben een diepe impact op ons gedrag. Gedragingen die voor het blote oog onzichtbaar blijven, maar met simulatie tools zichtbaar gemaakt kunnen worden.

Living cities visualization by HERE and CartoDB from vizzuality on Vimeo.

– Wat is het menselijk gevoel voor aesthetiek? Hoe meet je de intensiteit van een blik als we naar een schilderij in een museum kijken? De output is zo ontzettend subtiel, dat onze techniek het niet naar leesbare data kan omzetten. Door de intensiteit van een “gaze” aan een vertraagd akoestisch signaal te koppelen, is het warempel genoeg om hier data mee te visualiseren. We weten steeds meer van de menselijke emotionele reactie op bijvoorbeeld een berg, een landmark in de stad, maar die zijn wel cultureel bepaald, hoewel we op punten ook collectief min of meer hetzelfde reageren. Welke effecten hebben aanpassingen in het landschap, op de gezondheid van bewoners? Welke communicatieve kwaliteiten heeft het beeld van een boom op een berg en hoe dragen wij die emotionele toewijzingen verder, de wereld in? Een schilderij met een groen landschap, brengt bij ons een prettig gevoel teweeg, terwijl we een schilderij met dor gras en gewas, associeren met ziekte en verval. De boom op de berg op een schilderij, communiceert een universeel gedeelde waarde aan ons; hoe kan het dan toch dat de boom op de berg in de Ardennen, op een andere manier beleefd werd dan de boom op de berg in zuid-Limburg? Dankzij vele  nieuwe crowdsourcing-methoden, kunnen we die toeschrijvingen- die dragers van tacit knowledge -steeds doeltreffender aan wetenschappelijke bevindingen koppelen, die ons doen helpen de mens en zijn omgeving te begrijpen. Dat is ook voor de beeldende kunst van belang. Zo zijn we steeds dichter bij de ontsluiting van de geheimzinnige glimlach van de Mona Lisa!

Leaking from new infrastructures: Herontdekking van de geo-politiek van de kunstensector

Urban studies en big data maken het mogelijk om verschillende gebruikers van de stad, vorm te geven, te “mappen” naar gebruik, ritme en invloedssferen. Binnen dit onderzoeksgebied is een groeiende aandacht voor de vraag via welke gebruikers van de stad, men het beste de gehele stad kan betrekken en bereiken. Zo is er een groeiend inzicht in de gebruikers van culturele “spaces” en hun bewegingen door de tijd heen. Men ziet de manier waarop de kunstensector zich tot in de vezels van de stad heeft genesteld, via gebruik van transitiegebieden, kraak, anti-kraak, herbestemming voormalig industrieel gebruik en het festival-terrein. Hiermee is de kunstensector een aantrekkelijke groep om in te zetten voor engagement en storytelling, voor een groot aantal toepassingen. Varierend van gamification van herontwikkeling van het stedelijke gebied, tot grootschalige evenementen als culturele hoofdstad, Bosch 500, Euregio en grote festivals.

Measure for Measure - kopie

De neo-liberalisering van de stad en determineren van stadszones naar hun economische groeifuncties in plaats van culturele, artistieke zend- en ontvangstkwaliteiten, lijkt een onverwachte keerzijde te hebben: De cultuursector blijkt onmisbaar als middel om de stad te engareren bij grote projecten, omdat zij tot in de vezels van de stad zijn doorgedrongen, door de jaren heen, en de kwaliteit in zich herbergen om die aanwezigheid in de stad ” te lekken”, via nieuwe alternatieve infrastructuren, dwars door de stad heen, van onderop. Zij beheersen te kwaliteiten die nodig zijn om- zonder gebonden te zijn aan vastomlijnde fysieke grenzen, kennis en middelen tot overdracht en engagement, naar een groter publiek te tillen. Daarnaast hebben zij de kwaliteiten om groter publiek naar de plaatsen te brengen die in communicatie voorzien met andere delen van de stad, daar waar conventionele place-making dat niet kan.

Real-time harvesting big data: Zwarte Piet richting noorden

Menselijke eco-systemen begrijpen en direct -live- extraheren en sturen, biedt ongekende mogelijkheden. Welke mensen zijn positief gestemd op dit moment? Welke hebben minder goeie intenties? De laatste groep komt over een uur per trein aan op Amsterdam CS.

Uit crowd-control simulaties en uit eerdere ervaringen, weten we dat zij zich te voet, via Damrak in een bepaalde densiteit die gevolgen heeft voor de doorstroom van verkeer vanuit zuid, zullen bewegen richting Dam. Live kan worden gezien dat de groep zich mengt met mensen die Loom armbandjes verzamelen, en dat zij zich- vanwege een kortingsactie bij de Bijenkorf in Amsterdam -in dezelfde trein begeven als de mensen die minder goede bedoelingen hebben.

Via sociale media, via direct-marketing campagnes, geven we een alternatief adres op, waar met nog hogere korting Loom armbandjes kunnen worden gekocht. Live zien we dat men elkaar gaat sms’sen en whatsappen, statussen op Facebook worden gedeeld, en dat zij inderdaad op Amsterdam-Amstel massaal uitstappen om zich naar het alternatief te begeven, waardoor de groep met minder goede intenties en de verzamelaars van armbandjes, zich op het juiste moment hebben gesplitst.

Via een andere weergave zien we live, dat bezoekers van het Rijksmuseum, nog even de stad in lopen om wat te drinken. 40 % van de groep mensen in Amsterdam, die gisteren bij Mc. Donalds een happy meal kochten en dit deelden via Twitter, hebben vandaag nieuwe kleren aan- voornamelijk rood -en 20% van die groep mensen, houden van rockmuziek, lezen de Volkskrant en gebruiken vaker openbaar vervoer dan mensen die een hamburger bij Burger King kochten.

Tot besluit nog een extraatje:

Jouw telefoon weet straks precies waar jij over 20 uur bent. Wist je dat zelf eigenlijk al? Zou best eens kunnen van niet!

Bronnenlijst, links, tools en resources

Groeiende lijst met bronnen en resources, tools en links

Hoewel het niet de intentie heeft volledig te willen zijn, werk ik regelmatig de nieuwe lijsten met links bij. Ook de bronnen die in blogs en research zijn gebruikt, zijn terug te vinden in de bronnenlijst, die ik regelmatig bijwerk.

De lijst met links naar tools, resources, artikelen, software en research-projecten, is te vinden via deze link, rechtsboven op de site.

Onder die pagina zie je een link naar de bronnenlijst.

Ook bouw ik aan een lijst met termen en vaktermen, die in blogs genoemd worden. Te vinden via de pagina “Glossary”, bovenaan de site.

Nieuwe methode in ontwikkeling: Staging the museum – scenariobuiding voor museumprofessionals

Staging the museum – scenariobuiding voor museumprofessionals

Momenteel in ontwikkeling. Dit is een verkorte uiteenzetting van de inhoud.

In deze serie workshops – speciaal gericht op kleinere musea -leren de deelnemers op een andere manier te kijken naar bezoekersgedragingen en de resultaten van onderzoeksmethoden, direct toe te passen in de praktijk- als museumgids, als directie, als vrijwilliger of als kunstdocent. Met deze methode dichten we het gat tussen wetenschappelijk onderzoek en concreet gebruik van de resultaten in de praktijk, door zowel museumvrijwilliger als professional. 

Methodologie:

Grofweg gaat de deelnemer via abstractie (concepten, zienswijzen, softmaps) naar concreet werkbare draaiboeken. Hiervoor maken we gebruik van het gratis programma Celtx- software waarmee relatief eenvoudig een televisie/filmscenario kan worden gemaakt en ingericht. Dit programma bevat ook de mogelijkheid om tekst te annoteren en te voorzien van labels, waardoor per “scene” heel makkelijk een beeld verkregen wordt van direct te beinvloeden omgevingsfactoren, als doorzichten, sequenties in de opstelling van de expo en gebruik van licht en geluid. Tevens alle contactpunten tussen museum en bezoeker.
Via biografische aantekeningen van de museumbezoeker, door observatiemethoden in het eigen museum bijeengrbacht, ontwikkelt Aan de hand van dat scenario, vult de deelnemer de ontstane cases aan, tot een volwaardig draaiboek, waarmee ook concreet gewerkt kan worden, in de praktijk. Het omvat daarnaast ook een professioneel licht- en geluidsplan en een complete “breakdown-database” .de deelnemer een set kenmerken, waarmee hij/zij scenario’s gaat ontwikkelen in Celtx.

Parallel aan het hele proces, krijgt de deelnemer individuele coaching bij de rondleidingspraktijk, waarbij we niet alleen technieken uit de theaterpraktijk gebruiken, maar ook resultaten uit onderzoeken naar publieksbeinvloeding en ruimtegebruik, direct toepassen op de situatie.

Beknopt overzicht inhoud methode:

  • Van concept naar scenario naar volledig draaiboek
  • Vertelperspectieven: onderzoeken en kiezen
  • Creatieve technieken, point-shifting;
  • De ruimte gebruiken als decor;
  • Het gebouw zelf vertelt ook al een verhaal: spatial narrative, pacing, sequenties;
  • Wayfinding van publiek binnen gebouw en expo;
  • Eigen script schrijven en het verhaal doen;
  • Stemgebruik en invloed van de gids op publiek, spanningsboog en concentratie;
  • Non-verbale communicatie;

Wat mis je nog?

Zijn er zaken die jullie als museum professional, als bezoeker of vrijwilliger nog missen? Geef gerust voorstellen en tips, via de comments.

