Tag Archives: festivaltweaking

Trends in de theater- en evenementensector: van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 2

Trends in de theater- en evenementensector

van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 2

 Publiek werkt zichzelf toe naar een manier van participatieve cultuurbeleving die werkt via zelfgegenereerde belevingen, via netwerken die gemeenschappelijkheid suggereren en tegelijkertijd gaan om individuele bewegingen die men wil delen… met festivals en makers, met peers en met merken.

De koppen in deel 1 waren:

  •  Buiten de zalen: van kleinschalig naar grote idealen en van lokaal naar overkoepelend
  • Immersieve ervaringen & experience cramming
  • Social in de zalen

 De koppen in deel 2 zijn:

  •  Social op festivals
  • Social = personal?
  • Festival-tweaking = Simmer-sion

 Social op festivals

Iets breder genomen, gaan we sociale media ook zien op festivals tijdens voorstellingen. Net als andere sociale toepassingen als social logins, offline `liken’ en vóór of na de voorstelling een recensie tikken op je smartphone, zal screen steeds vaker een integraal onderdeel van de voorstelling worden, ook in artistiek opzicht. Zowel in de stoelen in de zaal als op het podium zelf. Op televisie is “second screen” nu al aan het inburgeren. In Londen deed men al een experiment met SMS’sen tijdens een Shakespeare voorstelling, waarbij het publiek subtext op het mobieltje kreeg, regie-aanwijzingen las en zelfs invloed kon uitoefenen op de verschillende rollen. Het publiek kreeg echter verschillende informatie, waardoor de beleving van de verschillende personages én het verloop van de voorstelling, per (groepen) persoon anders was.

 Social = personal?

Uit bovenstaande kan de trend gefiltert worden, dat social minder sociaal gaat worden en meer gericht op de individuele beleving van de toeschouwer. Social is niet een online verlengde van de echte wereld meer, maar een nieuwe en vaste dimensie die we ons als massa ook persoonlijk hebben gemaakt.

 Toch gaat social wel degelijk anders socialer worden, maar dit zal steeds vaker een afspiegeling zijn van wat offline al draagvlak heeft, al dan niet geïnspireerd op online communities. Dat is minder vrijblijvend dan het klinkt. Het betekent grofweg dat offline “gemeenschappen” zich vormen naar de mogelijkheden die een persoonlijk online netwerk bieden. Vrij vertaald: de contacten die men deelt via Facebook en andere media, vormen een binnenste schil waarmee men offline netwerken vormgeeft. Voorbeelden hier van kan men vinden in buurt-netwerken, urban gardening, guerilla-gardening, collectieve energiewinning, eten/koken met en bij de buurtgenoten, ruilkringen, et cetera. Een helder voorbeeld is het hierboven geschetste fenomeen van kleinschalige belevingen op kleine locaties, waar intimiteit en het kunnen delen van een gemeenschappelijke lifestyle belangrijker is dan de programmering van de avond. Het spreekt voor zich dat elke deelnemer blootstaat aan dezelfde grote invloeden als sustainability, kwakkelende economie en krimpende fossiele grondstoffen. Samenvattend zoeken we aansluiting bij elkaar, via netwerken en samenwerkingsverbanden met een sociaal karakter. Hierbij is de lokaliteit van minder belang. Van groter belang is de collectieve gemene deler; de ambitie, gezamenlijk doel, gemeenschappelijk ideaal. Ook de particuliere Facebookgebruiker en Twitteraar is zich bewust van zijn/haar invloed op partijen en mensen die niet op hun vriendenlijst staan of tot hun volgers behoren en wil steeds vaker bewust invloed uitoefenen op de schillen er omheen. Dan bedoel ik niet de Fail hashtag in een tweet, maar invloed via bovengenoemde idealistische netwerken en lifestylegenoten.

Voor festivals en evenementen bied ook dit kansen om publiek te betrekken en vast te houden. In het geval van concertzalen, is het beter om in te pikken op het gevoel wat men krijgt bij barok, dan diep op de inhoud en componisten van het concert in te gaan. Kijk maar naar hoe concertseries in elkaar zitten. Trefwoorden als “Italië” en “Snaren” en “Vrouwen”. Bij barok horen nu eenmaal “krullen” en “altaars”, of je dit nu oubollig vindt of niet. Dat is de associatie, nu de belevingen nog!

Voorbeelden:

Evenementen doen er goed aan precies in kaart te brengen, hoe het publiek zichzelf ziet ten opzichte van de wereld en de mensheid. Waar plaatst men zichzelf binnen een spectrum van goed-en-kwaad? Van fijn en vervelend? Geef richting aan de belevingen, faciliteer én regisseer deze! Dat betekent onder meer dat je gaat werken met liquide persona’s, actief gaat monitoren wat men waar en waarom deelt met elkaar. E-mailadressen verzamelen op het festivalterrein kan echt niet meer. Minder marketing, meer beleving!

 Festival-tweaking = Simmer-sion

Immersion (immersie) en simmer (pruttelen, stoven, zachtjes koken).

Het begrip Festival-Tweaking kennen de volgers en opdrachtgevers van La Clappeye Acts al langer. Hier is een extra laag bij gekomen: Simmer-sion.

Binnen de spanne van een festival, is het publiek niet alleen bezig receptief publiek te zijn (zie hierboven) maar is men ook deelnemer, men is een co-productie aangegaan met het festival, gaat elk moment een nieuwe deal aan met het festival: blijven we of accepteren we wat het festival ons aanbied aan escapemogelijkheden. Ze zoeken op het terrein en de locaties naar lifestylegenoten, kennen de locaties al beter dan de organisatie zelf, de afstand tussen publiek en de makers in de programmering is veel kleiner dan voorheen, ze bewegen zich ook buiten de festivaldata om al binnen de zelfde ruimte die het festival beslaat, in fysieke zin maar ook overdrachtelijk.

 Immersie alleen aanbieden als rond en afgeregisseerd geheel, is voor een groot evenemententerrein niet meer voldoende. Op het terrein zelf gebeurt te veel met het publiek om hen blijvend vast te houden met één overkoepelend concept. Het publiek doorziet concepten snel! Op het evenemententerrein pruttelt en stooft het in de publieksbeweging. Het zoekt op verschillende momenten van de dag en avond, andere prikkels. Publiek “neemt” niet alleen meer (in de zin van receptief), maar wil ook “geven”. Geven direct feedback aan de organisatie en makers, willen zelf meemaken en mee-maken, willen hun goedkeuring en liefkozen meteen laten blijken en delen met hun peers. Dit gaat veel verder dan crowdsourcing! Veel mogelijkheden ook dus voor sponsors. Zie het voorbeeld van Douwe Egberts, hieronder.

Tijd dus, om je publiek echt goed te leren kennen! Niet uit uitgebreide datasheets en grote data maar uit bewegingen, uit liquide persona’s, uit ritmes, uit wat publiek je al “geeft”.

Één bruikbare variant van een bestaande nieuwe toepassing, wil ik alvast delen. Onlangs werd een nieuwe service gelanceert die sportliefhebbers in het stadion- al tijdens de wedstrijd -de kans geeft betere stoelen te reserveren en betalen.

 Voorbeeld:

Dit is in deze vorm voor festivals al heel interessant, maar interessanter is het om deze dienst te richten op kleine groepen publiek, die bijvoorbeeld van een externe festivallocatie komen richting horeca en samen korting krijgen, als zij eenmaal op het centrale terrein zijn aangekomen, inclusief zitplaatsen. De verzamelde microdata kunnen vervolgens worden gebruikt om hen kortingen op maat aan te bieden en die te koppelen aan sociale parameters als gedeelde lifestyle, politieke voorkeur, bekende gezichten of thema’s.

Om echt unieke ervaringen en momenten te laten maken, ontwerpen én live uitvoeren, verwijs ik de lezer graag naar www.la-clappeye.nl

Renk van Oyen

[fblike]

Trends in de theater- en evenementensector: Van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 1

Trends in de theater- en evenementensector

Van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 1

 Deze blog publiceer ik in 2 delen. Vandaag het eerste deel. In de loop van volgende week het tweede.

