Tag Archives: momentenbouwen

Leren kijken naar een ding deel 2

Design en designer

Voor een creatief concepter en experience designer, zijn dit belangwekkende thema’s. Technologie werkt beter als het de gebarenwereld van de mens volgt. Andersom, passen we ons ook steeds meer aan, aan de fysieke en ergonomische eisen van nieuwe apparaten. Net zoals bij andere gebaren die we maken en herkennen, zijn gebaren geen geisoleerde momenten, bij het gebruik van een apparaat. Het zijn dynamische momenten, geincorporeerde aanwezigheid, binnen een ketting van belevingen van verschllende bewegingen. Het krijgt zijn betekenis, in zijn geheel gezien. Sociale context is een deel van dat geheel.

Bijna altijd, hebben acties en bewegingen van ontwerpers, andere gevolgen dan die bedoeld werden.

Niet zoals de kunsten, natuurwetenschappen en humanistische studies, gaat design in essentie over intervenieren in de wereld. Creatief design vraagt daarom om grote intellectuele uitdagingen. De designer als reflectief beoefenaar (vrij vertaald naar Schon), en het designproces als “reflectie-in-actie”, gaat uit van het idee dat de fundamentele voorwaarde van design, er een is van onzekerheid, uniekheid en van conflict. (Julienne Hanson).

Psycholoog Irving Biederman, die visuele perceptie bestudeert, schat dat er waarschijnlijk 30.000 verschillende direct te onderscheiden objecten zijn, voor een volwassene.

Stel dat elk object een minuut kost om te leren, dan kost het je voor 20.000 objecten, alles bij elkaar 333 uur om te leren! (Norman). Dan hebben we het nog niet eens over de nieuwe objecten die we dagelijks onverwacht tegenkomen, terwijl we eigenlijk met heel andere zaken (willen) bezig zijn.

 Goed design- volgens Schön -moet onnoemelijk veel factoren in aanmerking nemen, en de gevolgen van het negeren van een of meer van die variabelen, kunnen catastrofale gevolgen hebben. Een te sterke laser in de massaproductie van een cd-speler, kan bijvoorbeeld een gevaarlijk wapen worden.

 Hij doet het niet!

Mensen hebben de neiging zichzelf de schuld te geven bij gedoe met technologie. Mensen zien vaak oorzaken voor gebeurtenissen, kennen een causaal verband toe wanneer er twee dingen opeenvolgend gebeuren. Als ik actie A uitvoer, voorafgaande aan een zekere uitkomst S., moet A. S. dus hebben verzoorzaakt. Terwijl er eigenlijk geen relatie bestond tussen de twee. Het is nog complexer wanneer we met een actie beogen een zeker resultaat te behalen, en er problemen zijn wanneer we die actie via een tussen-medium tot stand brachten.

Het kan natuurlijk gewoon wel je eigen schuld zijn. Er is een beleving van causaliteit in de relatie tussen het ding waar je de schuld aan geeft en het resultaat. Beleving is daarbij het sleutelwoord. Dat causaal verband hoeft helemaal niet te bestaan.

Een belangrijk aspect is dat we regelmatig weinig informatie hebben, op basis waarvan we die beoordeling kunnen doen. Een apparaat kan zo complex zijn (en dat zijn de meesten), dat je het gebruik er van aan allerlei andere zaken moet aflezen dan aan bijvoorbeeld de vorm van het apparaat of duidelijke mapping. Het kan zijn dat je een knopje indrukt, maar geen weerstand voelt, er klinkt geen piepje en er gaat geen lampje branden. Er is dus geen manier in dat voorbeeld om je eigen gedrag aan te ijken.

Het grappige is dat onze neiging om onszelfde schuld te geven bij falen van alledaagse objecten, tegen onze normale neiging in gaat, om onze eigen problemen toe te schrijven aan de omgeving, en die van anderen aan hun persoonlijkheden.

Design door alledaags gebruik

Een interactie-georiënteerd  proces, is een design proces dat start met herkennen van alledaagse handelingen, inherent aan alledaags design.

Iedereen doet dagelijks mee in ontwerp en design, al herken je dat zelf niet. Alledaags design weerspiegelt de vindingrijkheid die zich manifesteert wanneer het ontwerp van objecten (artefacten) wordenn aangepast om zo beter in een bepaalde omgeving te passen. (Wakkary & Maestri, 2007, 2008). Een betere term is ontwerp door gebruik.

Sommige nieuw ontworpen objecten hebben functies, vlakken en “affordances” die door de designer zijn aangebracht, maar die in praktijk helemaal niet als affordance worden opgemerkt, of die wel als zodanig worden herkend, maar de functie van affordance hebben verloren vanwege een andere context van gebruik of vanwege het feit dat de design-affordance alleen nog maar zijn uiterlijke vorm dunnetjes heeft behouden, zonder dat het echt nog een duidelijke functie heeft.