 

Deel 3: De artiest en het publiek

Deel 1: De live concertervaring verrijken: holistische benadering

Deel 2: Tacit knowledge: de zaal en stedelijke context

Deel 3: Live-ervaring: de artiest en het publiek

Een inspirerende afspraak plannen, naar aanleiding van deze blog? Mail me gerust voor een ontmoeting. acts@la-clappeye.nl

 

Live-ervaring: de artiest en het publiek

In het licht van tacit knowledge (zie ook delen 1 en 2) en het interpreteren van symbolen, kan het een idee zijn om eventuele improvisaties die spontaan kunnen ontstaan op het podium, pas te laten plaasvinden wanneer de band al een band met het publiek heeft bevestigd. Publiek kan zich van deelnemer naar buitenstaander voelen, op het moment dat de focus van de band binnen hun eigen dynamiek komt te liggen, en minder naar het publiek is gericht. Dit ” aura” kan breken en de band methet publiek heel snel doen veranderen. Dat is niet bij elk genre het geval, overigens. Een rock-artiest met hoge status (ook binnen de band zelf) of bekendheid, kan er mee wegkomen, daar hij de status heeft de improvisatie te kunnen afbreken of laten voortduren.

Inherent aan het genre (door bv tempo) is dat het publiek zijn aandacht makkelijk laat sturen richting een door de band bepaald focalpoint. Ook de hoogte van het podium is dan van belang, net als de afstand tussen band en publiek, Zoals bij elke improvisatie, bedienen de deelnemers zich van een ” geheimtaal” waarmee ze elkaar onderling toespreken. Niet een driekwarts maat, maar “doe die rare ribbel maar”, niet zelden door gebaren of knikken naar elkaar toe. Daarmee kan gerefereerd worden aan een eerdere onderlinge ervaring, waar het publiek geen deelgenoot van is. Een onderling begrijpen, waar het publiek niet altijd in mee kan gaan. De belangrijkste motivatie om een interactie aan te gaan, is de invloed van reciprociteit op elkaar. Bij een optreden, is dat deels een een-richtingsverkeer, maar de performer en het publiek hebben in deze context met elkaar “afgesproken” dat er een reciprociteit is, die zich binnen het aura tussen artiest en publiek bevindt. Onder de 6 punten waarop het publiek een artiest beoordeelt (zie onder), geeft men ” gazing” (staren) een heel hoog cijfer, wanneer het gaat om aangekeken te worden door de uitvoerende artiest, tijdens het concert. Dit punt werd ook zo hoog beoordeeld door concertbezoeker onderling. Ook klassieke musici, doen graag actief en receptief aan gazing. Gek genoeg zijn het juist de pop en rock-muzikanten, die hier juist minder waarde aan hechten. Een andere opvallende conclusie was, dat klassieke musici, zowel bij het optreden als bij de repetitie, met hun gezicht de zaal in stonden/zaten, terwijl de pop/rock-artiesten repeteren met het gezicht richting de achterliggende band: de repetitieruimte formatie dus.

Kleine, ogenschijnlijk onbelangrijke details, maar ze hebben directe invloed op de concertervaring. Aanbeveling voor de popmuzikanten: Als je repeteert, keer jezelf dan richting de zaal, al is het een blinde muur in de repetitieruimte. Die energie moet niet ter plekke- op het podium -nog even worden uitgevonden! Het publiek heeft zich na 15 / 20 seconden luisteren, al een oordeel gevormd. Dit bepaalt al voor een groot deel het “aura”.

Er zijn enkele standaardvormen in fysiek gedrag, waarmee het publiek zich een impressie van de artiest vormt. Dit is o.a. het resultaat van het gebrek aan reciprociteit. De belangrijkste motivator voor menselijke interactie. Je kunt voor een groot deel ook varen op de voorkennis van het publiek: voorkennis van jou, van het genre, van de zaal, de vorm, het lichtplan. Dit fenomeen heet Evaluated Expectancy: a psychological phenomenon through which positively valenced feelings can be evoked. Vreemd genoeg is dit laatste fenomeen bepalender bij de evaluatie van muziek, dan de algehele indruk die je hebt gemaakt. De beoordeling van muziek, is in hoge mate afhankelijk van verstreken tijd. Hoe later in de live-ervaring je de muziek gaat beoordelen, hoe positiever de uitkomst is. De beoordeling komt nl. tot stand door een serie van opeenvolgende beslissingen, die niet onafhankelijk van elkaar werden genomen.

Het publiek vormt zich een oordeel en meestal berust het daar in. Als het publiek ongepast gedrag bij je waarneemt, kan dit de validiteit van je performance, schaden.

Cues in performer-performer en performer-audience interaction

Platz en Kopiez (2013) onderscheiden 6 manieren (en een aantal sub-sets waarik hier verder niet op in ga), waarop een artiest kan doen aan impressie-management, om bij het publiek een bepaalde impressie te genereren:

  • Door knikken;
  • Staar-richting
  • Jezelf aanraken;
  • Beenafstand bij het staan;
  • Stap-afstand;
  • Resolute uitdrukking.

Dat zijn- naast gechoreografeerde handelingen, fysieke kwaliteiten waarmee een performer zich bij het publiek een indruk kan geven. Daar moet men zich tijdens het optreden bewust van zijn omdat de nabijheid van het publiek vraagt om een mate van reciprociteit,die je ook buiten het podium tegenkomt. Als je je bijvoorbeeld te lang richt op een persoon in het publiek, verplaats je het ” aura” van de performance en de spanning die je met het pubiek hebt opgebouwd. Die spanning heb je nodig, net als het aura, omdat dit de conceptuele ruimte is, waarbinnen je je begeeft, als artiest. Die bestaat niet alleeen uit de innerlijke wereld van de performer, noch uit alleen maar het gespeelde materiaal. Een performance gebruikt alle daar aanwezige personen!

Immersieve ervaringen, bijvoorbeeld, vragen om een zekere passiviteit bij het publiek. Publiek bij een symfonisch concert, kan als redelijk passief worden gezien, maar hebben toch een immersieve ervaring, juist door die passiviteit. Wanneer je wil gebruikmaken van sociale netwerken, doelgroepen gebaseerd op een gedeelde lifestyle, volg je een heel ander ritme en manier van bereiken, dan wanneer je voor je concert put uit een bestand met publiek. De manier van beleven is voor een klassiek publiek heel anders dan voor een publiek waarbij veel interactie verwacht wordt, van het publiek EN van de artiesten. Zo kan het de flow van de live concertervaring van een bezoeker van een klassiek concert hinderlijk verstoren, wanneer vooraf al de afstand tussen artiest en publiek gelijkgetrokken werd. Door meet-and-greet, door te populair taalgebruik, door een te jolige inleiding van het concert, door te véél informatie te geven, zelfs stemgebruik bij de inleiding kan heel leidend zijn voor die concertervaring. Men zal eerder een ” acousmatic” voice prefereren (zie ook het fenomeen “liveness”), boven een stem die heel beeldend is. Dat schept een afstand tussen podium en publiek die nodig is, voor een immersieve ervaring door min of meer passief publiek. Eigen aan klassieke muziek, is dat het beter in staat is, emoties over te brengen. Populaire muziek, daarentegen, is beter in staat om emoties uit te lokken. (Simon Frith)

 

Voorbeelden van 2 concrete toepassingen van embodied knowledge / movement door wetenschappers:

 

 

Researchproject IPEM Gent: MEGA: modeling expressive and emotional content in non-verbal interaction

” The project is centered on the modeling and real-time analysis, synthesis, and networked communication of expressive and emotional content in non-verbal interaction by multi-sensory interfaces, from a multimodal perspective. Music (including singing voice) and movement (including dance) are first class channels for conveying expressive and emotional content.

http://www.megaproject.org

Many research projects are currently focused on developing applications in mixed reality (MR), virtual environments (VEs), and inhabited information spaces (IISs). In these environments the extraction and synthesis of expressive content are of paramount importance for enhancing usability and communication in computer multimedia where inputs and outputs can be represented by music signals, visual media, or robot movement in robot-human interaction. This project is centered on the modeling and communication of expressive and emotional content in non-verbal interaction by multi-sensory interfaces. In particular the project focuses on music performance and full-body movements as first class conveyors of expressive and emotional content. Real-time, quantitative analysis and evaluation of expressive content in different performances of the same musical score, or in different performances of the same dance fragment are examples that will result from the project. Our approach implies a new and original consideration of the role that the physical body and the physical world play with respect to interaction. Such interaction mechanisms are not limited to single humans, but they may be extended to groups of humans, such as a group of actors on stage or a group of visitors in a museum or a group of music performers, considering the group as a whole entity. “

Capturing Dance Movements, Intensities and Embodied Experiences: Research Into New Possibilities of Digital Media for Dance Analysis and -Notation based on Fase (1982) by Anne Teresa De Keersmaeker and ROSAS.

” The research project falls under the scientific domains of performing arts, systematic musicology and computer sciences. The capturing of dance movements, dance experience and embodied expression in a performance constellation provides a particular challenge for expanding IPEM’s approach to the digital topological analysis and description of basic gestures performed by a single individual body to the analysis and description of more complex dance movements and choreographic phrases performed by several interrelating dancers. The extended application of MoCap and the related analysis will create new opportunities and possibilities for dance analysis, dance notation, and dance archiving.
This research project aims at finding new opportunities and possibilities of digital media for dance analysis and notation based on Fase by the Flemish choreographer Anne Teresa de Keersmaeker and her dance ensemble ROSAS”

 

Deel 2: Tacit knowledge: de zaal en stedelijke context

 

In deze serie van 3 blogs, 3 verschillende benaderingen voor het versterken van de live concert-ervaring

Deel 1: De live concertervaring verrijken: holistische benadering

Deel 2: Tacit knowledge: de zaal en stedelijke context

Deel 3: Live-ervaring versterken vanuit de artiest

Een inspirerende afspraak plannen, naar aanleiding van deze blog? Mail me gerust voor een ontmoeting. acts@la-clappeye.nl;

Dit artikel staat ook op ISSUU 

Een perspectief vanuit tacit knowledge, tijd en plaats in de stedelijke context

De vorige blog (deel 1) ging over belevingen vanuit het perspectief van de experience designer. Ik maak een korte maar niet onbelangrijke omweg via het begrip tacit knowledge [ref]Chomsky (1965) said: ‘Obviously, every speaker of a language has mastered and internalized a generative grammar that expresses his knowledge of his language. This is not to say that he is aware of the rules of the grammar or even that he can become aware of them.’ This internalization of the rules or principles of a generative grammar is usually described as tacit knowledge and the claim that each language user tacitly knows a generative grammar has been a core element of Chomskyan linguisticsand cognitive science (e.g., Chomsky 1986: ‘the central concern becomes knowledge of language’).[/ref], in verhouding tot de spatial urban syntax.