 Al jaren proberen we “moeilijke” doelgroepen de zalen in te krijgen. Jongeren, allochtonen, mensen uit achterstandswijken. Mensen die minder met cultuur hebben, willen we zo veel mogelijk in aanraking laten komen met theater en andere kunstvormen. De trend die al een paar jaar gaande is, is het organiseren van kleine concepten die zich buiten de traditionele zalen afspelen.

 Publiek werkt zichzelf toe naar een manier van participatieve cultuurbeleving die werkt via zelfgegenereerde belevingen, via netwerken die gemeenschappelijkheid suggereren en tegelijkertijd gaan om individuele bewegingen die men wil delen… met festivals en makers, met peers en met merken. Ik hoop aan het einde van deze serie van 2 blogs, hierin wat inzicht te kunnen geven.

De koppen in deel 1 zijn:

  • Buiten de zalen: van kleinschalig naar grote idealen en van lokaal naar overkoepelend

  • Immersieve ervaringen & experience cramming

  • Social in de zalen

De koppen in deel 2 zijn: 

  • Social op festivals

  • Social = personal?

  • Festival-tweaking = Simmer-sion

 Buiten de zalen: van kleinschalig naar grote idealen en van lokaal naar overkoepelend

 Opvallend in de trendontwikkeling van de laatste paar jaar, is het “gebrek aan verzet”. Ze lijken niet te ontstaan uit verzet tegen de instellingen of zich willen afzetten tegen heersende verhoudingen. Ze onttrekken zich gewoonweg aan de hiërarchie binnen de sector en programmering van de zalen. Maar die laatste opmerking is ook beroepsdeformatie van mijn kant, want overal elders is er wel degelijk “verzet”. De aanhalingstekens staan er, omdat het verzet zich niet via de klassieke reactionaire manier verspreid en organiseert, maar zich via trends en trendontwikkeling zichtbaar maakt. Waren we ons via kleine trends als lokale ruilkringen buurt-bijeenkomsten gaan organiseren tegen vervreemding, ons via slow-food gaan wapenen tegen globalisering, nu omarmen we massaal Transition Towns, car-sharing, frugal living, hebben we moestuinen op afstand en bestellen bij de tuinier er van een krop sla en gaan we in groter verband zelf groene energie winnen én verdelen. Deze ontwikkeling is ook in de theater- en evenementensector zichtbaar!

 Daar waar het aanvankelijk vooral multidisciplinaire concepten waren (bijvoorbeeld Klub KOE en l’Avventura)) die zich buiten de zalen begaven, werden het steeds meer op zichzelf staande evenementen, met een overkoepelend concept. Hierbij was de deal tussen maker/producent en publiek dat lokale kenmerken van een avond uit, werden gecombineerd met die van een kunsten-evenement. Voldoende ruimte voor het publiek om te experimenteren met nieuwe dingen, met de belofte van een avondvullend programma, met escapemogelijkheden, richting bar en nazit. Mocht de programmering niet kunnen boeien, was er altijd nog een vlucht richting bar mogelijk. De nazit werd steeds vaker geïntegreerd binnen het evenement; werd daar een integraal onderdeel van, wat onder meer consequenties heeft voor de programmering en de aard van de locaties. Aanwezigheid van horeca faciliteiten bijvoorbeeld. Het kraakverbod was nog niet van kracht, dus er waren redelijk wat locaties voorhanden die hun medewerking wilden en konden verlenen. Ook werden de concepten vanwege de kleinschaligheid en relatieve onbekendheid, gevrijwaard van strenge ARBO regels en gemeentelijke beperkingen.

Voorbeelden:

 Immersieve ervaringen & experience cramming

 Onderdompelende ervaringen kennen we al langer. Maar het publiek lijkt niet genoeg meer te hebben aan de gebruikelijke volgorde en sterkte van prikkels, zoals ze die kennen binnen de zalen. Aankomen in de foyer en wat drinken > aanvang concert/voorstelling > pauze > voortzetting voorstelling > drankje. De avond zelf is één grote onderdompeling. Vanaf binnenkomst tot aan de laatste minuut, is men overgeleverd aan een stortvloed aan ervaringen. Alle zintuigen worden bediend.

 In de experience economy staan ervaringen centraal. Unieke ervaringen die onderdompelend zijn, je een gevoel van de tijd vergeten geven, die ontsnapping bieden en een gevoel van actualiteit in zich hebben. De grootschalige evenementen blijven populair, maar ook zij leveren binnen hun respectievelijke concepten, kleinschalige varianten. Deze variëren van afterparties tot previews, van spin-offs tot VIP-arrangementen. Deze varianten zijn steeds meer gericht op kleinere groepen, die rondom bands, relaties van het festival of volgers op Facebook gericht zijn. Vergelijk de blog met de “volgcore” via deze link. Daar kom ik hieronder nog op terug.

 Wat opvalt aan de kleinere varianten van grootschalig opgezette belevingen, is dat ze niet groter willen zijn dan de volgers op de sociale media toestaan. Dit heeft enerzijds te maken met het feit dat dergelijke formules vaak bedoeld zijn om bestaande volggroepen en relaties te “belonen” voor hun fan-zijn, hun relatie met het evenement te bevestigen. Anderzijds past het in de trend dat er steeds meer kleinschalige evenementen plaatshebben, die zijn gericht op min of meer bekend publiek. Ze worden via Facebook aangekondigd, veelal georganiseerd voor en door jongeren op intieme locaties, zijn op zich ook voor iedereen toegankelijk, maar zullen vooral aankomen bij de binnenste paar schillen van de organiserende partij. In het geval van een band, de vrienden op facebook (waaronder de vaste aanhang, de vrienden en studiegenoten), relaties en de lokale culturele/muzikale kaart.

Belangrijk om nog aan te merken is het feit dat men heel goed in de gaten heeft hoe en waarmee men invloed kan uitoefenen op schillen buiten de eigen (virtuele) vriendenkring.

  De behoefte bestaat om te delen met een relatief kleine groep mensen, waarbij niet zozeer de inhoudelijke programmering maar meer een gedeelde lifestyle centraal staat. Festivals en evenementen hebben steeds beter in de gaten dat niet alleen de producties en concerten van belang zijn, maar het publiek ook in meer overdrachtelijke zin aan zich kunnen bieden, via andere parameters, als lifestyle, locaties, politiek en seizoensgebonden sentimenten en trends. Op andere vlakken dan de podiumwereld bestaan soortgelijke initiatieven ook. Voorbeelden zijn ruilparties voor tweede hands kleding en kleinschalige buurt-bijeenkomsten rondom het fenomeen frugality. Niet alleen de slechte economie speelt hierin een rol, maar ook status. Hier wordt overigens een andere vorm van frugality bedreven, dan men in het bedrijfsleven zou begrijpen. Op consumentenniveau betekent frugality een soort voortgang van wat begin jaren ’90 nog vrekken heette. Dit is een trend die zijdelings te maken heeft met bovenstaande, maar het voert voor nu te ver om daar uitgebreid op in te gaan.

 Een trend binnen genoemde initiatieven is die van experience cramming. Zo veel mogelijk willen ervaren binnen éénzelfde activiteit of tijdspanne, voor een redelijk bedrag. Een voorbeeld binnen de toeristische sector is op wintersport gaan en naast skieën, ook het lokale nachtleven en ter plaatse georganiseerde grootschalige evenementen willen bezoeken en een vakantie-in-een-vakantie willen beleven (naast skieën, een paar dagen rust). Binnen de evenementensector vertaalt zich dit (voor de langere termijn) naar mooie mogelijkheden om af te tasten bij de doelgroepen, waar nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden liggen om hen vast te houden als publiek.

Voorbeelden:

Qua ervaringen en immersie, hebben we nog lang niet de top of einde van de diverse trends daarin bereikt. Gebruiken we techniek om onze ervaringen mee vorm te geven (smartphone, camera), in de zeer nabije toekomst zal techniek zelf ook op specifieke ervaringen gericht zijn. Een voorbeeld van nu is de digitale lomo-camera en een Iphone app waarmee je foto’s alleen kunt bekijken als het virtuele “fotorolletje vol is”.