In de professionele designwereld, kijkt men ook naar andere manieren van waarnemen, door de gebruiker van objecten en zijn omgeving. Zo kan een object een grote meerwaarde hebben, wanneer het gebruik er van, de bewegingen volgt die we zelf dagelijks toch al maken. Zoals bijvoorbeeld een steek-beweging maken met je handen. Een sleutel in het slot steken bijvoorbeeld. is zo’n beweging. Het brood in het broodrooster stoppen.

Met andere woorden, door heel goed te kijken naar hoe de gebruiker spullen gebruikt, kan een ontwerper hier alleen maar van leren.

Zie voor een voorbeeld: Participatory workshops: everyday objects and sound metaphors

Morfologie

Morfologie, de studie van patroon en vorm, is cruciaal voor design omdat het een essentieel deel vertegenwoordigd van het corpus van samenhangende kennis. Net als bij de space syntax, in de jaren ’70, waarbij architectuur als een formele beschrijvende tak van kennis werd vertegenwoordigd, is de benadering zowel wiskundig als morfologisch.

Dingen hebben levens

Een ding is veel meer dan alleen een ding alleen. De objecten die we thuis hebben gebruiken en weer weggooien, is een geglobaliseerde vorm van levensduur van een object, die begint bij de aanschaf en eindigt bij de prullenbak. Dat is een systeem van gebruik die we in onze materiële cultuur hebben ontdaan van diepere betekenis.

Sentimentele opjecten in huis hebben voor het hele huishouden betekenis, maar ze zijn niet van iedereen. Ze zijn er niet alleen om herinneringen op te roepen, of een persoonlijk verhaal weer te geven, ze hebben nog meer functies. Ze refereren aan een diepgewortelde culturele praktijk van giften geven, van ruilhandel, van de uiteindelijke tactiele kwaliteiten van he materiaal waarvan ze gemaakt zijn. In dat opzicht zijn ze ook een vorm van vorm- en materiaalgeheugen voor ons. De toegang daartoe in huis, is een onderhandelde activiteit, en is in hoge mate geritualiseerd. Bewaren van sentimentele objecten gaat dus véél verder dan alleen maar status van het bezit, of van materiële kwaliteiten.

 Dingen hebben beweging en gebaren

Objecten zijn een deel van ons geheugen, maar kunnen niet onthouden zonder dat wij (onbewust) weten wát ze moeten onthouden. Het gebruik van een object zit hem niet alleen maar in de functionaliteit of symbolische waarde. Het object bestaat ook in de ‘ruimte’. Alleen al het gegeven dat we precies weten hoe we het moeten vastpakken, dat we weten wat het weegt voordat we het hebben opgepakt, hoe het object klinkt als het zou vallen. De bewegingen die we gebruiken bij het hanteren van een object, zijn gebaren geworden omdat het design van het object dit forceerde. De vorm kan je uitnodigen een bepaalde handeling te verrichten. Een plat vlak bijvoorbeeld, als een bord of een plaat op de deur, nodigt uit tot slaan. Een knop nodigt uit om aan te draaien.

Maar een fractie van de gebaren die we maken, worden in gebruikers-georienteerde benadering van objecten relevant gevonden. Echter is er een hernieuwde interesse in de meer socio-anthropologische aspecten van technologie. Benaderingen van huishoudelijke ritmes vanuit ritme en routine- hoe kritisch ook -volgen toch een vrij star raamwerk.

Embodiment

Een ding heeft ook een biografie. Ook heeft het een geheugen. Een object als een mand of een hamer, herbergt een collectief geheugen aan kwaliteiten die we door de vele eeuwen heen belangrijk of nuttig hebben gevonden, en die we behouden hebben en  bewaard in zowel de kwaliteiten van het object, als in ons gebruik er van en de ruimtelijke referenties van zowel het object als de context. De vorm van de steel, de klank van een hamer op een object, het gevoel van actie en hardheid. Als we met onze vuist op tafel slaan, maken we hetzelfde gebaar als van het slaan met een hamer. Onze vuist balt zich, zoals de kop van een hamer.

Er is een wederzijds proces van waardecreatie tussen mensen en dingen. Zo kan een object in een museum, waardevol zijn vanwege de gedeelde geschiedenis tussen ons en het object. Daarom heeft een cadeautje ook een andere waarde dan iets wat je zelf kocht. Obecten zijn ingebed in sociale omgevingen, en die laten sporen na in objecten.

Affordance

Voor affordance is niet een Nederlandse vertaling die helemaal de lading dekt. Ik gebruik de Engelse term, die in de literatuur gangbaar is.