“ Existential phenomenologists argue that, if we are to understand ourselves as human beings and the worlds in which we live, we must ground that understanding in a conception and language that arise from and return to human experience and meaning. There is no world “beneath” or “behind” the world of primordial lived experience, and existential phenomenologists are skeptical of any conceptual system that transcribes human life, actions, and experience into secondhand, reason-based presentations—for example, positivist-analytical accounts that necessarily convert experience and meaning into tangible, measurable units and relationships that are claimed to represent some empirical trace of their original lived source. “ David Seamon; 2004

Tacit knowledge is dus niet alleen conceptuele manier van denken en een abstractie. Ook in andere wetenschappen erkent men het bestaan en belang van tacid knowledge en de invloed daar van op onze interactie met de fysieke wereld. De band met space syntax is verbluffend actueel.

Space Syntax: methodology was developed by Hillier and Hanson (1984) and consists on the correlation of natural movement patterns in the urban grid. Space Syntax is useful for the understanding of the formal logic of the urban fabric, in what concerns its evolution and the emergence of centralities and living open spaces where the main urban activities take place (…)

(…) what is required for the development of an integrated methodology and theory is a clearer understanding among historians of how space influences society, culture and economy. This will create a platform for more analytical applications of the Space Syntax theory in the analysis of historical space. (…)”

 

Een overstijgende kwaliteit die voortkomt uit een systeem van kleinere onderdelen, en op zichzelf- als entiteit -interacteert met de omgeving en met andere- als entiteit communicerende- overstijgende kwaliteiten, zijn zgn “emergent qualities.”

” (…) emergent entities (properties or substances) ‘arise’ out of more fundamental entities and yet are ‘novel’ or ‘irreducible’ with respect to them. (…)”

De concert experience op het moment zelf, is een “emergent quality” van alle daar aanwezigen. Of men nu als publiek uit Limburg en Drenthe naast elkaar staan, men is onderdeel van een ervaring. Dat wil zeggen, ervaren waartoe zij zijn geprogrammeerd te ervaren. Geprogrammeerd door tacid learning. Lees ook over het concept tacit learning en het begrip space ballet. Dat verklaart waarom het publiek in dat pand is (residual meaning), met juist deze functie, in dit deel van de stad. Lees over de duidelijke overeenkomsten van de urban space syntax. Dit concept is door wiskundigen en andere exacte wetenschappers- weliswaar schoorvoetend -overgenomen, maar men voelt er zich vanuit die tak van wetenschap nog niet zo prettig bij. Toch is dit fenomeen,  ook in de architectuur en stadsplanning, een bekende methode om te kijken naar de veranderende structuur van de stad, de mens en de processen binnen de leefomgeving. Niet alleen om veranderingen mee in kaart te brengen om de stad mee in te richten, maar zeker ook om mee te begrijpen hoe de omgeving zich heeft gevormd en hoe ons gedrag daarbinnen te verklaren is.

 

Network view, tacit knowledge and learning
Network view, tacit knowledge and learning

 

Zo hebben de inwoners van een voorsprong middeleeuwse ommuurde stad, zoals Den Bosch, ook kenmerken in hun gedrag die horen bij de layout van de stad. De muren dicteren een bepaalde structuur van de straten, waarin de huizen vrij dicht op elkaar staan, en de straten de functie hebben van een doorgangsroute, met 3 hoofdwegen, die samenkomen op het belangrijkste plein. Inmiddels zijn er wijken buiten de binnenstad bijgekomen, met inwoners die de Bosschenaar net zo goed als een Bosschenaar beschouwt, zoals ook iemand die in de nieuwe wijk achter het station woont, maar toch is er een verschil. Dat zit hem in de perceptie, zoals we die hebben ontwikkeld, door de eeuwen heen. Alleen al de omschrijving “voor” en “achter” het station, zegt heel veel over de inwoner van de binnenstad. Zelfs mensen die wonen in de buitenwijken, gebruiken het perspectief van de historische binnenstad en hebben het ook over “voor” en “achter het station. Er kan een groot plein achter het station liggen, maar dit aan zicht en beleving onttrokken, door station en door tacit learning, kent weinig interactie met andere delen van de stad, dus zit het ook niet in de dagelijkse routine, niet binnen de zichtlijnen van de bewoners van de binnenstad. Dat heeft behoorlijke consquenties, zou je daar een concertzaal of theater willen hebben.

Het is een volstrekt kunstmatig aangelegd plein, ook in conceptueel opzicht; het is geen transitiegebied en vanaf “achter” het station bezien, is het hooguit een aanlooproute en geen plaats van bestemming. Een aanlooproute naar een centrale plek als een plein, is historisch gezien een plek, waar ook belangrijke functies niet aanwezig zijn. Als je kijkt naar Den Bosch en de Markt aldaar, zie je een plein waarop straten samenkomen,die doorgangsroutes vormen, via de belangrijkste toegangswegen van buiten de stad, naar de Markt.

De live-ervaring verlengen vanuit de zaal als plek

De sociale context waarin dat kan plaatshebben, moet je niet los zien van de rituele of ritualistische handelingen die onderdeel moeten gaan vormen van de flow waarin je de bezoeker wil krijgen. Men moet de bezoeker niet te snel te willen binden aan de concertflow. Zeker in een tijd waarin bezoekers niet meer zo gewend zijn aan een flow met een lange spanningsboog en de geringe mogelijkheid voor makers om een producer-generated flow te maken, waarin het publiek van begin tot eind in een door de maker bedachte flow blijft, moet je zorgen dat je genoeg ruimte laat voor andere processen, waarmee het publiek zich laat binden.

 

kaartjes den bosch

 

Bijvoorbeeld door remediation van het gebouw. Veel concertzalen zitten in panden die voorheen een andere functie hadden. Toch zit daar nu een concertzaal of theater. Er waren dus al kwaliteiten en eigenschappen in het gebouw en de omgeving, die gebruik voor een theater of concertzaal toestonden. Zoals W2 Poppodium en de Toonzaal in Den Bosch.

Ligging W2, Toonzaal en Verkadefabriek
Ligging W2, Toonzaal en Verkadefabriek

” In order to operate effectively in environments, in order to survive by our wits in the Savannah or in the shopping mall, we need to assess the environment’s potential to hinder or facilitate our goals, that is, we need to comprehend or “read” environmental meaning. (…) Stokols ( 1981) refers to place- based meaning as “the nonmaterial properties of the physical milieu – the sociocultural ‘residue’ (or residual meaning) that becomes attached to places as the result of their continuous association with group activities’. He further suggests that place-based meanings form the “glue” of familiarity that binds people to place (…)” (Place identity: symbols of self in the urban fabric. Blz 110)

Bijna altijd hadden die panden- in hun oorspronkelijke functie -kenmerken en kwaliteiten die het herbergen van grote groepen mensen toestond, die nu door de zalen worden benut. Zo niet de panden zelf, dan wel door de fysieke omgeving, die was ingericht om een bepaald stedelijk ritme te faciliteren. Er zijn veel invalshoeken waarmee de wetenschap kan kijken naar de stad en naar panden. Binnen de humanitaria, kijkt men ook naar de stad en de omgeving, als zijnde een groot boek met verhalen en structuren. Als je die met tacid learning vergelijkt en goed gaat kijken, kun je zeggen dat de taal die het gebouw spreekt, er eentje is die we misschien niet meer goed kunnen verstaan, maar waar van de betekenis zo diep in ons en onze gedragingen zit, dat we op zijn minst aanvoelen wat het tegen ons zegt. Al jaren bekijken wetenschappers naar de stad en haar structuur en bevollking, alsof het een podium is, met attributen en acteurs. Laat ik voor nu volstaan met de vergelijking dat de acteurs van destijds weliswaar zijn overleden, maar dat de rollen die zij speelden, nogsteeds bestaan. Ze lopen nogsteeds over dezelfde wegen, schuilen nogsteeds onder dezelfde boom. Toch zijn de randgebieden van toen- waar onder andere de Willem II fabriek, Verkadefabriek en de Heus (fabriek) stond, geen transitiegebieden. Ze lenen zich wel uitstekend als verbindingsfunctie voor regionale verspreiding van kennis, als culturele “hub”, omdat de omgeving niet meer is ingericht op inter-regionale netwerken, maar omsloten door functies die het verkeer voor industrieel gebruik verhinderen. Naar contouren van kennis-netwerken, kent iedere Bosschenaar wel iemand die beroepsmatig op de een of andere manier met een van de fabrieken te maken heeft gehad. Dat is een tacit quality van die industriële omgeving, waar een cultureel “hart” echt iets aan heeft; al is “hart” hier niet de juiste benaming meer voor. Het gebouw waar poppodium W2 zit- een voormalige sigarenfabriek -werd onlangs verbouwd en voorzien van nieuwe functies, waaronder diensten van nieuwe soorten creatieven, die een kantoor-ritme suggereren.

Laat ik de Toonzaal als voorbeeld nemen.