 Voor de evenementen is de trend belangrijk dat publiek / de consument steeds vaker graag zijn eigen ervaringen creëert en vormgeeft, zelf graag stuurt en de duur er van zelf bepaalt én dat hij ook “ sellsumer” is: hij maakt zelf en verkoopt tegelijkertijd. Hij koopt ervaringen, geeft ze opnieuw vorm en verkoopt ze weer. Dit heeft gevolgen voor het receptieve karakter van consumeren van cultuur en theater!

Social in de zalen

 Jazeker, ook de theater- en conertzalen moeten er aan geloven. We gaan ook Twitteren en Faceboeken in de zaal! Live filmen met de smartphone en dit meteen op Youtube plaatsen. We gaan met vrienden een eigen liveregistratie filmen van een concert en dit meteen live via Youtube uitzenden. Dit is niet hetzelfde als Twitcast, overigens.

 In sommige steden bestaat al het fenomeen “Tweetseats”, een rij stoelen (nu nog meestal achteraan) waar het toegestaan is om te Twitteren tijdens de voorstelling.

 Kort geleden lanceerde het Gelders Orkest een eigen app voor Ipad, “Voorgesteld”, met het programma voor het komende seizoen, filmfragmenten, geluid en interactie met de webshop. Dit is een nog vrij simpel voorbeeld van hoe zalen in de nabije toekomst van Ipad of schermpjes in de zalen gebruik gaan maken. Zij lopen hierin nog behoorlijk achter. Zalen zullen de ipad gaan gebruiken als een nieuwe manier om bezoekers van informatie en service te voorzien. Zij zullen net zo gewoon gaan worden als de vertrouwde toneelkijker die je bij de meeste theaters kon huren, vroeger. Publiek zal in de zalen met Ipad, live gaan twitteren, opnemen en uitzenden, live-streamen, terplekke zelf instagramfoto’s maken en verspreiden. De mogelijkheden liggen er, de techniek is er ook en het laat zich aanzien dat ook publiek hier klaar voor is. Over de wenselijkheid er van spreek ik me hier even niet uit.

Voorbeelden:

Tot zover deel 1. Over enkele dagen publiceer ik deel 2.

Renk van Oyen

Gerelateerde blog: De “volgcore”, de bands zonder fans.

Gerelateerde blog: Festival-tweaking, deel 1

Gerelateerde blog: Festival-tweaking, deel 2

[fblike]

Jezelf als meetinstrument: Experience design t.o.v. Ritme in tijd en ruimte, deel 2

Jezelf als meetinstrument

Experience design t.o.v. Ritme in tijd en ruimte, deel 2

Deel 1 is hier te lezen.

Ik schreef al in deel 1 van deze blog dat je als programmeur, als winkeleigenaar, als designer, in je eentje al een belangrijk en zeer relevant meetinstrument bent, voor het regisseren van belevenissen en het in kaart brengen van ervaringen.

Nu in  deel 2 enkele aanknopingspunten om de eerder omschreven gevoelsmatige benadering uit te werken, richting een concreet model, welke vervolgens weer gebruikt kan worden om de omgeving en ritmes daar binnen, in kaart te brengen.

Zien zonder te kijken

Welke overeenkomsten zie je met bijvoorbeeld publieksbeweging over het terrein heen? Valt dit bijvoorbeeld samen met etenstijd? De openstelling van de terrassen? Met het uitgaan van een voorstelling? Of is het gewoon “de spits”? Dat hangt natuurlijk direct samen met het woon-werkverkeer.

Ook de locatie, de ligging en fysieke plaatsing van het terrein zijn heel belangrijke factoren. Zo is het druk op het plein omdat er verschillende kleinere straten op uit komen, men het plein als een centraal gebied beschouwt, de omgeving beter is te overzien door de weidsheid van de locatie of het is in overdrachtelijke zin dé plek waar je hoofd tegen je zegt dat je daar het beste beeld van de stad krijgt, om vervolgens beslissingen te nemen over waar nu heen te gaan.

Beleven zonder deel te nemen

Het is interessant om te weten dat we geneigd zijn ritmes en bewegingen als één geheel te zien. Alsof de beweging van een groep mensen één gezamenlijke oorzaak en een gezamenlijk doel heeft. Dit is niet juist. Het zijn momenten of ogenblikken die je aanschouwt. Ze zijn niet noodzakelijk met elkaar verbonden, maar vormen een ritme door de herhaling die er in zit. Aangezien ons ritme voor een groot deel bepaald wordt door van buitenaf en zelfs van bovenaf opgelegde elementen (werk/rust-tijd, productieprocessen, van A naar B gaan met het doel het werkritme te volgen én die tegelijkertijd ook te dicteren), houden we dit ritme zelf in stand en kunnen er moeilijk op een objectieve manier naar kijken. Zeker niet als we zelf ook deel uitmaken van de ritmes die we proberen te analyseren. Ik schreef al dat je bij een analyse jezelf tijdelijk moet kunnen “uitzetten” en afstand kunnen nemen; er niet zelf aan deelnemen.

Schrijven en beschrijven in de tijd

Bij het analyseren van ritmes (in dit geval auditieve) op het festivalterrein of in het winkelcentrum, kun je opnames maken (ook beeldopnames) en die naderhand analyseren. Het gevaar ontstaat dan echter dat je dingen opvallen die bij ons als mens zijn voorgeprogrammeerd. Weliswaar kun je in muziek ook heel goed een hoofdritme en syncopen onderscheiden, maar het blijft een voorgeprogrameerd geheel. Je weet immers altijd waar de volgende slag in de beat gaat vallen. En zelfs bij een break in het ritme, weet je dat er een versnelling gaat komen en hoe die klinkt. We zijn zelf geen goeie graadmeter als we zelf middenin datzelfde ritme zitten of er aan deelnemen. Interessanter is het, om een dagboekje bij te houden gedurende een week (liefst 2 weken omdat je dan bijvoorbeeld 2 weekenden hebt om te vergelijken), en op verschillende tijden op te schrijven wat je opvalt. Begin met vrije tekst: letterlijk alles noteren wat je opvalt aan geluiden, aan publieksbeweging, aan lichtval etc. Vervolgens ga je volgens een gestructureerd onderzoeksmodel (bijvoorbeeld het observatieschema van Bailey), invullen wat je waarneemt. Ikzelf adviseer daarnaast om van bovengenoemde tijdsschema’s/tijdbalken gebruik te maken. Dit maakt het voor jezelf een stuk inzichtelijker en minder technisch. Het doel is vooral om het voor je zelf inzichtelijker te maken en te leren kijken en luisteren naar de materie op een manier die je niet gewend bent, niet om er een academische verhandeling over te hoeven schrijven.

 Observatieschema als kapstokje voor verdere uitwerking

Dit is het moment om de audio-opnames er bij te pakken. Het is dan geen objectieve waarneming meer, maar dat op zichzelf niet erg. Je kunt nu de resultaten op verschillende manieren gaan uitbouwen, zonder dat je je al te druk hoeft te maken over de subjectiviteit. De onderzoeksresultaten kunnen prima dienen als basis voor verdere mapping van de omgevingsfactoren. Welke kleuren hoorden bij een onderzoeksmoment? Welke stoffen? Hoe praatten de mensen met elkaar? Welke soort woorden gebruikten ze? Waren die locatiespecifiek (achter dat raam, bij die rode kraam, naast de toiletten) of gingen ze over een groter gebied, zoals “we gaan naar de Markt” of “we hebben geparkeerd bij xxx” ? Om het jezelf makkelijker te maken, kun je de onderzoeksresultaten naast “zware ritmes” leggen, zoals bijvoorbeeld openingstijden, de spits, ontbijt-lunch-diner etc. Speel zo veel mogelijk met de sub-ritmes en polyritmiek.

Namen om te onthouden: Levebvre, Kärrholm, Bailey, F. Wunderlich, Kevin Lynch,

Termen om te onthouden: La Clappeye Acts, experience design, festival-tweaking, observatieschema, urban rhythms, sociale geografie, metaphorical territories, mental/spacial mapping.