In Gibsons ecologische benadering van perceptie, bieden dingen en kenmerken van de wereld, hun eigenschappen, aan organismen die met hen interacteren. Water laat toe zich te drinken, bekers laten uit zich drinken, een handvat laat zich vastpakken. Het moet echter wel een organisme zijn met een mond, een keel en een maag, of hand met duimen om de kop te kunnen vasthouden. Een mond is nodig om water mee te kunnen drinken en bij afwezigheid van water, is een mond zoals hij is gebouwd niet nodig. De eigenschappen “drinken” of ” uit-te-drinken-heid” zijn dus niet exclusief voor die objecten (het water en de beker), of voor de gebruikers er van, maar ze bestaan in relaties tussen organismen en de omgeving.

The Social Life of Small Urban Spaces: William H. Whyte from Nelly Oli on Vimeo.

Sommige anthropologen als Tim Ingold, stellen dat menselijke leefomgevingen, eigenschappen toestaan, die elke generatie opnieuw kan worden uitgevogeld, herontdekt of her-groeid, door menselijke individuen, zonder dat er overdracht is tussen een beweerde aparte wereld van culturele representatie(s). Bijvoorbeeld van omgevallen boomstammen een overbrugging kunnen maken, van stenen een vermaler van noten maken.

Volgens Gibson, moeten affordances niet gezien worden als afhankelijk van cultuur, voorkennis of verwachtingen van het individu, zoals Norman suggereert. Norman richt zich ook op de perceptuele en mentale capaciteiten.

Een simpele handeling als aan een tafel gaan zitten voor een maaltijd, herbergt een wereld van affordances die in massadesign aanwezig zijn. Anthropometrische kenmerken bepalen een belangrijk deel van het design. De hoogte van de stoelen, de grootte van de lepel, de scherpte van het mes, de hoek van de benen onder de tafel, de helling van het torso ten opzichte van het tafeloppervlak en het bord met eten.

Spelen, speelgoed, alsof doen.

Het kinderspeelgoed is in vele opzichten een afspiegeling van een volwassen leven. Niet alleen de letterlijke copie van bijvoorbeeld een winkelwagentje in het klein, ook de dimensies van een hobbelpaard tot de materiaalkeuze van een poppenkastpop. De sociale interacties tussen de kinderen die spelen, zijn in veel opzichten een mini-versie van de grote mensen wereld.

affordances in play

Door kinderen zelf te laten sjouwen en bewegen met spullen, kunnen ze zelf het niveau van de uitdagingen bepalen. Kinderen personaliseren hun omgeving door kinderformaat meubeltjes binnen een nieuwe ruimte te verplaatsen, waarmee ze hun gevoel van controle verhogen (Maxwell, 2007). Door kinderen losse materialen aan te bieden, in de vorm van bijvoorbeeld losse blokken, boomstammen, banden, stoffen en pijpen, verhoog je het spel en doen-alsof. De kinderen worden aangemoedigd de mogelijkheden van het spel, de ruimte en de materialen te verkennen.

Kinderen hebben kansen nodig om keuzes te maken in waar ze mee spelen, waar ze spelen, met wie ze spelen en wat ze spelen, net als wanneer ze spelen en voor hoe lang.

 Pathways en locales

Een huishouden als onderkomen, als plaats waarin de leden van het huishouden hun alledaagse leven leiden, kan ook worden bekeken vanuit het gebruik van een specifieke ruimte, waarin bepaalde sociale praktijken van het huishouden, gedurende de dag, plaatshebben. De plek waar routinematige activiteiten en interacties tussen de verschillende leden van het huishouden, plaatsvinden en elkaar kruisen, terwijl de setting van de ruimte ook gebruikt word om waarde mee te geven aan de interacties en de individuele activiteiten en gedragingen van de leden van het huishouden.

De notie van een “locale” (Giddens), is een belangrijk begrip vanuit het perspectief van behuizing en wonen. “Sociale praktijken kunnen gezien worden als patronen van interactie, die zijn geordend doorheen tijd en ruimte.” Locales refereren aan het gebruik van ruimte om de omgeving te prepareren voor interactie.

Het is meestal mogelijk om locales aan te wijzen, in termen van hun fysieke eigenschappen, als kenmerken van de materiele wereld of als combinaties van die eigenschappen en van menselijke artefacten.

Een Housing pathway is te definieren als patronen van interactie, aangaande het huis en thuis, over tijd en door ruimte heen. Het is een continue set van relaties en interacties, die het huishouden ervaart door de tijd heen, in zijn consumptie van het wonen. Het behelst ook de carriere-levenscyclus van huishoudens en mobiliteit.

Eigenschappen die het huis of de ruimte tot “locale” maken, worden op een chronische manier ingezet, door agenten in het formeren van ontmoetingen doorheen ruimte en tijd, in die zin dat zij gezien kunnen worden als “stations” waarin de routine activiteiten van verschillende individuen zich kruisen.