– Ligging: Aan de buitenste rand van het centum van Den Bosch. Nu in het centrum, toen het gebouwd werd in de 19e eeuw, stond het aan derand van de stad, maatschappelijk gezien, in de periferie van de stad. Gezien de veranderende demografie, lag het gebouw toen aan de rand van een relatief arm gebied, nu ligt het in een omgeving van relatief hoge welstand, waarin een groot deel van de omgeving niet voor bewoning is bestemd.

Die perifere functie werd overgenomen, toen het concertzaal werd. Periferen horen meestal alleen bij de gemeenschap omdat ze kwaliteiten hebben, die anderen niet hebben of niet op het juiste moment. Denk maar aan rondreizende zigeuners en kermisvolk, in vroeger tijden. Net als Joden, die als intermediair dienden in grensgebieden, omdat het de gereformeerden verboden was om met katholieken te handelen. Dat is voor de plek van de kunsten eigenlijk hetzelfde. Het is in marketingtermen minder makkelijk te ” culten” dan de W2, gezien de sacrale aard va het gebouw en de recente geschiedenis van WO II.

– Functie: Voormalige synagoge toen,concertzaal nu.

– Kenmerken van het gebouw toen:
Centrale gebedsruimte met grote rituele afstand tussen de geestelijke en de gelovigen;
Ook grote fysieke afstand binnen het gebouw tussen geesteljke en gelovigen;
Ligging niet nabij de grote toegangswegen naar de stad. Geen bestemmings-functie.

– Kenmerken van het gebouw nu: Centrale concertzaal, met grote afstand tussen bezoeker en artiest, door onder meer een lange fysieke afstand tussen publiek domein en de eigenlijke zaal, symmetrische opstelling vanwege placering van de stoelen en een nogaanwezige altaarkast, nog eens vehoogd door het grote verschil in akoestiek tussen foyer en zaal en een te hoog podium. Tenslotte de looplijnen binnen het theater. Rechterkant voor de gelovigen/bezoekers, linkerkant voor de rabbijn/artiest. Fysiek gezien, is er maar een weg naar binnen en een naar buiten. Een akoestieke overgang vanuit foyer naar de zaal, die bij het publiek het sacrale karakter van de ruimte extra benadrukt. In het muziekcircuit, staat de Toonzaal bekend om zijn goede akoestiek. De Toonzaal is een locatie waarvoor de bezoeker zijn bezoek van tevoren zal plannen.

Hoe gebruik je nu die kenmerken- de taal van het gebouw zelf, de ligging, de voormalige functie- ook als deel van de stedelijke omgeving en als visueelherkenningspunt in de stad -in je voordeel gebruiken? De vergelijking gebedsruimte en concertzaal en geestelijke en artiest, lijkt flauw, maar de bezoeker van nu, reageert net zo. Dat heeft ook grote voordelen. De decodering van tacit kwaliteiten is vrij “direct” te noemen. De gemeenschappelijkheid van de ervaring van aesthetische kwaliteiten, is vrij snel aanwezig, omdat de voorwaarden daartoe, voor een groot deel al verborgen liggen in de voormalige functie van de zaal, als gebedsruimte, de layout en de grote overgang tussen het concert en de publieke ruimte.

Interacties leefomgeving, waaronder space syntax en tacit learning

 

Ritme, gebruik en clusteren

Kijk als zaal nou ook eens naar de kwaliteiten van het oorspronkelijk gebruik: Een oude fabriek heeft toevoerswegen nodig voor materialen, moet centraal liggen vanwege de arbeiders die er dagelijks moeten komen werken, heeft een plek in het stedelijk landschap veworven, die is gaan uitmaken van een hele nieuwe manier van de weg vinden. Werken als 20-jarige in die fabriek, tekende destijds in een klap, het hele sociale en maatschappelijk leven van de arbeider af, in die paar woorden: Ik ben sigarensorteerder bij Willem II. Dat zijn kenmerken die nogsteeds in de kieren van de stad zijn terug te vinden. Kenmerken die je kunt aanspreken en benutten, als je een beetje out of the box kunt denken en kijken

Voor abonnementen is het interessant te weten dat clusteren en serialiseren heel goed kan werken omdat het steedsweer herhalen van min of meer dezelfde (live)ervaringen een verlangen bij de bezoeker opwekt, dat deelname hem doet groeien, dat hij er iets van opsteekt en er bij elk bezoek beter van wordt. (Pine & Gillmore). Als je er vervolgens een loyalty instrument aan toevoegt, die op die behoefte inspeelt (stempelkaart, klinkt ouderwets maar heeft zo zijn voordelen), kan dat mooi werken om de live beleving bij het publiek te versterken. Absolute voorwaarde is wel, dat je heel goed weet wat het publiek al weet en hoe je kunt aanvullen op hun kennis.

Hoe anders werkt dat bij live concerten met een hoger tempo? Heel algemeen kun je stellen dat een publiek met hogere participatiebehoefte, een jonger publiek is. Heel andere wensen en kenmerken ook, heel andere benadering van de live ervaring. In vicarious experiences- het spiegelen van ervaringen waardoor je de sensatie van de ervaring beleeft zonder de eigenlijke fysieke activiteit te verrichten, heeft men een ” model” nodig, die bepaalde kenmerken heeft, waarmee wij de geloofwaardigheid van de te spiegelen ervaring beoordelen. Naast de kenmerken sociale macht en competentie, is ook hoge status van groot belang. Ook om die reden is het van belang, het ” aura” in stand te houden, de scheiding tussen band/artiest en publiek in stand te houden. Daarmee bedoel ik niet arrogant of elitair, maar een rituele en conceptuele markering tussen de 2 domeinen. Dat kan al in de vorm van een verhoogd podium of belichting/lichtplan zijn. Het is geen goed idee om als band, voor het optreden al in de zaal of foyer te zijn.

Eigen aan een live-ervaring, is dat die in het hier en nu wordt ervaren. Als het moment en de ervaring voorbij is, blijft de herinnering aan de ervaring over. Dat is iets waarmee je de ervaring nog memorabeler mee kan maken. Door het “spiegelgevoel” van de ervaring, via andere middelen te verlengen. De herinnering aan de ervaring is niet alleen afhankelijk van het eigenlijke concertmoment, maar ook van de beleefde omgeving, door de tijd heen. De bezoeker anticipeert op en kijkt uit naar het concert, ervaart het concert op het moment zelf en heeft plezier aan de herinnering van bij het concert geweest zijn. Daar zijn veel manieren voor en niet elk type bezoeker kan op dezelfde manier worden getriggered via dezelfde middelen en kanalen.

De belangrijkste ingredienten om de herinnering aan een ervaring levend en memorabel te maken, bestaan uit het kunnen anticiperen op en uitkijken naar, de eigenlijke concertervaring zelf en de prettige herinnering aan de concertervaring, achteraf, zoals eerder besproken. Het is dus van belang dat je de bezoeker “door de tijd heen” trekt. Intertemporele beslissingen- hier het nemen van beslissingen waarvan de gevolgen zich gedurende de tijd, gelageerd ontvouwen, kunnen worden gevoed- binnen onze context van live muziek en theater, binnen een zaal), via verschillende methoden. Een beweging kan bijvoobeeld al heel veel doen. Een ritje in de achtbaan met 6 loops, kan je je nog jarenlang herinneren,elke keerdat je over een drempel sjeest,met de auto. Een bij een concert gekocht t-shirt geeft niet alleen een immateriële waarde mee in de vorm van een herinnering, maar bevordert tevens de word-of-mouth en bevestigd de drager er van in zijn plaats binnen zij eigen groep of context. Daarnaast heeft hij ook een tastbare herinnering aan het concert.

Het toevoegen van experience-elementen, rekt de Intertemporale beleving, maar tastbare objecten, kunnen de beleving nog veel verder uitrekken. Maar met een shirt of papieren kaartje alleen, zijn we er nog niet.

Fysieke belevingsverhogende elementen worden virtueel

De fysieke artefacten die de ervaring verrijken, worden vervangen door digitale alternatieven! Foto’s filmpjes et cetera. En laten dat nu bij uitstek zaken zijn, die de zaal moeilijk zelf kan vormgeven. De sociale media als kanaal, echter, zijn wel vorm te geven. Zo ook kan de zaal muziek weggeven, via Soundcloud etc. Goeie transmediale campagnes zijn belangrijk, maar zeker wil ik benadrukken dat het gamificeren van diensten die virtueel zijn, erg belangrijk is. Het is een heel technisch proces, waar ik in een ander blog of in een nader gesprek graag nog eens op in ga. In deze context volsta ik te zeggen, dat ook virtuele ruimtes, uiterlijke en innerlijke dimensies hebben. Belangrijk als je iets wil weggeven en een belevingswereld strategisch wil omsluiten.

Aanbevelingen voor zalen:

Zalen, het is heel hoog tijd dat jullie je serieus gaan bezighouden met

1) Faciliteren, toejuichen en toestaan van opnamen met smartphones bij concerten;
2) Live streaming gaan toestaan, zelf vormgeven en communities er omheen maken;
3) De archiefvorming die toch al aan het ontstaan is binnen de muzieksector, nu zelf in eigen hand nemen en vormgeven;
4) De tanende macht van de platenindustrie aangrijpen om zelf de dienst uit te maken ipv de grote maatschappijen.
5) User generated content: jullie toekomst en redding!
6) Inzetten van vrijwilligers om als eersten met smartphones concerten te registreren. Dat verhoogt de status van de individu als filmer, en bezoekers gaan hem/haar gebruiken als model voor een vicarious experience (door oa delen) wat de live-ervaring verhoogt en verrijkt.;
6) Bestaande live streams onmiddellijk omvormen tot volwassen en volwaardig medium

beeldregie W2 concertzaalFOTO: Op 31 oktober 2014 ben ik even gaan kijken bij de regie van de  live beeldregistratie van het W2 poppodium. 