 Gerelateerde blog: Jezelf als meetinstrument: Experience design tov ritme in tijd en ruimte, deel 1

Gerelateerde blog: Fesrtival-Tweaking deel 2: de belevenis vs. de dagelijkse routine

[fblike]

Jezelf als meetinstrument: Experience Design tov ritme in tijd en ruimte, dl 1

Jezelf als meetinstrument

Experience design t.o.v. Ritme in tijd en ruimte, deel 1

Binnen La Clappeye Acts hou ik mij – waar het experience design aangaat – vooral bezig met het letterlijk bouwen, creëren van ervaringen; Regisseren van belevenissen en belevingen. Ik ga uit van een publiekskant, een creatie-kant en alle processen daar tussenin. Een benadering die ik voor zowel de culturele sector als voor het bedrijfsleven kan inzetten.

Dit is deel 1. Deel 2 valt hier te lezen.

Voor het in kaart brengen van bewegingen op een festivalterrein, de locatie van een event of zelfs een winkelstraat, bestaan velerlei onderzoeksmethoden, modellen en theorieën. Complexe materie waar je niet 1, 2, 3 doorheen komt. Nu is de complexiteit er van niet het grootste probleem. Binnen de meeste organisaties is budget en tijd wel een probleem.

Jijzelf, als programmeur, als winkeleigenaar, als designer, bent in je eentje al een belangrijk en zeer relevant meetinstrument voor het regisseren van belevenissen en het in kaart brengen van ervaringen. In deze blog (deel 1) en in deel 2- die ik later zal plaatsen -enkele methoden om jezelf in te zetten als meetinstrument. Concreet en toepasbaar en zelfstandig uit te werken en te gebruiken.

Het hoofd vrij voor belangrijke zaken

In mijn ervaring is het voor veel organisaties vrij moeilijk hun hoofden “vrij te maken” voor experience design, omdat meteen al de fout wordt gemaakt te denken dat zelfs de kleinste beweging, verregaande gevolgen heeft voor de hele organisatie en alle bedrijfsprocessen. Dat is niet noodzakelijk het geval. Experience design is nl. niet alleen een kwestie van in kaart brengen (en sturen) van het gedrag en beleving van de ánder, maar zeker ook van jezelf! Dit geeft al snel inzichten in het gedrag van bezoekers, van klanten en passanten.

Spiegelen

In een ander blog ( “Belevenis vs. dagelijkse routine” ) schreef ik al over “mimicking”, het spiegelen van de programmering en festivalverloop, aan de dagelijkse bezigheden en gedragingen van de doelgroep. Gedragingen die achter elkaar gezet, een ritme vormen maar niet noodzakelijk een causaal verband kennen. De ene gedraging beïnvloed de andere en er ontstaan subritmes die met elkaar in verbinding staan en weer beïnvloed worden door interne- en externe factoren, waar we maar voor een deel zelf echt invloed op hebben. Die vergelijking valt veel verder door te trekken dan dat.

Wat zijn bijvoorbeeld de beperkingen voor je publiek om naar het festivalterrein te kunnen of willen komen? In de genoemde blog schreef ik over het spiegelen van de gezinssituatie, bezien vanuit de kinderen. Ik omschreef hoe hun beleving van beloningen (toetje, verhaal), zekerheden (papa komt thuis) en routine (etenstijd), binnen de festivalprogrammering werden gespiegeld. Binnen dit voorbeeld was dit mogelijk omdat alle partijen die het mogelijk maakten deze belevingen te produceren, op dezelfde tijd op dezelfde plek waren. Papa en mama waren er, de auto was er, er was parkeerruimte, de kinderwagen was paraat en vrijetijdsbeleving en routine kon samenvallen binnen de festivalprogrammering. Daarnaast vielen cyclische en lineaire ritmes samen. Men ging van A naar B, kon toegeven aan honger en dorst op de locatie, konden de noodzakelijke rust, spanning en ontspanning vinden, op momenten waar dit nodig en recreatief wenselijk was.

Bewegingen starten, bewegingen stoppen

Één van de beperkingen die men kan ervaren om op het festivalterrein of in de winkel te komen, noemt men beperkingen in het koppelen. Alle mensen, materialen en hulpmiddelen moeten op een zeker moment en op een bepaalde plaats kunnen samenkomen (tegelijkertijd), om de geplande activiteit te kunnen uitvoeren. Dit is een geplande actie maar kan natuurlijk ook spontaan ontstaan, waardoor de intentie van de bezoeker een andere lading krijgt dan wanneer het een gepland samengaan van genoemde factoren betreft. In dit laatste geval is er meestal sprake van cyclische ritmes. Aangezien het hier een flinke opsomming van compromissen betreft van alle betrokken partijen, zijn de gevolgen van het opheffen van de beperkingen in het koppelen, aanzienlijk. Het betekent bijvoorbeeld dat de partijen langer op het festivalterrein zullen blijven, wanneer je de koppelingen op alle vlakken met elkaar in harmonie brengt (synchroniseren van verschillende ritmes) en de beperkingen probeert op te heffen.

Concreet kan dat betekenen dat je de vrijheid geeft aan ouders om hun auto gratis te parkeren, dat kinderen en ouders tegelijkertijd kunnen eten en drinken en de programmering erop gericht is om kinderen binnen het gezichtsveld van de rustende (op terras) ouders te houden. Daarnaast zorg je er zo veel mogelijk voor dat de ritmes van het gezin als eenheid, die van een persoon (cyclische ritmes) en functionele ritmes zo veel mogelijk worden bediend door omgeving, tijd en ruimte. In de 21e eeuw is het bijna overal zo, dat onze vrijetijdsbeleving voor een groot deel wordt bepaald door een “commercieel” ritme. Je hoeft niet daadwerkelijk dingen te koop aan te bieden, maar alleen al de momenten waarop een festivalterrein volstroomt met bezoekers, geven al weer dat men zich voegt naar “opgelegde” werk- en rust-ritmes.

Hoe zet je jezelf dan in als meetinstrument?

Observeren van de omgeving, maar “zet jezelf uit”. Dat wil zeggen, beleef de omgeving allereerst op een niet-rationele en organische manier. Dwing jezelf op een ander niveau je omgeving te ervaren. Je hóórt natuurlijk wel geluiden, maar hoe zitten die geluiden in elkaar? Zijn het storende geluiden? Waarom zijn ze dan storend? Waarom ervaar je het ene harde geluid als storend en het andere harde geluid niet? Als je dit in kaart brengt en je legt het langs een tijdlijn, wat valt dan op?

Horen zonder te luisteren

Wat mogelijk zou kunnen opvallen is dat je de harde geluiden ‘s morgens als vervelender ervaart dan dezelfde geluiden in de namiddag. Toch waren er evenveel mensen op het terrein. Kan het zijn dat de intentie van de mensen op het terrein ‘s morgens er een was van zo snel mogelijk van A naar B gaan? En die in de avond er een van recreëren? Filter alle niet-storende geluiden uit je schema en leg die weer langs een tijdlijn. De opeenvolging van momenten, vormen een ritme. Onthoud dat die ritmes geen causaal verhaal vertellen. Dat het een volstrekt onlogische brei lijkt, is niet van belang!

Tot zover deel 1.

In deel 2 onder meer: observatieschema, schrijven en beschrijven in de tijd, beleven zonder deelnemen.

Gerelateerde blog: Festival-Tweaking deel 2: De belevenis vs de dagelijkse routing

image image

[fblike]

Groendoen 2.0

Groendoen 2.0

“Groendoen”… De festivals zijn er fantastisch goed mee bezig, maar wat heb je er verder aan? Je kunt prachtig bewerkte pijpen in het riool onder je huis laten aanleggen, maar als niemand het weet en ziet… wat moet je er dan mee? Groendoen is goed maar de bezoeker zal het niet zo snel zien als een belangrijke reden om naar juist dat ene groene festival te gaan. Nog even een noviteit, een strijden van goedbedoelende visionaire pioniers. Goed voor toch zeker 4 seizoenen zeer speciaal zijn, als festival.