Klik hier voor deel 1

Het alledaagse: Zaken om niet dagelijks bij stil te staan

Het alledaagse: Zaken om niet dagelijks bij stil te staan

De stroom van alledaagse gebeurtenissen zijn geen zaken waarbij je dagelijks stil staat. Zo sta je zelden stil bij de beperkingen die ons worden opgelegd of die wij onszelf opleggen, door alleen maar “te zijn”, te bewegen, te bestaan, de kinderen op te voeden of de keuze van onze woonlocatie.

The bleedin’ obvious ?

John Cleese zou zeggen, the laws of the bleedin’ obvious. Maar zo voor de hand liggend is het alledaagse leven bij nadere beschouwing toch echt niet.

Zo kan een door-en-door geëmancipeerd gezin, toch onbewust kiezen voor een beperking aan bewegingsvrijheid voor de vrouw, door in een gebied te wonen waarvan je denkt dat de afstand tussen huis en werk voor zowel man al vrouw evenredig groot of klein is, maar de ruimtelijke layout van de wijk waarin je bent gaan wonen, als jong gezin, dicteert door aanwezigheid van faciliteiten, een fysieke beweging om het gezin te kunnen onderhouden, die uitgerekend voor de vrouw van het stelletje tot een ‘gevangenis’ kan verworden.

Haast hebben en tijd-tekort, hebben natuurlijk met elkaar te maken. Je hebt weinig tijd om de dingen te doen die je moet doen, maar vooral heb je haast omdat je- naast de dingen die je moet doen- ook nog tijd over wil hebben om de dingen te doen die je het liefste doet. Toch richt je voor jezelf- alleen al door het haast hebben, een raamwerk in, waarin je doet wat je moet doen juist een zeker tijdsframe faciliteert, waarin dat mogelijk is. Met andere woorden, je kunt doen wat je moet doen, sneller doen dan je ze normaal doet, in de hoop meer tijd te hebben voor de leukere dingen, maar alle faciliteiten om te doen wat je moet doen, zijn er op gericht dit te faciliteren binnen het ritme waarin je dat normaal ook al doet. De kinderen van school halen bijvoorbeeld- dat moet en misschien kun je na die rit iets leuks gaan doen- maar de kinderen moeten bij thuiskomst het kopje thee en koekje krijgen, de kinderen kunnen bij elkaar gaan spelen- wat betekent dat de moeder van de klasgenootjes zich ook aanpast aan jouw ritme, en ga zo maar door. Toch is het alledaagse steeds minder gebonden aan plaats, maar des te meer nog aan routine. (Van Eijk).

Dergelijke geinstitutionaliseerde ritmes maken het gemakkelijk om te kunnen bepalen wat de ander op een zeker moment aan het doen is en om je eigen ritmes daar op aan te passen. Aan de andere kant betekent het ook dat inbreuk op die ritmes, inbreuk is op routines die voor een ander huishouden cruciaal zijn om hun leven mee te kunnen sturen en vormgeven.

Op welke alledaagse verschijnselen, baseren we het ritme in het alledaagse huishoudelijke leven?

  • Uitzendtijden van televisieprogramma’s;
  • Journaal-uitzendingen;
  • Schooltijden;
  • Eten: ontbijt, diner;
  • Scripts: voorgeprogrammeerde sets aan gedragingen;
  • Fysiek gebruik van de ruimte binnenshuis;
  • Taalgebruik;
  • Technologische toepassingen;

Dat is natuurlijk geen volledig overzicht en wellicht komt het vrij vanzelfsprekend over, maar daarin ligt dan ook meteen de kern van het alledaagse. Verschillende takken van wetenschap houden zich bezig met “spaces” in de stad, met die van pleinen en hoven. Echter speelt een wezenlijk deel van ons bestaan zich af achter gesloten deuren.

Deze onderdelen, faciliteren het noodzakelijke informatieverkeer tussen de verschillende gezinsleden, op verschillende manieren. Het gebruik van de verschillende ruimtes en communicatieve functies daar van, binnen een huishouden bijvoorbeeld. De eettafel is een voor de hand liggende, maar de tijd voorafgaande aan de avondmaaltijd, wordt meestal in de huiskamer doorgebracht, waarbij de grenzen voor gebruik van de ruimten voor de komende periode (eten, avond, nacht) worden bepaald. en daarmee ook een deel van het gedrag.

image

Ook objecten binnen het huis bepalen gebruik van beschikbare tijd en de manier waarop we ons dagelijks leven vormgeven. De placering van stoelen rondom de eettafel bijvoorbeeld. Welke stoel staat het dichtst bij de ingang naar de keuken? Wie zit daar en waarom? Wat zegt dit over de rolverdeling binnen het huishouden? Conventie suggereert al snel de vrouw, als antwoord op bovenstaand voorbeeld. Rolbevestigend- ja -maar heeft het ook communicatieve kwaliteiten? De positionering van die stoelen met de vrouw van het gezin als gebruiker van die plaats aan tafel, zorgt ook voor de mediering van voedsel, van structuur (die van de maaltijd), het tempo van de avond (eten we gehaast of op ons gemak), het sluit een ritme af (dat van de dag) en het gebruikt de maaltijd in de huis/eetkamer als moment om de gebruikte ruimte in huis opnieuw te definieren.