Zo heeft het Concertgebouw een eigen live-stream voor concerten, die buitengewoon knullig in elkaar zit. Aangezien er vanuit het Concertgebouw verschilende malen per maand live uitzendingen worden verzorgd, staan daar standaard professionele camera’s, waar het Concertgebouw gebruik van mag maken. Ik vind het echt onbegrijpelijk dat zo’n zaal, met die middelen, zo amateuristisch met hun live stream om gaat. Aan het gebruik van mobieltjes, filmen bij concerten en live streams. zal ik later een aparte blog wijden.

 

Deel 1: De live concertervaring verrijken: holistische benadering

 

In deze serie van 3 blogs, verschillende benaderingen voor het versterken van de live concert-ervaring, vanuit verschillende perspectieven. De blogs zijn afzonderlijk van elkaar te begrijpen, maar vormen wel één geheel, dus het verdient de aanbeveling ze in chronologische volgorde te lezen.

Deel 1: De live concertervaring verrijken: holistische benadering & liveness

Deel 2: Tacit knowledge: de zaal en stedelijke context

Deel 3: Live-ervaring versterken vanuit de artiest

 

Lees vooral alle 3 de delen, aangezien het verschijnsel tacid knowledge door alle 3 de blogs zit verweven. Onderaan deel 1 zit ook een lijst met bronnen, waaruit ik voor deze serie blogs heb geput. 

 

De live-concert ervaring voor publiek ter plaatse: hoe verrijk en verbreed je de ervaring?

Een concert als geïsoleerde ervaring? De NS hebben er heeeel erg lang over gedaan, maar hebben eindelijk in de smiezen dat de reiservaring van de reiziger, niet alleen bestaat uit het station binnen komen, instappen en overstappen, maar dat dit slechts een onderdeel is van de totale reis, die al start vér voordat hij überhaupt zijn huis verlaat. Nieuwe stationsconcepten, privatisering en samenwerken met bedrijfsleven, dwingen de ns er toe, eindelijk eens te gaan kijken naar multimodaal en intramodaal transport, en de bijbehorende reiservaring. Fietsen is niet leuk, de auto is vervuilend. Jazeker, de trein nemen: dat is zeker weten de mooiste ervaring. Daar horen strategische belevingsconcepten bij, die voor zo’n bedrijf behoorlijk kostbaar zijn.

Wat heeft dat nu met concerten te maken? Net zo als de NS begrijpt dat het zijn systeem van rails kan gebruiken om specifiek hun deel van de reis (met de trein dus) tot de leukste en meest memorabele beleving te maken, kan een concertpodium of theater, gebruik maken van de rails in al onze hoofden, om te komen tot memorabele belevingen, die tot lang na het concert bij ons blijven. Daar moet een zaal met beleid, inzicht een vooruitzicht aan beginnen. Maar het goeie nieuws is: Ook met relatief eenvoudige ingrepen, hoeft dat helemaal niet zo duur te zijn!

Wel moeten belevingen zorgvuldig worden geregisseerd!

” (…) considered a live music performance when the music is performed by an artist (or artists) for an audience at a publicly accessible place. The live music experience on the other hand not only constitutes the band’s performance but also the time surrounding this performance. Thus different factors like e.g. the setting in which the band is performing also have an effect on the overall live music experience (…) ” – S. Kold

 

Allereerst verandert de samenleving in een hoog tempo. Dus ook je publiek. Omdat wij kunst maken, zitten we heel dicht op processen die ons als mens binden, sturen en leiden. Rituelen sturen en maken ons, maar we zoeken er ook veiligheid in, we willen er in schuilen. Dat kan op den duur tegen ons werken, daar we niet altijd direct in de gaten hebben, welke van de twee voornoemde functies, we eigenlijk aan het bedienen zijn. Voorzien we in de behoefte een raamwerk van nieuwe en bestaande rituelen te bieden? Of zitten we juist aan het allerlaatste puntje richting heel andere processen? The thin end of the wedge? In beide gevallen zitten we er middenin, naast de bezoeker.

Een concertbeleving is geen geïsoleerd moment. Je kunt er arrangementen omheen verzinnen, maar die hebben niet altijd een langlopende bestaanscurve, en worden meestal naar kortlopende marketingwaarden beoordeeld. Beter nog dan in kaart brengen wat de ervaring van de bezoeker ter plaatse is of zelfs experiencemapping van de reis vanuit huis naar zaal, zou je je eens moeten verdiepen in het ritme van je bezoeker: welke handelingen zijn routinematig, welke handelingen zijn ritueel? Zijn de routinematige handelingen wellicht tot onderdeel van een door de zaal gecreëerde beleving om te vormen? Althans, zodanig dat het publiek het associeert met de door de zaal beoogde live-beleving? In deze blog een abstractere manier van kijken dan je misschien gewend bent te doen.

In plaats van een plaats te zijn waar artiesten optreden, moeten zalen veel meer gericht zijn op het verrijken van ervaringen en belevenissen. Dit is niet een geïsoleerde marketingcampagne, maar een strategisch startpunt. Veel zalen willen wel, maar weten niet hoe ze dat moeten aanpakken, zijn bang bestaand publiek te verliezen of kunnen niet goed zien hoe het hen op den duur voordeel kan opleveren. Meer richten op verrijken van belevenissen kan ook betekenen dat je op concepten uit komt waarin het live concert maar een relatief klein onderdeel vormt van het geheel. Door de crisis gaan mensen minder vaak naar een concert, maar wat als je de contouren van de concertervaring nu zou kunnen buigen naar concepten die meer gaan over lifestyle, entertainment en uit gaan? Grote kans dat je concepten ziet ontstaan die werken, die betaalbaar zijn, en waarmee je je publiek niet vervreemd maar juist aan je kunt binden.

Een holistische benadering

Een bezoek aan de concertzaal of theater, is niet een geïsoleerde gebeurtenis in het leven van de bezoeker. Je moet het bezoek zien als een serie van ogenschijnlijk intergerelateerde momenten, die middenin het leven en belevingswereld van de bezoeker staan. Inclusief de busreis naar de zaal, de stad waarin hij zich beweegt, het ritme waarin hij zich beweegt en de motivators daartoe. Ze komen aan met voorkennis, een netwerk, met bepaalde drijvende kenmerken, as individu, als man of vrouw, als lid van een zekere sociale klasse en inkomensgroep. Heeft hij vroeger muziekles gehad, bijvoorbeeld? Dat kan al duiden op een bepaald persoonstype, waarvan de kenmerken zich verder uitstrekken dan alleen dat geïsoleerde gegeven. Door middenin de beleving van de bezoeker te gaan staan, kun je toekomstig gedrag voorspellen. Niet enkel de beleving terplekke, ook die door de tijd heen, via de kanalen, die hen sturen, en die door hen zelf gevormd werden. Zichtbaar en onzichtbaar, bewust en onbewust.

Sören Køld; The power of live; 2012:

” Browsing for potential concert experiences and buying a concert ticket induces the consumer to both anticipate and look forward to the concert, to experience the sensations of being at the concert, and finally to enjoy the memory of having attended the concert. “

Op vrijdag gaat men na het eten uit of zoekt een arrangement op: keuze voor arrangement kan gebaseerd zijn op het totaalplaatje van het arrangement zelf, maar ook een keuze van praktische aard zijn: meteen vanuit het werk Door naar de concert/theaterzaal. Een holistische benadering van experience design, geeft inzicht in alle aspecten die de bezoeker binden aan zijn omgeving, waar de zaal- “toevallig” -ook deel van uit maakt.

De handelingen die nodig zijn om bij een concert aanwezig te zijn, en direct gelieerd aan de verwachting van wat het concert bij de bezoeker teweeg brengt aan belevingen, kun je direct koppelen aan de concertbeleving zelf!

Bijvoorbeeld het zoéken naar een concert en het bestelproces van het ticket. Zelfs in een wereld die zich virtueel en online afspeelt en waarin mensen steeds minder eenzelfde activiteit verrichten op hetzelfde moment (bijvoorbeeld samen televisie kijken, zijn de fysieke handelingen die we verrichten om bijvoorbeeld ons te oriënteren op de week, het weekend, vergelijken van vrije tijd en werktijd, gebonden aan heel aardse en fysieke kenmerken, in de tijd, locatie en fysieke plaatsing van de potentiële bezoeker.

Ik noem hieronder niet alle methoden en modellen bij naam en functie, maar doe enkele aanbevelingen, die de live concert-ervaring kunnen versterken en vormgeven.

– Zoeken naar mogelijke concertervaringen door bezoekers, is al een deel van het uitgaansritueel
– Kaartje kopen: Mag online besteld worden. Wel een korte route laten doorlopen bij het bestelproces, waarmee je het vooruitzicht op de live-ervaring van het concert al voor een deel beloont; Je voorziet daarnaast al in enkele contactpunten met de zaal, die je kunt vormgeven;
– Het fysieke toeganskaartje (dik papier): Fysieke artefacten, als verlenging van de live-ervaring van het concert;
– T-shirts, caps, kaart van de omgeving, transport regelen voor/na het concert (maar pas op, dit kan het geheel een te massaal uiterlijk geven, als je het als dienst isoleert);
– Arrangementen: Doe dat alleen als het ook past bij de pacing, toon en het ritme van zowel doelgroep, concertsoort, leeftijd en e kanalen die je gebruikt. Zo kan een eet-arrngement goed werken bij een klassiek concert voor 50-plussers (” passief” publiek, hoge graad van immersie, esthetiekis belangrijk) maar juist niet bij een jonger publiek, die maken liever zelf die keuze, maar stellen tips voor goedkoop eten en drinken, wel op prijs;

 Het eigenlijke bestellen aan de kassa en de functie van het wachten: Moeten wachten in de rij, is niet altijd erg. Het helpt de zaal het moment van de dienstverlening wat te verlengen, service zichtbaar te maken. Voor het publiek is het interessant omdat ze hun mede-publieksleden kunnen zien, zich kunnen vereenzelvigen met de doelgroep, en hoe die zich tot henzelf verhoud. Bij elkaar in eenzelfde ruimte, geeft een gevoel van gezamenlijkheid, die de live-ervaring aanzienlijk ten goede komt. Hou er echter wel rekening mee dat ervaringen uit het verleden, bepalend zijn voor het referentiepunt van tijd-perceptie, bij de bezoeker. Het vervelende gevoel van moeten wachten, begint al bij het zien van een rij. Er zijn manieren om het vervelende gevoel van moeten wachten, wat te verlagen. De wachttijd heeft nl invloed op de manier waarop de bezoeker, naderhand de concertervaring evalueert.