Een evenement met alleen maar groene kenmerken, dat is een ander verhaal. Daar kan men zich nu nog mee onderscheiden: alles is groen en verantwoord. De drankjes zijn verantwoord, geserveerd in verantwoord groen en recycleerbaar materiaal, men zit op gerecyclede kartonnen stoelen en kijkt naar groene drankjes drinkende bands die eten van een op zijn slow-foods-gefabriceerde koe. Echter, hoe lang duurt dat nog, dat je je kunt onderscheiden als zijnde een groen  evenement? We leven in een vluchtige tijd. Emoties zijn maar heel even exclusief van onszelf. Dus waarschijnlijk  niet heel lang meer. Bovendien wil de bezoeker liever niet belerend worden toegesproken.  Bijzonder groen, moet zo snel mogelijk normaal worden. Je moet een heel sterk merk zijn, wil je deze emotie meteen kunnen claimen en  vasthouden. Daarbij laat de bezoeker zich niet graag de les lezen; dat weten zij immers ook wel, dat groendoen goed is. Of men het actief doet is niet belangrijk, de intentie groen te doen is er al lang. En intentie volgt op emotie. Gepasseerd station dan? Geef de intentie creatieve vleugels! Het “consumeren” en zeker het actief meedoen aan het creatieve groendoen, geeft de illusie van “goed bezig zijn” en tegelijkertijd heeft men plezier op uw festival. U beloont tevens de bezoeker voor de band met het festival, door hen actief te laten zijn binnen het groendoen: het (al dan niet nieuw gevonden) DNA van het festival. Voor het publiek is het een gesublimeerde vorm van groendoen, en dat geeft weer een goed gevoel: het gevoel van uw festivalconcept.

De evenementensector stimuleert zelf het groengehalte en het zal niet heel lang meer duren eer de bezoeker, de consument, groendoen ziet als iets heel vanzelfsprekends. Wie zal het immers in zijn hoofd halen te zeggen dat groendoen niet goed is? Voor milieu, voor dier en mens, voor de wereld. Men kan vooruitlopen met biologisch geteelt vlees, maar als dit eenmaal de norm is geworden en men heeft er van overheidswege regulering bij bedacht, heb je niet meer iets bijzonders in handen.

Groendoen is een gevoel

Voor evenementen en festivals is in directe vorm de boodschap “groen is goed”  afgeven, een gepasseerd station.  Dat klinkt misschien cynisch, maar we zijn nu eenmaal mensen. Bovendien moet groen maar net passen bij je evenement. De TT in Assen zou bv. alles op groene energie moeten laten lopen, om als groendoener geloofwaardig te kunnen zijn. Dat doe je niet zo maar even.

Wel kan men scoren met de vorm van groendoen en vooral het gevoel van groendoen.

Groendoen is heel erg in. Leuk voor het groen, maar minder leuk als je je groen wil profileren als festival zijnde. De Slow-food beweging heeft heel lang gedaan alsof hun manier van kijken naar de wereld, manier van produceren en genieten, “ de normaalste zaak van de wereld was.”  Een beweging die ik overigens een warm hart toedraag. Dus: geen keurmerken, geen speciale slow-food restaurants, liever geen slow-food cursussen voor consuminderaars.  Slow food heeft een gigantische bijdrage geleverd aan  het verantwoord produceren van lokale producten, maar heeft die “ moral highground”  verloren aan de trend van… juist, lokaal maken van grote brands. Tegelijkertijd zagen we in Europa een  groeiende belangstelling voor slow food-achtige producten en een reguleringsdrang vanuit Europa.

Je hebt meer macht wanneer je laten we zeggen een keurmerk introduceert met lagen erin, dan een keurmerk met alleen maar grote en mooie woorden, met een mooi stempeltje erbij.

De uitdaging voor de festivals en evenementen is naar mijn mening, om het grote goed, het grote idee en de schitterende grote idealen, samen te pakken in activiteiten die een natuurlijke binding hebben met het DNA van het festivalconcept.

Dit zou een prachtige overlevingskans kunnen zijn voor festival Mundial in Tilburg, die naar mijn mening een beetje de weg zijn kwijtgeraakt. In deze tijd scoort multicultureel (tijdelijk) helaas niet meer zo goed, maar voeg daar de factoren groen, vrijheid en verantwoord aan toe en men kan weer jaren vooruit!

Een concreet voorbeeld: Op het festivalplein is een soort bloemenperk van papieren bloemen aangelegd. Bij elke kilowatt energie die wordt bespaard door actief meedoen door het publiek, groeien de bomen. Net zo lang tot het plein totaal groen ziet van papieren bomen met papieren bloesem. Het actief meedoen van publiek kan bestaan uit rommel per kilo van de grond af rapen, op hometrainers met dynamo energie genereren voor het festivalterrein, de fietsers gesponsord door het tuincentrum. Via een app virtueel bloemen planten in de stad en ga zo maar door.

Een tip: Eigen je een ideologie toe, doe alsof je al bijna klaar bent met de 2.0-versie daar van en een autoriteit op het aankomende 3.0. Zorg dat die boodschap en visie ook verweven is binnen de textuur van je evenement en zorg dat die creatieve handen en voeten krijgt.  De lokaliteit heb je al binnen: de locatie van je evenement. Roep de boodschap niet om, maar straal hem uit.

[fblike]

Festival-Tweaking deel 2: de belevenis vs dagelijkse routine

Festival-Tweaking deel 2: de belevenis vs dagelijkse routine

In dit deel van Festival-tweaking kijken we naar een voorbeeld van programmering tov de dagelijkse routine van de bezoekers.

Iedere beginner kan op z’n vingers natellen dat je niet een boterhammetje kaas serveert om 15.30 en daarvoor en daarna niets. Of dat de enige kindervoorstelling duurt van 17.30 tot 20 uur: te lang en tijdens etenstijd.

Maar de ervaring en belevenis die we de bezoekers willen meegeven, gaat dieper dan dat.

Neem een festival van meerdere dagen. Er is een programmering die enthousiast is in elkaar gezet, maar waarin te weinig rekening is gehouden met de bezoeker. De beleving die we de bezoeker willen meegeven, is een unieke beleving. Eentje die alléén op dat moment beleefd kan worden, met de ingrediënten die daar op dat moment aanwezig zijn. Geenszins routine, natuurlijk. En bovendien willen we dat de belevenis die we voor hen creeëren, zichzelf steeds blijft vernieuwen, voor zo lang de levenscyclus van ons product (het festival, de voorstelling) volgens ons moet duren. Het moet bijzonder zijn en onalledaags. Bovendien moet je in elke fase van de activiteit kunnen “instappen” om de belevenis te ervaren.

Geloofwaardige beloftes

Toch kunnen we kijken naar de dagelijkse routine van de bezoeker, als geleider van zijn beleving; als de smeerolie waarmee we hem flexibel kunnen laten meedraaien in de beleving die we voor de bezoeker proberen te bewerkstelligen.

Bij een meerdaags festival, kun je de bezoeker het gevoel geven, dat onderdelen van de programmering speciaal voor hem op maat zijn gemaakt. Dit doe je door bijvoorbeeld voorstellingen van hetzelfde type of van dezelfde soort sfeer, horizontaal te programmeren.  Dat wil zeggen: hetzelfde start dagelijks op dezelfde tijd, geeft eenzelfde beleving en stopt op dezelfde tijd. Daaromheen introduceer je steeds nieuwe en andere elementen om de beleving mee te versterken en vooral te vernieuwen. Die onderdelen kunnen letterlijk zijn: hetzelfde beleg op je broodje, maar ze kunnen ook op een subliminale manier worden gedoseerd, of in de vorm van sfeer en thematiek. In het geval van kindervoorstellingen bijvoorbeeld, hoeft het niet elke dag Roodkapje te zijn, maar wel elke dag bv. een zoete, sprookjesachtige sfeer op hetzelfde deel van het festivalterrein, met steeds iets lekkers erbij. Een sprookjesbos, feeërieke lichtjes, de geur van hout, een beetje donker en griezelig etc. Daar kun je verder omheen bouwen. Bijvoorbeeld Roodkapje laten rondlopen op het terrein, in de folder een heks afbeelden en rokende ketels met drop op het terrein neerzetten. Voor papa en mama hebben we een speciale (alcoholische) sprookjes-cocktail in de aanbieding. De beleving die je hiermee creëert, is de geleider van de inhoud: de eigenlijke voorstelling. Eenmaal gekozen voor die beleving, kunnen wij als makers en bedenkers daarvan, de beleving verlengen en sturen. Zo weet de bezoeker dat hij dagelijks op ongeveer hetzelfde moment een nieuwe belevenis krijgt, binnen een hem vertrouwde sfeer. Bedenk wel: een beleving beloont altijd, maar straft nooit!