Zo was de huiskamer- voor de maaltijd -de plek waarin ongecontroleerd contact werd toegestaan middels de whatsapp van dochterlief en Facebook gesprekken van zoonlief, dat vader een deel van de familiale collectieve ruimte opgaf door een hoofdtelefoon te gebruiken voor muziek en waarin moeder de ruimte een hybride functie gaf, door heen en weer te lopen tussen keuken en huiskamer, waarmee ze de communicatieve grenzen van de huiskamer en het gezinsleven, verbond aan een fysiek ritme: dat van haar en dat van de komende maaltijd. Het is niet voor niets een geliefd onderwerp binnen de feministische literatuur. Ongewild dicteert ritme, ruimtelijkheid en het alledaagse, nogsteeds een raamwerk voor gender-specifiek gedrag.

Heel specifieke plekken binnen het huis of binnen ruimtes, hebben belangrijke symbolische eigenschappen, die het gezinsleven mede medieren. Zo is de eettafel zelf, een belangrijke schakel tussen familierelaties, beweging en attributie van waarde aan objecten. Ze onderhouden belangrijke sociale relaties, en fungeren als communicatiemiddel tussen personen, onderlinge relaties, door tijd en ruimte heen.

De technieken om het gebruik van alledaagse dingen mee te visualiseren zijn enorm toegenomen.  Voor interaction-design, experience-design en huis-pathologie.

Ook worden die technieken gebruikt voor toepassingen die discipline-overschrijdend zijn. Zoals het in kaart brengen van de placering van 1 enkel object in een huishouden, over een langere periode. Welke reis legt jouw koffiekopje of bos sleutels af, in je huishouden? De technieken kunnen worden gebruikt om bijvoorbeeld dementerende ouderen te helpen.

Zie hieronder een filmpje van de presentatie van zo een project.

” Mprint is based around the idea of an objects physical history. It makes use of these histories by visualizung a solution to an all too common problem: Losing things!

Mprint captures and leaves a residue underneath every object on designated surfaces. These residues are an indication that any particular object has occupied that space. Object residues become the entry point into Mprint’s interface which can locate a lost object and take snapshots of surfaces so that meaningful layouts and spatial relationships can be saved and recalled later. “

Bekijk hier de video

Toneel van het alledaagse: dramaturgisch verloop

Zo heeft elke familie wel een eigen alternatief taalgebruik, zoals “oma’s kastje”, ” het goeie servies”, ” de mooie glazen”. Door gebruik te maken van die alternatieve taal, leg je niet alleen een verband tussen relaties, je determineert tevens hoe het moment van gebruik van oma’s servies, gezien moet worden: als iets heel bijzonders, plus je legt een verband in de tijd, door mediering van objecten. Oma-moeder/vader/kleinkind. Objecten met een hoge emotionele lading, op een plek die niet toevallig werd gekozen: de eettafel. Ook de aard van het voedsel “in het goeie servies” medieert waarde en attributie tussen de verschillende gezinsleden.

Aankondigen dat bij het tafel dekken “oma’s servies” gebruikt moet gaan worden, zet een hele serie “scripts” in werking die voorschrijven hoe de avond, het gebruik, de ruimte en de tijd, beleefd moeten gaan worden.

We gebruiken objecten in ons huishouden als mediators voor sociale omgang, de definitie van de ruimte die we op verschillende tijden verschillend gebruiken en om sociale omgangsvormen mee te conditioneren en t normaliseren.

Een eettafel is een belangrijke plek binnen een huishouden. Zo ook de open haard, de schouw boven de open haard en het tafeltje met de fotolijstjes. Om nog maar te zwijgen van oma’s kastje, waarin objecten worden bewaard die door de tijd heen verschillende dingen voor verschillende mensen betekenden, maar nogsteeds de overbrugging tussen generaties en familiale banden vertegenwoordigen. De placering van “alledaagse” objecten is daarin niet onbelangrijk.

Huis-choreografieën en biografieën van dingen

In verschillende disciplines gebruikt men de term “choreografie” van objecten. In tegenstelling tot orchestratie van objecten. Choreografie is een manier van beschrijven van alle lichamelijke bewegingen en activiteiten, waarin bewegingen en gebaren veelbetekenende interacties en relaties leggen tussen verschillende organische of niet-organische “agenten” . Het betrekt daarin een plan voor de actie, de actie zelf en alle “agenten” die het samenbrengt.