” (..) The memorability of the concert experience, is also part of the social experience (…) ” – The Power of Live, S. Kold; 2012.

Een onderzochte methode, is het ophangen van infoborden, met de nog overblijvende wachttijd. Dat werkt positief op de klant, maar is voor concertzalen en theaters niet een goede methode. Ik zelf zou juist aanraden, om het gevoel van ” ruimte waarin je moet wachten” te verkleinen, door de functie van de foyer te veranderen. Geen wachtruimte meer, maar een ” being space, een plek waar je- naast werk en thuis -een derde ruimte hebt, waarin je thuis bent. Je kent kwaliteiten toe aan de ruimte, die de functie van de ruimte veranderen, en daarmee de beleving er van.

Veel stoelen neerzetten, bediening aan tafel. Een ander dissonerend ritme door de ruimte laten gaan, is een goed idee. Bijvoorbeeld mensen die uit de zaal komen, meteen naar de foyer leiden. Dat versterkt de anticipatie van de bezoeker, de voorgestelde beleving, en de emotional contagion werkt niet alleen via gezichtsuitdrukkingen,maar ok lichaamstaal en de “taal” die de groep als geheel uitstraalt, de symbolische interactie tussen de ledeen, forceert een cultuur. De belangrijkste motivator voor menselijke interactie, is reciprociteit. Of een singer songwriter als voorprogramma in de foyer. Zo’n ervaring creeert een gezamenlijkheid, die niet bij het gevoel van wachten hoort.
 Het wachten bij de bar zo veelmogelijk beperken; Vooral bij een min of meer klassiek publiek, is dit een grote bron van ergernis.

Liveness simuleren

Liveness (Bourdieu, Auslander/Ytreberg) wil ik hier graag apart behandelen. Met liveness wordt namelijk vaker de televisionele manier van live-gevoel creeeren bedoeld, als methode om bij de kijker het gevoel van live op te wekken. Heel grof gezegd zijn er 2 soorten van televisie maken: door televisiemakers zelf bedacht en gemaakt, en programma’s die door externe factoren worden aangboden aan mediamakers, in de vorm van events die zo groot zijn, dat de makers alleen maar kunnen registreren wat er aan het gebeuren is, en hebben er zelf geen invloed op. Deze media-events hebben kenmerken, die een grote invloed uitoefenen op het kijgedrag van de kijker, en van sociale interactie. Ze hebben een sterke rituele en ritualiserende functie, veel mensen kijken op hetzelfde moment naar hetzelfde programma, gaan met groepjes bij elkaar zitten, praten over hezelfde en ze vertonen, eigenschappen in taal, symbolen en bewegingen (emergent qualities (Sawyer) die een grote invloed kunnen hebben op publieke opinie. Televisiemakers passen hun formats daar op aan. Daar waar nieuwsprogramma’s maar 2 soorten vertelstijlen hebben, die je kunt samenvatten als de expert-view en narrative view (ook verschil in status), gebruiken televisiemakers een set van technieken en zeer geraffineerde methoden, om de kijker het gevoel te geven dat ze naar een media-event zitten te kijken. Ze gebruiken dus kenmerken van het nieuwsformat, om een live-gevoel te creeren bij de kijker. Zo gebruiken veel quizzen, 2 verschillende stemmen (acousmatic, personalised) om bijvoorbeeld een specialist naast de presentator een hogere status te geven, een notaris met een acousmatic voice. Het gaat zelfs vo ver, dat populair nieuws, in de continuiteit, heel subtiel net voor schakelen naar een interviewer op locatie, een acousmatische stem over het beeld heen zetten, om de” ernst” van de komende beelden aan te zetten.

Dit fenomeen is voor de podiumsector van groot belang, daar de artiest-publiek-interactie en motivaties voor publiek om naar het live concert te gaan, snel veranderen, maar de vorm van het optreden, in grote lijnen dezelfde structuur heeft, met een cultureel-bepaalde verwachte interactie. Een die het publiek wel anticipeert- maar dat is het actieve publiek. Die acceptatie is juist de kern van de ” afspraak” die ze met de creatieve wereld van de artiest hebben gemaakt, en ook met mede-publieksleden, ter plaatse.

Maar intussen dendert de wereld gewoon door. En ook de mediaconsumptie verandert. De kenmerken van de televisuele werkelijkheid, kunnen met enige aanpassingen, heel goed ook in de concertzalen worden toegepast. Repetitie, bijvoorbeeld, is een kenmerkend verschijnsel van deze tijd. Het impliceert bijvoorbeeld dat er genoeg van alles op verschillende tijden aanwezig is, en anders wel weer een keer terug komt. De mogelijkheden om iets unieks te zien slinken niet alleen, ook de wens en behoefte daartoe, verandert van vorm. Het stuurt ook ons gedrag. Zo kunnen we, met de televisie op de achtergrond aan, zonder dat we zelf aan het kijken zijn, heel makkelijk bepalen hoe laat het precies is. Op tv gebruikt men promo’s en teasers, sequenties, die met elkaar een taal vormen die men verstaat. In het theater is dat ook te gebruiken, door bijvoorbeeld bij sluitingstijd hetzelfde liedje te spelen, door midden op de avond een happy hour te houden.

“Jane Feuer (1983) has argued that an ‘ideology of liveness’ exists to naturalize a number of conventions for making events seem to unfold in an immediate ‘now’. “

Enkele aanbevelingen voor simuleren van liveness:

  • Remediation van bestaande formats naar het podium
  • Schermen ophangen in de foyer, met live beelden vanuit de zaal
  • Bezoekers van buiten de stad, koppelen (pairing) aan lokale, vaste bezoekers. In het geval van live concerten, blijkt uit onderzoek dat bij publiek-publiek-interactie en daarmee publiek-artiest-interactie, de lokale bezoeker zeer bepalend is voor hoe het publiek zich als groep gedraagt, De factor afstand bepaalt in hoge mate, hoe de lokalen en buitenstaanders zich gedragen. De lokalen hebben immers meer gemeen (emergent qualities), waardoor ze op een andere manier met elkaar communiceren.
  • Live videoregistraties met camera’s in het zicht van publiek;
  • Scripts (theater) aanpassen met heel actuele onderwerpen / uit het nieuws van die dag,
  • Op schermen in de foyer of bij de kassa, een ranking-systeem laten meedraaien, waarop live de beoordeling van net vertrekkend publiek is te zien
  • Scripten van social settings: Op het toneel, mise en scene met huiskamer, eetscene etc.Gebruik van aankleding en attributen van grote warenhuizen;
  • ” Re-enacting implied relationships” Personages in toneelstuk, gevormd naar personae uit het publiek van de zaal;
  • Televisioneel gezette changementen; filmische overgangen
  • Op toneel: het toneelstuk meer de contouren van een sociale interactie geven, die een duidelijke ” emergent quality” heeft, waar het publiek zich in kan herkennen. Een emergent quality is gevormd door de symbolische interactie van de groep. In geimproviseerd theater bijvoorbeeld, is juist de essentie van de voorstelling om via de performance een ” emergent” te creeeren en niet een product af te leveren. Echter, kan het zo zijn dat het publiek (vaak jongeren), niet receptief is voor de gecreeerde symbolische taal.

Visualiseren, mapping, in kaart brengen

Het in kaart brengen van belevingen is een proces dat op meerdere manieren ingezet kan worden. Als meetinstrument, als visualisatietool, als ideeëngenerator en als simulator. Dat kan op macroniveau (bv crowdcontrol), mesoniveau (looplijnen in een winkelstraat of station) of microniveau (bv de interactie personeel en klant of interactie mens en fysieke omgeving of product; interactie mens en bronmaterialen als stof, ijzer etc.).

Met het meten van de verkoop aan kaartjes, ben je er in ieder geval nog niet.

Inzichten verkrijgen die bepalend zijn voor de beleving van een dienst, product of omgeving. De mens is een individu, maar als je uitzoomt en je kijkt naar hoe bv voetgangers zich bewegen en gedragen, zie je dat er maar heel weinig voor nodig is, om ons helemaal van slag te krijgen. Dat is ook het geval als je inzoomt naar winkelpubliek. De beslissing om wel of niet de bedachte routing te volgen, of een rij met schappen te passeren, wordt voor een belangrijk deel bepaald door processen waarvoor nog maar weinig aandacht bestaat op micro-niveau. Bijvoorbeeld de placering van spiegels, de kleding van het personeel, verlichting of zelfs dichtheid van de ruimte (Spatial density) of aantal personeelsleden, bepaalt of en hoe we ons door die ruimte bewegen. Op het gebied van visualiseren van big data, zijn er echter heel veel mogelijkheden, die verrassende inzichten brengen. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als je fysieke delen van de straat, interactief maakt en van het publiek een reactie verlangt, in de vorm van bediening of aanraking? Het resultaat is verbluffend: Wij als voetgangers raken er helemaal van van slag!