Belevingen eindigen nooit!

Het punt ná de kindervoorstelling met sprookjesthema, is een kinder-maaltijd. De sfeer is lichter, maar je bouwt voort op het sprookjes-thema met bijvoorbeeld feeënkoekjes, heksendrop en Sneeuwwitjesdrop. Ook bij sprookjes kan snel verzadiging optreden, dus het is zaak om de beleving steeds te vernieuwen, voordat verveling toeslaat. Door het concept steeds zichzelf te laten vernieuwen, verleng je de levenscyclus van de beleving. Als je het heel letterlijk neemt, zou je Klein Duimpje binnen 3 dagen kunnen laten uitgroeien tot een hele grote maar vriendelijke reus. Dat is een niet alleen een lineair verloop, maar kan causaal gemaakt worden doordat Klein Duimpje vanaf dag 1 heel gezond bezig is met eten, zijn bord altijd leeg eet, heel goed luistert en leert lopen en lezen. Bij dag 3 is hij een grote en vriendelijke reus geworden, die papa en mama op zijn schouders neemt en hen een mooi verhaal vertelt. Je hebt nu zowel de kinderen als de ouders meegekregen in een verloop waar zij privé ook middenin staan, zij zelf ook kennen en herkennen, alleen maar positief kan uitwerken (groeien is leuk), én je houdt de nieuwsgierigheid brandende. De volgende dag weet je pas hoe het verder ging met de groeiende Klein Duimpje. Een cliffhanger? Nee, dat niet. Je sluit af met een gezamenlijk gezongen lied. Want voordat je de activiteit/voorstelling afsluit, moet je ook een mooie afronding hebben van de beleving die je hebt gemaakt voor het publiek, waarbij de belevenis van dat moment is afgesloten en tegelijkertijd een nieuwe beleving werd geïntroduceert! Het lied is het eerste lied uit een hele reeks van meezingliedjes. Maar nu lopen de acteurs langs de klaargezette eettafels en delen pakketjes uit met lekkere en gezonde dingen. De kinderen ervaren dit als bevrijdend, omdat ze vanuit de theaterstoel regelrecht naar de tafels vol lekkere dingen gaan, waar zitten niet verplicht is. Ook de ouders zijn even vrij, want de kinderen spelen met de andere kinderen en met de animatie.

Bovenstaand verloop is vrij letterlijk omschreven, maar  er zijn zo veel manieren om om de belevenis te introduceren, te laten “lopen”, te laten “zijn” en zich onmerkbaar weer te vernieuwen.

Als je bovenstaande belevenis nu eens langs de dagelijkse routine van het gezinnetje legt (ga even uit van jonge ouders met kleine kinderen), dan zie je weerspiegelt in het geheel:

–         Papa komt thuis (even uitgaan van een rollenpatroon) en speelt even met de kinderen

–         De kinderen spelen even met papa, die net is thuisgekomen

–         Papa en mama hebben voorkennis: we gaan de kinderen iets leuks geven

–         Papa en mama beloven de kinderen lekker eten en een verrassing

–         Het gezin gaat eten met een lekker toetje

–         De verrassing

–         Nog even spelen en lekker laat naar bed.

Kortom, met de bouwstenen die voor de kinderen thuis een spannende en ongewone avond maken, spelen we met de spanning bij de kinderen (het anticiperen, we krijgen iets lekkers, gaan “iets” leuks doen), die van de ouders (afsluiten van de dagelijkse routine; we gaan de kinderen iets leuks geven, iets lekkers en “iets” leuks met hen doen) en met de routine van de gezinssituatie. De beleving van de sprookjessfeer- en voorstelling zoals hierboven beschreven, is een weerspiegeling van de verwensituatie die ik hier schets.

Lees Festival-tweaking deel 1, hier

Gerelateerde post: Jezelf als meetinstrument: Experience design tov ritme in tijd en ruimte.

[fblike]

Festival-tweaking, deel 1

Festival-tweaking, deel 1

Festival-tweaking is een vast onderdeel op dit blog. Vooral omdat het finetunen en tweaken van festivals, concepten en culturele projecten, een belangrijk onderdeel is van mijn werk. Feitelijk gaat het om finetunen van concepten in bredere zin. Soms is de vraag direct, maar meestal komen die zaken gaandeweg aan het licht. Creative Concepting door La Clappeye Acts, kan daar bij helpen.

Het komt vaker voor dat opdrachtgevers hun reeds bestaande format of concept willen behouden en wat aan fijnafstemming willen doen, dan dat er compleet nieuwe concepten geboren moeten worden. Ook dat gebeurt gelukkig, maar eenmaal een concept of format gevonden, wil men daar niet zo makkelijk meer van afstappen. Begrijpelijk, het is hun kindje, hun “ding” en daar waken ze terecht over.

Tweaking klinkt vluchtig en ad hoc, maar dat is het bepaald niet. Festival-tweaking heeft een aantal grote voordelen. Je gaat zelf anders kijken naar wat je hebt bedacht en neergezet, je past principes toe op je concept waar je niet eerder aan hebt gedacht, je gaat de blinde vlekken weggummen, lievelingetjes even opzij zetten, opnieuw nadenken over wat je eigenlijk wil zeggen. Door te kijken naar details, door zaken in het kleine om te draaien (soms letterlijk), ga je vanzelf kijken naar het grotere plaatje. Klopt alles nog wel? Vaak is dit een plafond waar organisaties tegenaan lopen, waardoor ideeën blijven steken in een losse gedachte of terloopse opmerking. Misschien moet alles wel herijkt worden? Zo lang je dat maar niet aan de grote klok hangt, kun je daar mee experimenteren wat je wil. Uiteindelijk moet ik er zelf zorg voor dragen dat niemand zich gepasseert voelt, dat het basis-idee overeind blijft (voor zover dat de bedoeling is natuurlijk) en alle betrokkenen hun “ding” kunnen blijven doen.

Het tweaken en finetunen gebeurt bij voorkeur NIET in een brainstormsessie of vergadering. Bij een brainstormsessie is het weliswaar zo, dat tot de regels kan behoren dat je elkaar bv. niet veroordeelt of ideeën tegenhoudt, maar je gaat toch uit van een bepaald stramien waaromheen de brainstormsessies worden gebouwd, waarvan de deelnemers al bij voorbaat beperkt worden in hun denken. Je kunt wel out-of-the-box willen denken, máár…. Het moet maar net op het whiteboard of flipover passen.

“Tweaken, dat doe je in verschillende lagen.”

Beleving tijdens een programma-onderdeel / voorstelling.

Je hebt een mooie voorstelling, maar de meer subversieve beleving moet je ook kunnen overbrengen in de fysieke omgeving en in de spanningsboog van de avond. Niet alleen de voorstelling heeft een vantevoren uitgekiende spanningsboog, het verloop van de héle avond of de héle activiteit, kent een eigen spanningsboog. Men is bijvoorbeeld gewend dat een voorstelling uit meerdere bedrijven kan bestaan en dat de ruimte daartussenin een “pauze” heet. Men is gewend rustig op te staan en op een bepaalde snelheid naar de foyer te lopen. Is de omgeving daar op ingericht? Zijn de paden zó breed dat er chaos kan ontstaan of dat de intimiteit van de voorstelling wegvalt? Smallere paden forceren een rustig verloop van de pauze, het buitengaan en weer binnen komen. Té smal levert natuurlijk irritatie op. De pauze moet vervolgens niet al te lang duren. Men komt uit de voorstelling met een gecultiveerd ritme en dat moet je zien vast te houden én te voeden!