De verschillende huis-choreografieën, zoals schoonmaken, koken of je computer gebruiken, zijn niet beperkt tot de eigenlijke fysieke locatie of huishouden, maar reiken naar buiten de muren van het pand én het eigen fysieke netwerk, naargelang het doel van de functie (bijvoorbeeld gasten voor eten verwachten), de gereedschappen die je bij de activiteit gebruikt (de stofzuiger) of de apparaten die je gebruikt (e-mail versturen). Het bepaalt dus mede hoe je je ook buitenshuis beweegt.

Dunne muren en tiener slaapkamers.

Huis-choreografieën zijn dus niet alleen prive-activiteiten, maar hebben dynamische sociale en organiserende functies in de hele samenleving. De meeste huiselijke bewegingen die we verrichten binnen ons huis, zijn voor-gechoreografeerd, in die zin dat fysieke ruimtes choreografieën creeëren binnen de beperking van hun fysieke grenzen en mogelijkheden.

Andere manieren van leven, in omgevingen met meer dichtheid in stedelijke gebieden, scheppen andere manieren van consumeren en werken binnenshuis. Studies in China en Korea lieten zien hoe de behuizing en de inhoud verschilt van die van Europa. Daar zijn de ruimten kleiner en hebben dunnere muren, wat als gevolg heeft dat de kinderen daar veel minder een slaapkamercultuur met bijbehorende technologie hebben, dan de kinderen in Europa, omdat zij door de omstandigheden “gedwongen” worden, meer buitenshuis te zijn voor het ontwikkelen van hun persoonlijkheid en identiteit. Dat betekent ook dat zij minder ruimte hebben om in de privacy van de slaapkamer, ongecontroleerde toegang hebben tot sociale media. Ook de strenge Japanse regels rondom beltonen van GSM’s in publieke ruimtes, heeft direct zijn weerslag op beslissingen om meer te sms’sen dan te bellen.

Het begrip van alledaagse objecten is niet enkel beperkt tot het omschrijven van het materiaal en objectief gebruik er van. Een koffiekopje is niet alleen een rond ding waar iets vloeibaars in kan. De laatste paar jaar is meer inzicht ontstaan in “the biography of things”, waarbij de onderzoeker ‘vragen stelt’ aan het object, zoals men dat ook doet in archeologie. Deze biography of things zal ik in een ander blog nader toelichten.

Trends in de theater- en evenementensector: van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 2

Trends in de theater- en evenementensector

van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 2

 Publiek werkt zichzelf toe naar een manier van participatieve cultuurbeleving die werkt via zelfgegenereerde belevingen, via netwerken die gemeenschappelijkheid suggereren en tegelijkertijd gaan om individuele bewegingen die men wil delen… met festivals en makers, met peers en met merken.

De koppen in deel 1 waren:

  •  Buiten de zalen: van kleinschalig naar grote idealen en van lokaal naar overkoepelend
  • Immersieve ervaringen & experience cramming
  • Social in de zalen

 De koppen in deel 2 zijn:

  •  Social op festivals
  • Social = personal?
  • Festival-tweaking = Simmer-sion

 Social op festivals

Iets breder genomen, gaan we sociale media ook zien op festivals tijdens voorstellingen. Net als andere sociale toepassingen als social logins, offline `liken’ en vóór of na de voorstelling een recensie tikken op je smartphone, zal screen steeds vaker een integraal onderdeel van de voorstelling worden, ook in artistiek opzicht. Zowel in de stoelen in de zaal als op het podium zelf. Op televisie is “second screen” nu al aan het inburgeren. In Londen deed men al een experiment met SMS’sen tijdens een Shakespeare voorstelling, waarbij het publiek subtext op het mobieltje kreeg, regie-aanwijzingen las en zelfs invloed kon uitoefenen op de verschillende rollen. Het publiek kreeg echter verschillende informatie, waardoor de beleving van de verschillende personages én het verloop van de voorstelling, per (groepen) persoon anders was.

 Social = personal?

Uit bovenstaande kan de trend gefiltert worden, dat social minder sociaal gaat worden en meer gericht op de individuele beleving van de toeschouwer. Social is niet een online verlengde van de echte wereld meer, maar een nieuwe en vaste dimensie die we ons als massa ook persoonlijk hebben gemaakt.