Ook applaudisseren kan in kaart worden gebracht. Al lang ziet men verbanden met spraakpatronen. Zo blijkt een klein aantal rhetorische sets, geassocieerd te zijn met meer dan tweederde van (Atkinson) het applaus bij politeke speeches. Mensen die verlegen van nature zijn, zullen later beginnen met applaudiseren, dan mensen die minder verlegen zijn. Mensen met een groot ego hebben een kleinere personal space. Introverte mensen, staan verder van elkaar, dan extraverte persoonlijkheden. Wat betekent dat voor het applaus? Ik durf me er vanuit hier even niet aan te wagen.

Een inspirerende afspraak plannen, naar aanleiding van deze blog? Mail me gerust voor een ontmoeting. acts@la-clappeye.nl

Ik noem tenslotte een paar voorbeelden van bestaande toepassingen en methoden, om verschillende delen van de belevingswereld in kaart te brengen:

– Crowd control, crowd management, big data tools, urbanisme:

 

Experience mapping: In kaart brengen van de preciese, exacte ervaring van de bezoeker, met alle door de zaal geplotte contactpunten, inclusief de abstracte delen van de belevingswereld: servicegehalte, lichtval, hitte van de koffie bij de bar, de service-architectuur van de organisatie;

CmapTools; Gratis conceptmap software

 

– Softmaps en cognitive mappping:

– Spatial en experiential analysis-tools: Hoe verhoud de bezoeker zich tot de fysieke aspecten van het gebouw? Genoeg licht? Hoe verloopt de wayfinding? Kan de bezoeker zich gemakkelijk orienteren? Via licht, via de ramen, via zijn geheugen, via verwachtingen die hij ergens in zijn hoofd heeft (cognitive wayfinding); Crowdmanagement software, crowd simulators;

 

– Narratieve en fuzzy methoden: Dagboekresearch, gestructureerde interviews, veldopnamen;

 

Enkele interessante sites en methoden:

BRONNEN

  • Allen, Robert Clyde, and Annette Hill. The Television Studies Reader. London: Routledge, 2004.
  • Auslander, Philip. Liveness: Performance in a Mediatized Culture. London: Routledge, 2011
  • Avery, Robert K. Public Service Broadcasting in a Multichannel Environment: The History and Survival of an Ideal. New York: Longman, 1993.
  • Barker M; 2003 – “Crash, theatre audiences, and the idea of liveness.”
  • Baumard, Philippe. Tacit Knowledge in Organizations. London: Sage Publications, 1999.
  • Bilda, Zafer – “Designing for audience engagement”
  • Bourdon, Jérôme, and Cécile Méadel. Television Audiences across the World: Deconstructing the Ratings Machine.
  • Carpentier N; 2001 – “Managing audience participation: the construction of participation in an audience discussion programme.”
  • Conermann, Stephan – News and Rumor – local sources of knowledge about the world ;
  • Craane M. 2013 – A lived hermetic of people and place: phenomenology and space syntax;
  • Csikszentmihalyi, Mihaly. Flow: The Psychology of Happiness. London: Rider, 1992.
  • Dormans, Stefan Elisabeth Martinus. Narrating the City: Urban Tales from Tilburg and Almere. S.l.: S.n., 2008.
  • Duke, A. C., Judith Pollmann, and Andrew Spicer. Public Opinion and Changing Identities in the Early Modern Netherlands: Essays in Honour of Alastair Duke. Leiden: Brill, 2007.
  • Frith, Simon; 1996 – “Music and Identity.”
  • Hanus, Jord – Mapping Sixteenth-Century ‘s-Hertogenbosch : Towards a Spatial Analysis of Urban Social Structures; University of Antwerp; Centre for Urban History; Fellowship of the Research Foundation – Flanders (FWO-Vlaanderen)
  • Hanus, Jord. Affluence and Inequality in the Low Countries: The City of ‘s-Hertogenbosch in the Long Sixteenth Century, 1500-1650. Antwerpen: S.n., 2007.
  • Hook, Jonathan David; 2013 – “Interaction Design for Live Performance”
  • Hull B.; 1993 – Place identity: symbols of self in the urban fabric
  • Kold, Søren – The Power of Live A Rough Guide to the Concert Experience;
  • LaTulipe ea. 2011; – “Love, hate, arousal and engagement: exploring audience responses to performing arts”.
  • Oyen van, Renk -2014 – Reizen in je hoofd: De smaak van cirkels, de vorm van zuur; essay.
  • Platz F. & Kopiez R; 2013. “When the first impression counts: Music performers, audience and evaluation of stage entrance behaviour – Performers impression-management with regard to the audiences impression-formation”.
  • Robinson, Mark – Understanding Crowd Behaviours Volume 1 – Practical Guidance and Lessons
  • Robinson, Mark – Understanding Crowd Behaviours Volume 2 – Supporting theory and evidence
  • Rose, Alice. The Storyteller’s Journey. Carpinteria, CA: Pacifica Graduate Institute, 2001.
  • Sternberg, Robert J., and Joseph Horvath A. Tacit Knowledge in Professional Practice: Researcher and Practitioner Perspectives. Mahwah, NJ: L. Erlbaum, 1999.
  • Stoop, A.; 2013 – ” De live-stream van het Concertgebouw.”
  • Ytreberg – “Working notions of active audiences”
  • Ytreberg; 2004 – “Formatting participation within broadcast media production”
  • Ytreberg; 2005 -“Scripts and mediated communication”
  • Ytreberg: – “Extended liveness and eventfulness in multi-platform reality formats”
  • Ytreberg: – “Premeditations of performance in recent live television: a scripting approach to media production studies”

 

The right to know: “Bibli-leaks” als transmediaal concept

The right to know: “Bibli-leaks” als transmediaal concept

Door Renk van Oyen

Dit blog verscheen eerder (op 6 juli 2012) als gastblog, op de site www.bibliofuture.nl van Joost Heessels

The need to know. Kennis is goed, kennis is macht, kennis is leuk en interessant en noodzakelijk voor een mooi en rijk leven. Dat is een fijne manier van de bibliotheek bij het publiek te brengen. Net als elke andere professionele organisatie, tracht ook de bibliotheek haar publiek te bereiken. Bibliotheekgebouwen worden tweede huiskamers, coffeecorners schenken goede espresso en een lounge-gedeelte is bestemd voor de openbare lezer. Alle middelen worden van stal gehaald om de bibliotheek als organisatie op een verantwoorde manier de 21e-eeuw in te loodsen.

Met wisselend succes, dat is duidelijk. Bepaalde zaken moeten centraal worden aangepakt en danken hun succes aan een landelijke aanpak. De achterliggende concepten zijn niet altijd even handig aangepakt. Echter, is de lokaliteit meestal aangewezen op soms ronduit knullige één-tweetjes met andere organisaties en concepten die de speciaal ingerichte thematische leestafel bij de balie van weleer, nauwelijks overtreffen. De wil is er absoluut wel. Waar je 10 jaar geleden wilde samenwerken met de bibliotheek, was het hoogst haalbare, een speciaal ingerichte tafel met boeken over een bepaald thema, verbonden aan het desbetreffende project. Meer was eigenlijk niet mogelijk. Tegenwoordig zijn bibliotheken organisaties met programmamanagers en projectleiders. Mensen die in mijn ervaring absoluut open staan voor “rare” samenwerkingsverbanden met andere organisaties, en als bedrijf ook midden in de lokale samenleving staan.

The right to know

Grofweg is de bibliotheek terecht bezig met “the need to know”. Kennis en informatie is noodzakelijk. Zie de openingszin van deze blog. Maar dat is één boodschap, waar het publiek al heel snel klaar mee is. Het suggereert een vrijblijvendheid die te vergelijken is met de illusie van beschikbaarheid op internet. Uit onderzoek is bekend dat, wanneer studenten weten dat bepaalde informatie is opgeslagen op een website, zij die informatie minder goed onthouden. Als de website in kwestie vervolgens niet meer tot hun e-biotoop behoort (buiten hun referentiekader vallen), vervalt ook een deel van de informatie. De context is weggevallen en de informatiebehoefte is vervaagd. Informatiebehoefte en kennis zijn 2 verschillende dingen, die beiden bevredigd moeten worden. Kennis ervaart men daarbij als iets statisch. Informatiebehoefte heeft een grotere noodzaak in zich, dan kennis heeft. Al met al ben ik van mening dat niet “the need to know” maar “the right to know” een beter uitgangspunt is voor doeltreffende concepting.

The right to know past binnen de tijdsgeest van nu. Het leunt tegen open source en open data / open gouvernment, maar het kan minder vrijblijvend gemaakt worden, door er een licht subversieve lading aan te geven. Wat doet Wikileaks en Anonymus? Ze suggereren dat ons belangrijke informatie werd onthouden, dat er zaken buiten ons blikveld gebeuren die het daglicht niet kunnen verdragen. Men wacht het goede moment af (actualiteit) en publiceert gevoelige documenten, waarmee gevoelige informatie vrij komt. In afgezwakte vorm, is dit waar ik heen wil.

Bibli-leaks: Subversief, tegendraads, onderzoekend

Voor het gemak noemen we het even “Bibli-leaks”. Lokale onderwerpen met een hoog actualiteitsgehalte- en waar het liefst ook nog een scherp randje aan zit – door lokale partijen met duidelijke signatuur, tot op de bodem laten uitzoeken. Volledig gefaciliteerd door de lokale bibliotheek, in ruimte, middelen, know-how en publiciteit. In het geval van ‘s-Hertogenbosch denk ik dan aan de lokale kraakscène, Kleintje Muurkrant, een opleiding, jongerenorganisatie of kunstencollectief. Het eindproduct zijn zowel offline als online producten, transmediaal geregisseerd. Offline als kleine sympathieke mooi vormgegeven dossiers, bundeltjes, Boomerang kaarten en gedrukte media, als redactionele artikelen, níet als reclame.