Beleving van het stilistisch geheel, door het publiek

–         Micro-mapping: In kaart brengen in grafiekjes en timelines van de beeld- en geluidsbibliotheek in het hoofd van de bezoeker

–         Idem, op het gebied van sociale ontwikkelingen, persoonlijke ontwikkeling, levensloop, politieke stromingen en nabije omgeving

Kortom, het in kaart brengen van het referentiekader van de bezoeker.

Ik gebruik voor micromapping een soort timeline van een denkbeeldige bezoeker van leeftijd X, waarboven en onder categorieën zijn aangebracht. Bijvoorbeeld categorieën als “politiek” of “maatschappelijke ontwikkelingen” Heeft iemand bijvoorbeeld ProVo meegemaakt? Dolle Mina, baas in eigen buik, bezetting van het Maagdenhuis? Welke beelden horen daarbij? Welke vormen en kleuren? De ijkpersoon heeft kinderen gekregen in 1973, de kinderen waren puber in 1987. Dat betekent een grote dominantie van invloeden vanuit jongerenmedia rondom die periode. Wat was er in de mode? Welke muziek klonk op de radio? Welke auto’s werden er gereden? Welke kleuren, vormen, geuren en combinaties daar van, wekken associaties op met hun jeugd, met hun pubertijd? Hoort bij de herinnering aan hun studerende periode, een gevoel van strijdvaardigheid? Van feesten? Welke iconen uit die tijd, spreken nu nog net zo hard tot hun verbeelding? Bij de verschillende onderdelen die je hiermee in kaart brengt, kun je nog verder gaan door plaatjes, stofjes en textuurtjes te plakken bij de verschillend onderdelen.

Allemaal tools om een beeld te krijgen van de innerlijke bibliotheken van je bezoekers. Vervolgens moet je dit nog gaan vertalen naar conrete beelden en ervaringen. Wil je een jaren ’80 sfeer overbrengen aan je publiek? Dan moet je wel zorgen dat ze die beeldtaal begrijpen. Over the top? Ook dan de juiste verhoudingen aan “serieuze” stijlelementen van de jaren ’80 en de overtreffende trap daar van, om het overdreven gevoel te kunnen overbrengen.

Onbewuste en subliminale  beïnvloeding.

Ik heb voor een bedrijf ooit een show gemaakt, waarvoor ik een soort groot altaar van de wansmaak had gemaakt. Het ding had kaarsjes, heel veel knipperende lampjes, nepgouden “altaarkast”, een offertafel. Tegelijkertijd fungeerde het altaar als een soort set van een televisieprogramma uit de jaren ’50. De twee hoofdpersonen (soort kosters-echtpaar) waren in het begin heel vroom en nog voor zij op kwamen, was het voor het publiek overduidelijk dat het hier een katholiek hoogaltaar betrof. Er hoefde maar één detail te worden toegevoegd om het een televisieset te laten worden: een héél lullig orgelmuziekje met een soort jingle. Het publiek ging van piëteit in een keer naar joligheid en spot. Kortom, met heel kleine subtiele veranderingen, trigger je een beleving onder het publiek.

Als je dat uit elkaar gaat halen, is het vooral de symmetrie van het geheel: de hoge “altaarkast” en de 2 zijpanelen (zetstukken), met de altaartafel ervoor. Een hoogaltaar dus.

Dit fenomeen heb ik afgekeken van een verschijnsel dat in de literatuur “the theatre of majesty” heet. Dat handelt over de rechtvaardiging van aristocratische macht door uiterlijk vertoon aan het volk. Iets waarvan men zich tot op de dag van vandaag nog bedient. Die rituelen kennen eenzelfde opbouw, eenzelfde scheiding tussen het publiek (horigen) en de adel (artiest), met een geleidende kwaliteit, in de vorm van rechtspraak of in dit geval piëteit. Niet zo vreemd dat men in vroeg tijden, hun rituelen spiegelden aan kerkelijke rituelen.

Een ander voorbeeld. Ik was gastprogrammeur bij het Bossche Klub KOE (Kunsten Ontmoeten Elkaar) en de locatie was een voormalige kerk. Waar ooit het altaar was, was nu een podium met een groot scherm ode achtergrond. Er stonden nog wel banken in de kerk. In de hele ruimte en in de bijgebouwen waren dingen te zien. Toen we de deuren openden en het publiek binnenstroomde, ging men tot mijn stomme verbazing regelrecht naar de kerkbanken en gingen daar zitten. Starend naar waar ooit het altaar was… maar nu het podium, nog zonder acts.  Het duurde even eer men van de banken kwam, de ruimte in. Dat was niet een vantevoren ge-tweakte belevenis… puur psychologie en cultivering.

Tot zover deel 1 over festival-tweaking.

In een volgend blogje, zal ik dieper ingaan op het behandelen van de festivalprogrammering ten opzichte van de dagelijkse routine van de bezoekers.

Bekeken publiek

Bekeken publiek.

Publiek, dat kennen we. Het is de partij die aan de andere kant van het podium zit een naar je aan het kijken is. We hebben een ongeschreven afspraak onderling, dat als de artiest staat te spelen of te acteren, het publiek aandachtig luistert en als blijk van waardering naderhand gaat applaudisseren..

Een aantal jaren geleden was publiek met een abonnement toch een beetje not-done. Er werd met het nodige dedain naar gekeken. Nu houd ik (Renk van Oyen) mij vanuit La Clappeye Acts én Oude Muziek Brabant en als freelancer, veel bezig met publieksbereik en kijk ik ook naar de eigenaardigheden van de verschillende soorten publiek.

Hoewel ik niet officieel een marketeer ben, is dat wel ook onderdeel van mijn werk. Dat maakt m’n werk zo leuk, ik mag me overal mee bemoeien… en dat doe ik dan ook.

Het is heel grappig te zien dat publiek niet zomaar publiek is. Nog los van de ongeschreven afspraken die je met elkaar hebt gemaakt, kent elke groep zo zijn eigenaardigheden. Men vergeet vaak dat die eigenaardigheden niet altijd op afstand van de zaal meetbaar zijn- de parameters van je doelgroep, waarop je je richt bij publiekswerving –maar pas ín de zaal of in de foyer voorafgaand aan of na de voorstelling pas zichtbaar worden!  Dat zijn héél belangrijke factoren, die door marketeers maar ook door programmeurs nogal eens over het hoofd worden gezien. Als je de potentiële kopers van een bankstel in je winkel hebt, wil je er toch ook voor zorgen dat ze ín die winkel op een nette manier worden bejegend? Dat geldt dubbel zo hard voor het theater, natuurlijk.

Abonnementen.

Ik schreef al over abonnementhouders. Dat zijn trouwe bezoekers maar toch… ze lijken meer te consumeren dan dat ze daadwerkelijk ín de voorstelling zitten. Van hen was bekend dat zij zich thuisvoelden in het theater, dat ze graag gezien werden na de voorstelling, in de foyer en graag erkenning wilde van hun connaisseurschap. Na de voorstelling was het grappig om te zien hoe dat werkte. Het abonnementpubliek dronk wel wat, maar was meer bezig zich ten opzochte van hun collega’s te laten zien als zijnde connaisseurs.. kind aan huis, ze hadden al zeker 6 voorstellingen gezien. Als zij eenmaal weg waren, bleef er een kliekje over die wij het “echte” theaterpubliek vonden. De acteurs waren eenmaal klaar met douchen en afschminken en daalden af naar de foyer. De echte liefhebbers waren overgebleven en waren trots zich te mogen mengen met de theatermakers. Pas een jaar of 12 geleden, kwamen marketeers en theatermakers op het geweldige idee om metéén het publiek en de theatermakers met elkaar te vermengen. Geen artiestenfoyers meer, gewoon aan de bar met Pierre Bokma en Kitty Courbois. Afgekeken van Brabant, waar dit al wat gewoner was dan in het noorden. Concepting was aan het oprukken en oplettende concepters hadden allang gezien dat je de eigenaardigheden van het publiek moest omzetten naar betrokkenheid, naar bevestigen en belonen van hun relatie tot het gezelschap of het theater. De muur tussen uivoerenden en publiek was aan het vervagen. Dezelfde “vierde muur” die we kennen van het toneel, overigens. Ook daar was publiek en de maker onderling uitwisselbaar. Dat gebeurde ook letterlijk, door het publiek op het podium te planten, en de acteurs speelden in de zaal. Redelijk nieuw was dat toen, nu moet je wel met iets interessanters komen, wil je dat verschijnsel nog nieuw kunnen noemen.