 Toch gaat social wel degelijk anders socialer worden, maar dit zal steeds vaker een afspiegeling zijn van wat offline al draagvlak heeft, al dan niet geïnspireerd op online communities. Dat is minder vrijblijvend dan het klinkt. Het betekent grofweg dat offline “gemeenschappen” zich vormen naar de mogelijkheden die een persoonlijk online netwerk bieden. Vrij vertaald: de contacten die men deelt via Facebook en andere media, vormen een binnenste schil waarmee men offline netwerken vormgeeft. Voorbeelden hier van kan men vinden in buurt-netwerken, urban gardening, guerilla-gardening, collectieve energiewinning, eten/koken met en bij de buurtgenoten, ruilkringen, et cetera. Een helder voorbeeld is het hierboven geschetste fenomeen van kleinschalige belevingen op kleine locaties, waar intimiteit en het kunnen delen van een gemeenschappelijke lifestyle belangrijker is dan de programmering van de avond. Het spreekt voor zich dat elke deelnemer blootstaat aan dezelfde grote invloeden als sustainability, kwakkelende economie en krimpende fossiele grondstoffen. Samenvattend zoeken we aansluiting bij elkaar, via netwerken en samenwerkingsverbanden met een sociaal karakter. Hierbij is de lokaliteit van minder belang. Van groter belang is de collectieve gemene deler; de ambitie, gezamenlijk doel, gemeenschappelijk ideaal. Ook de particuliere Facebookgebruiker en Twitteraar is zich bewust van zijn/haar invloed op partijen en mensen die niet op hun vriendenlijst staan of tot hun volgers behoren en wil steeds vaker bewust invloed uitoefenen op de schillen er omheen. Dan bedoel ik niet de Fail hashtag in een tweet, maar invloed via bovengenoemde idealistische netwerken en lifestylegenoten.

Voor festivals en evenementen bied ook dit kansen om publiek te betrekken en vast te houden. In het geval van concertzalen, is het beter om in te pikken op het gevoel wat men krijgt bij barok, dan diep op de inhoud en componisten van het concert in te gaan. Kijk maar naar hoe concertseries in elkaar zitten. Trefwoorden als “Italië” en “Snaren” en “Vrouwen”. Bij barok horen nu eenmaal “krullen” en “altaars”, of je dit nu oubollig vindt of niet. Dat is de associatie, nu de belevingen nog!

Voorbeelden:

Evenementen doen er goed aan precies in kaart te brengen, hoe het publiek zichzelf ziet ten opzichte van de wereld en de mensheid. Waar plaatst men zichzelf binnen een spectrum van goed-en-kwaad? Van fijn en vervelend? Geef richting aan de belevingen, faciliteer én regisseer deze! Dat betekent onder meer dat je gaat werken met liquide persona’s, actief gaat monitoren wat men waar en waarom deelt met elkaar. E-mailadressen verzamelen op het festivalterrein kan echt niet meer. Minder marketing, meer beleving!

 Festival-tweaking = Simmer-sion

Immersion (immersie) en simmer (pruttelen, stoven, zachtjes koken).

Het begrip Festival-Tweaking kennen de volgers en opdrachtgevers van La Clappeye Acts al langer. Hier is een extra laag bij gekomen: Simmer-sion.

Binnen de spanne van een festival, is het publiek niet alleen bezig receptief publiek te zijn (zie hierboven) maar is men ook deelnemer, men is een co-productie aangegaan met het festival, gaat elk moment een nieuwe deal aan met het festival: blijven we of accepteren we wat het festival ons aanbied aan escapemogelijkheden. Ze zoeken op het terrein en de locaties naar lifestylegenoten, kennen de locaties al beter dan de organisatie zelf, de afstand tussen publiek en de makers in de programmering is veel kleiner dan voorheen, ze bewegen zich ook buiten de festivaldata om al binnen de zelfde ruimte die het festival beslaat, in fysieke zin maar ook overdrachtelijk.

 Immersie alleen aanbieden als rond en afgeregisseerd geheel, is voor een groot evenemententerrein niet meer voldoende. Op het terrein zelf gebeurt te veel met het publiek om hen blijvend vast te houden met één overkoepelend concept. Het publiek doorziet concepten snel! Op het evenemententerrein pruttelt en stooft het in de publieksbeweging. Het zoekt op verschillende momenten van de dag en avond, andere prikkels. Publiek “neemt” niet alleen meer (in de zin van receptief), maar wil ook “geven”. Geven direct feedback aan de organisatie en makers, willen zelf meemaken en mee-maken, willen hun goedkeuring en liefkozen meteen laten blijken en delen met hun peers. Dit gaat veel verder dan crowdsourcing! Veel mogelijkheden ook dus voor sponsors. Zie het voorbeeld van Douwe Egberts, hieronder.

Tijd dus, om je publiek echt goed te leren kennen! Niet uit uitgebreide datasheets en grote data maar uit bewegingen, uit liquide persona’s, uit ritmes, uit wat publiek je al “geeft”.