Lokale right to know als media-concept

Ik had het hierboven al over een trans-mediale aanpak. Dit houdt niet alleen in dat je verschillende sociale media-kanalen gebruikt, maar dat je elk kanaal (er zijn er overigens meer dan alleen de sociale media) inzet naar de eigenschappen van kanaal en gebruik en daarmee verschillende manieren van storytelling gebruikt. Het verhaal staat centraal, niet zozeer de brontekst! In transmediale storytelling, vertaal je delen van een verhaal naar verschillende mediakanalen, die elk weer een eigen ervaring van het verhaal met zich meebrengen. Elk kanaal geeft weer een andere immersieve (onderdompelende) ervaring aan de ontvanger ervan.

Het narratieve gedeelte hou je centraal op een aparte centrale projectsite en je laat andere media andere delen van hetzelfde verhaal vertellen. Een mediaconcept met spelers, gebruikers, protagonisten, antagonisten, lezers en kijkers, waarbij de inbreng van het publiek nodig is voor het vertellen van het verhaal. Laten we zeggen dat de Bibli-leaks deel 1 gaat over mogelijk asbest gebruik in openbare gebouwen. Dit start met actualiteit, want we hebben het over een media-concept waarbij actualiteit en lokale context de 2 belangrijkste factoren zijn. Je laat bijvoorbeeld krakers een artikel in de krant schrijven over duurzaam bouwen, 2 scholieren maken een reis naar de steengroeve waar de materialen voor de winkelstraat vandaan komen- uitgebreid met foto’s en documenten gelardeerd op een aparte blog, een capoeiradanser interviewt zijn vriend op youtube, over de dodelijke ziekte van zijn vader, veroorzaakt door asbest. De verschillende bijdragen zijn dus verhalen op zich en geen bewerkingen van een en hetzelfde verhaal of dezelfde brontekst. Alles bij elkaar vormt zich een geloofwaardige verhalenwereld.

Samenvattend valt voor de bibliotheek veel te winnen bij het zichzelf een blijvende urgentie te geven binnen de lokaliteit, door te suggereren dat publiek “het recht heeft” informatie te krijgen in plaats van de noodzaak voelen kennis tot zich te nemen. Bibli-leaks zoals ik hierboven kort omschrijf, is een vorm die helemaal bij deze tijd past.

Ik nodig de bibliotheek graag uit om dit met mij (en La Clappeye Acts) verder uit te werken.

Klik op de link naar dit blog op http://www.bibliofuture.nl/wp-trackback.php?p=1350

Renk van Oyen is creative concepter en experience designer en werkt via zijn bureau La Clappeye Acts voor de creatieve industrie en bedrijfsleven.

Www.la-clappeye.nl

acts@la-clappeye.nl

Volg hem op Twitter: www.twitter.com/La_Clappeye

Comments uiteraard welkom!

[fblike]

De “volg-core”: De bands zonder fans

De “volg-core”!

De bands zonder fans

Fan zijn vereist een zekere actie, van de fan naar de bewonderde persoon of band. Iets waaraan we gehecht zijn geraakt: ik kan iets goed, heb een zeker talent en daarom zoeken mensen mij graag op. Begrijpelijk, maar zo ver reikt vandaag de dag de betrokkenheid niet, dat men naar je toekomt, zijn trouw en medeleven betuigt, geduldig wacht op een soort van beloning en dan weer netjes weg gaat. Men is nog steeds liefhebber en fan, maar men beweegt zich langs andere kanalen dan voorheen.

Foto: Monique van der Steen; 2010.

Men is geen fan, men “volgt” je. Het eigenlijke concert is niet meer genoeg voor de volger; dat is een nabijheid die hooguit als afronding van een grotere beleving geldt. Het beeld wat de volger van je band heeft, vormt zich vooral door het volgen. Eenmaal bij je concert aangekomen, moet dit beeld worden verzadigd. Dit is een verzadiging die bij de bezoeker binnenkomt als een slot in een sleutel. Dat is iets waar je je van bewust moet zijn als band en muzikant. Nieuwe dingen uitproberen in een concert werkt het beste als je eerst de eerder opgebouwde verwachtingspatronen van het publiek verzadigd.

Aan de fanbase kant (volg-base) kun je ook niet meer aankomen met de opmerking dat je “fan bent” van iets. Ja, je volgt wel een band, je vind leuk op Facebook en zelfs was je zo onder de indruk van weer een groep, dat je zowaar een statusupdate wijdde aan een optreden. Maar daar eindigt het fan-zijn wel een beetje mee. Nou ja, daar BEGINT het fan-zijn tegenwoordig mee. De fan volgt maar verwacht ook van de groep dat die HEN volgt! Immers: als de groep binnen jouw groep vrienden op Facebook zijn evenementen en updates laat circuleren, hoef je de band zelf niet te volgen; die verschijnt toch wel in je timeline. Verdwijnt het uit zicht, is de binding ook vrij snel weer weg.

Met dit gedrag, zegt men eigenlijk dat je in hun belevingswereld moet stappen. Die van hun vrienden (op Facebook), die van hun uitgaansgelegenheden, de globale politieke voorkeur, de levensfase waarin zij verkeren… maar zéker ook fysiek! Offline, dus. Publiek hunkert naar authenticiteit, naar belevenissen. Daar worden we mee om de oren geslagen, in verschillende vormen. Of je dit nu wel of niet een goede ontwikkeling vindt, feit is dat het publiek er inmiddels wel vertrouwd mee is geraakt. Zorg dus dat jij ook je fans volgt. Niet in de laatste plaats ook offline. Verklein de fysieke afstand tussen band en publiek.

Als band moet je niet meer rekenen op een “fancore”, dat is absoluut achterhaald. Zoals recentelijk werd bewezen, is de manier van geld verdienen met je muziek drastisch aan het veranderen. Buma/Stemra is op een vreselijke manier van zijn sokkel gevallen, illegaal downloaden is allang niet meer taboe en het auteursrechtelijk beschermen van je nummers, is een moeilijk en kostbaar proces, als je er echt zeker van wilt zijn dat je materiaal niet door anderen gaat worden gejat. Dit schept een nieuwe werkelijkheid, waar je beter gebruik van kunt maken dan er tegen vechten.

De boel vernielen in de cultuursector en je dan laten vertellen “dat dit nieuwe mogelijkheden biedt” is absolute onzin, laten we daar geen misverstanden over laten bestaan. Echter, als je structuren nodig hebt, waarvan het voortbestaan en continuïteit onzeker zijn, en je ziet beweging in de sector die hier op een integere manier op inspelen, waarom zou je daar dan geen gebruik van maken? De overeenkomst met bestaande structuren, is dat je volgers ook gebruik maken van de wetmatigheden van die nieuwe structuren; Dat zijn ook plaatsen waar zij zich ophouden. Ze heten daar weliswaar geen fans meer en ze hebben ook geen klassiek profiel meer, maar je treedt binnen in hun gevoelswereld; Middenin hun beleving, hun emoties, de plekken waar zij hun referentiekaders aan ontlenen. Plekken waar hun vrienden zitten, hun drinkebroeders, de mensen met wie zij praten over jouw muziek en leven.

Virtueel zie je deze plekken als paddestoelen uit de grond rijzen, maar in het echte leven ook. Sinds een paar jaar zie je veel lokale initiatieven ontstaan, die buiten de zalen treden. Buiten de geijkte instellingen en muren, buiten de grote evenementen. Kleinschalige en op ervaringen gerichte initiatieven. Zelfs de zalen zelf, ontvluchten hun eigen muren… regelrecht de foyer in. Waar het aanvankelijk ging om strakke concepten als Stukafest, MOL: Muziek Op Locatie, de Badkamersessies, is de trend nu dat initiatieven veel meer gebruik maken van een “volg-core” van het concept in plaats van “fancore” van een band. Publiek hecht zich makkelijker aan het concept dan aan de deelnemende bands. Begrijpelijk ook, want het concept is makkelijker in te passen binnen hun Facebookgerelateerde levensstijl. Het dringt zich als vanzelf op binnen hun vriendenkring. Iedereen lijkt er over te praten en men voelt zich verbonden met het desbetreffende concept.

Een dergelijk concept die dat héél goed in de gaten heeft, is Trippp! Zie ook www.trippp.nl. Een gezamenlijk initiatief van de twee up and coming bands The Surs! En Mindpark, beiden uit ’s-Hertogenbosch. Dans van United-C uit Eindhoven en en een DJ. Bij Trippp stap je een beleving binnen, die al begint bij de voordeur, en je voor de rest van de avond niet meer loslaat. “Het nieuwe uitgaan” stond in de uitnodiging, en daar was geen woord van gelogen. Een pilot-versie van Trippp heeft zeer veel succes gehad. Er was minimaal reclame gemaakt voor Trippp. Bijna alles ging via Facebook. De gebruikelijke Facebook-uitnodigingen voor evenementen circuleerden maar de meeste bezoekers aan Trippp kwamen uit de volg-cores van The Surs! en Mindpark. “Er waren ook een flink aantal onbekende gezichten bij”, aldus Noël Josemans, de frontman van The Surs! Een cult-benadering is voor Trippp ook de beste manier om faam te verwerven: je moét er gewoon bij geweest zijn. De W2 concertzaal in ’s-Hertogenbosch, zelf ook niet vies meer van een experimentje, hebben de organisators van Trippp gevraagd om voor Fabriq (festival of intrusive quality) de afsluiter van de zaterdag te zijn. Een briljante ingeving, want de festivals kunnen echt wel wat nieuwe input gebruiken. Voor Trippp zelf is het misschien niet een heel beste keuze. Zij moeten zich niet tot een act laten reduceren maar sterk inzetten op culting; ze zijn geen act, geen podium, maar een beleving op zich.

Wil je als band een vernieuwde kennismaking hebben met wat voorheen “fan” heette: Ga een relatie met hen aan op hun voorwaarden, faciliteer hun behoefte aan het “ervaren”, het “beleven” en laat hen niet een consument meer zijn. Consument is zoooo 2000!

[fblike]