In ’s-Hertogenbosch staat het publiek er om bekend dat ze voor bijna alles een staande ovatie geven. Al is de voorstelling van een pijnlijk slechte kwaliteit… de Bosschenaar gaat er met alle liefde voor staan. Ik denk zelf dat dit niet zozeer een uiting van bewondering is. Met gaan staan, trek je de acteur naar hetzelfde niveau toe; je forceert een gelijkwaardigheid. Boven een recensie van Festival Boulevard stond eens de kop “Den Bosch klapt vooral voor kunstjes.” Het is toch een beetje zeggen dat je waardering toont, maar ga vooral niet naast je schoenen lopen. We blijven calvinisten, zelfs in het Zuiden. Niet dat dit slecht is, alleen is het wel jammer dat er nauwelijks een overstijgende trap is van een staande ovatie, om je bewondering te tonen. In het concertgebouw in Amsterdam ontstond zowaar een protestactie door musici. En er werden papiertjes opgehangen met de vraag niet voor alles te gaan staan.

Geld terug?

In sommige zalen is het even de gewoonte geweest een niet-goed-geld-terug-garantie te geven. Mocht je als publiek na de voorstelling besluiten dat je het niks vond, gewoon geld terug en nog een kopje koffie erbij voor de troost. Zelf heb ik altijd geweigerd daar aan mee te werken. Je neemt een aanvaardbaar risico als publiek. Je orienteert je, leest de site, de kritieken. En op basis daar van, besluit je het risico te nemen of niet. Het is abstract en het is gemaakt om een gevoel en beleving over te brengen. Of dit iets moois met je heeft gedaan of niet… de beleving heb je gehad. Dus niks geld terug. Wat een arrogantie, eigenlijk!

De niet-goed-geld-terug-garantie werd destijds ook meer ingegeven door het beleid van van der Ploeg dan door het publiek zelf. Entree: meespeeltheater, terugspeeltheater, interactief theater, theater-interviews. Allemaal manieren om de dialoog aan te gaan met het publiek. Eentje die verder moest gaan dan een staande ovatie als blijk van waardering, én tegelijkertijd de hiërarchie- voor zover die er nog was –met tak en wortel uit te roeien. Ik ben het in mijn loopbaan niet vaak tegengekomen dat mensen hun geld terug mochten vragen. Gelukkig maar. Toch is ook dit weer een stapje verder in de zelf-emancipering van het publiek. Dan moet er dus ook sprake zijn van een zekere achterstand, toch? Als ik “moeilijk publiek”’  even buiten beschouwing laat, zie ik niet zo’n achterstand bij het publiek ten opzichte van de rest van de wereld. Laat staan ten opzichte van theatermakers. Maar het hoort wel bij de democratisering van de kunst en de mythe van de beschikbaarheid, als basis voor vrijheid. Auto-emancipatie is in dit licht een betere term dan zelf-emancipatie. Als de hiërarchie weg is, en je wil nogsteeds entertaint worden, dan moet er toch een scheiding zijn tussen de spelers en de kijkers. Je kunt de scheiding wel weggummen… maar als je aan het einde applaudisseert, stem je in met die scheiding tussen de kunstenaar en het publiek. Is auto-emancipatie dan niet gewoon een vorm van cultureel darwinisme? We zijn niet meer bereid de geschiedenis af te wachten, trends en langzame divergente ontwikkelingen willen we niet meer. Dat wringt! Daar willen we van af. Dat kan niet democratisch zijn!

Asymetrische reciprociteit is dat. Men is afhankelijk van elkaar, heeft gelijkwaardig ruilmateriaal (applaus en waardering t.o.v. het artistieke product), maar de gelijkwaardige relatie is op een ander vlak tegelijkertijd hiërarchisch te noemen. Te vergelijken met je baas die tegelijkertijd ook je neef is.

Dus theater willen we niet consumeren, we willen niet een te grote kloof tussen uitvoerenden en het publiek, maar wel willen we dat er een stukje magie overblijft… We moeten aan de buitenkant doen alsof maker en toeschouwer beiden hetzelfde zijn, gelijkwaardig, geen spreker of toehoorder… en dan accepteren we als publiek dat ze toch nog eventjes maar, iets anders zijn dan wij en zelfs iets kunnen wat wij stervelingen niet kunnen: acteren, musiceren, dansen en zingen.

Het abonnementspubliek wil vooral comfort, niet teveel toeters en bellen en liever geen thematische benadering, anders dan die van de serie waarin ze zich hebben ingekocht. Het is een groep die gewend is aan een hoog servicegehalte, niet te veel hoeven wachten, hebben zich vooraf goed ingelezen in de materie, kennen de cast van haver tot gort (in theorie) en ze wonen graag goed georganiseerde lezingen en voorbesprekingen bij. Maar… dit is wel een beeld van alweer 5 jaar geleden. Ouder abonnementspubliek van toen, is nu weer 5 jaar ouder, en dat zijn ook de mensen die toen 5 jaar jonger waren. In die tijd is er alweer heel veel anders geworden.

Festivals Klassiek: Experimenteer meer!

Sommige festivals hebben het goed begrepen. De voorstellingen en concerten binnen het festival, raken via zo veel lijntjes het publiek, daar is deze blog even te kort voor. Maar de stap ná het kopen van het kaartje… dat is nogsteeds een achtergebleven gebied.

Ik was nauw betrokken bij het Storioni Festival 2011, een klassiek festival. Ze hadden op een aantal dagen na de concerten een soort talkshow, waarvan de formule was (en ik citeer) “we zien wel wat er gebeurt.” Als het aan mij had gelegen had ik de boel van A. tot Z. vooraf tot in de details geregisseerd.  Niets aan het toeval overgelaten. Hoewel hier en daar soms wat knullig, verliepen de “talkshows” in de foyer, na de concerten , wonderwel! Ik was verbaasd over de informele sfeer. Maar wat mij van mijzelf verbaasde, was het feit dat het publiek (gemiddeld 50-55 jaar oud), een heel ander mediorenpuliek was dan ik had verwacht. Ik ken wel de onderzoeken en de eigenschappen van het publiek, maar hier zie ik mensen die weliswaar gemiddeld 55 jaar oud zijn, maar toch iets alternatiefs over zich hebben, verrassend veel bleken te weten van de optredende artiesten en heel breed georienteerd waren. Het waren vooral de mensen die meerdere concerten bezochten, die de sfeer van het festival bepaalden. Kortom, het verkregen inzicht was (voor dit festival): EXPERIMENTEER VEEL MEER! Het zijn mensen die blijkbaar toch iets méér willen, betrokken willen zijn bij het geheel, de formaliteit willen loslaten. Dit is voor de klassieke muziek uiterst goed nieuws! Ik had voor dit festival met een collega (Tanja Beugelsdijk van Beugelsdijk communicatie) een sociale media campagne uit de grond gestampt.

Het werkte uitstekend maar bij een volgende editie ga ik zeker andere keuzes maken in de inzet er van! Sowieso veel meer integreren binnen de randprogrammering.

Aanbevelingen.

Voor mij als man van La Clappeye is dit heel interessant. Ik ben meer maker dan marketeer en dit is klassiek publiek 2.0, waarmee nog heel veel mooie successen te behalen zijn! Maar wel binnen een veel breder concept dan op hoop van zegen losse onderdelen aanelkaar te plakken. Ik adviseer: maak korrelig wat strakgestreken was, ga niet meer uit van teveel veronderstellingen, stel “organische” ontmoetingen samen, niet alles dood-produceren, laat de inhoud van de concerten voor zichzelf spreken, zonder te veel “gemaakte” poespas erbij, en ga voor en na de voorstelling zorgen dat het festival sfeer krijgt en versterk dáár de binding van het publiek met makers en festival!

[fblike]