Één bruikbare variant van een bestaande nieuwe toepassing, wil ik alvast delen. Onlangs werd een nieuwe service gelanceert die sportliefhebbers in het stadion- al tijdens de wedstrijd -de kans geeft betere stoelen te reserveren en betalen.

 Voorbeeld:

Dit is in deze vorm voor festivals al heel interessant, maar interessanter is het om deze dienst te richten op kleine groepen publiek, die bijvoorbeeld van een externe festivallocatie komen richting horeca en samen korting krijgen, als zij eenmaal op het centrale terrein zijn aangekomen, inclusief zitplaatsen. De verzamelde microdata kunnen vervolgens worden gebruikt om hen kortingen op maat aan te bieden en die te koppelen aan sociale parameters als gedeelde lifestyle, politieke voorkeur, bekende gezichten of thema’s.

Om echt unieke ervaringen en momenten te laten maken, ontwerpen én live uitvoeren, verwijs ik de lezer graag naar www.la-clappeye.nl

Renk van Oyen

[fblike]

Trends in de theater- en evenementensector: Van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 1

Trends in de theater- en evenementensector

Van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 1

 Deze blog publiceer ik in 2 delen. Vandaag het eerste deel. In de loop van volgende week het tweede.

 Al jaren proberen we “moeilijke” doelgroepen de zalen in te krijgen. Jongeren, allochtonen, mensen uit achterstandswijken. Mensen die minder met cultuur hebben, willen we zo veel mogelijk in aanraking laten komen met theater en andere kunstvormen. De trend die al een paar jaar gaande is, is het organiseren van kleine concepten die zich buiten de traditionele zalen afspelen.

 Publiek werkt zichzelf toe naar een manier van participatieve cultuurbeleving die werkt via zelfgegenereerde belevingen, via netwerken die gemeenschappelijkheid suggereren en tegelijkertijd gaan om individuele bewegingen die men wil delen… met festivals en makers, met peers en met merken. Ik hoop aan het einde van deze serie van 2 blogs, hierin wat inzicht te kunnen geven.

De koppen in deel 1 zijn:

  • Buiten de zalen: van kleinschalig naar grote idealen en van lokaal naar overkoepelend

  • Immersieve ervaringen & experience cramming

  • Social in de zalen

De koppen in deel 2 zijn: 

  • Social op festivals

  • Social = personal?

  • Festival-tweaking = Simmer-sion

 Buiten de zalen: van kleinschalig naar grote idealen en van lokaal naar overkoepelend

 Opvallend in de trendontwikkeling van de laatste paar jaar, is het “gebrek aan verzet”. Ze lijken niet te ontstaan uit verzet tegen de instellingen of zich willen afzetten tegen heersende verhoudingen. Ze onttrekken zich gewoonweg aan de hiërarchie binnen de sector en programmering van de zalen. Maar die laatste opmerking is ook beroepsdeformatie van mijn kant, want overal elders is er wel degelijk “verzet”. De aanhalingstekens staan er, omdat het verzet zich niet via de klassieke reactionaire manier verspreid en organiseert, maar zich via trends en trendontwikkeling zichtbaar maakt. Waren we ons via kleine trends als lokale ruilkringen buurt-bijeenkomsten gaan organiseren tegen vervreemding, ons via slow-food gaan wapenen tegen globalisering, nu omarmen we massaal Transition Towns, car-sharing, frugal living, hebben we moestuinen op afstand en bestellen bij de tuinier er van een krop sla en gaan we in groter verband zelf groene energie winnen én verdelen. Deze ontwikkeling is ook in de theater- en evenementensector zichtbaar!

 Daar waar het aanvankelijk vooral multidisciplinaire concepten waren (bijvoorbeeld Klub KOE en l’Avventura)) die zich buiten de zalen begaven, werden het steeds meer op zichzelf staande evenementen, met een overkoepelend concept. Hierbij was de deal tussen maker/producent en publiek dat lokale kenmerken van een avond uit, werden gecombineerd met die van een kunsten-evenement. Voldoende ruimte voor het publiek om te experimenteren met nieuwe dingen, met de belofte van een avondvullend programma, met escapemogelijkheden, richting bar en nazit. Mocht de programmering niet kunnen boeien, was er altijd nog een vlucht richting bar mogelijk. De nazit werd steeds vaker geïntegreerd binnen het evenement; werd daar een integraal onderdeel van, wat onder meer consequenties heeft voor de programmering en de aard van de locaties. Aanwezigheid van horeca faciliteiten bijvoorbeeld. Het kraakverbod was nog niet van kracht, dus er waren redelijk wat locaties voorhanden die hun medewerking wilden en konden verlenen. Ook werden de concepten vanwege de kleinschaligheid en relatieve onbekendheid, gevrijwaard van strenge ARBO regels en gemeentelijke beperkingen.

Voorbeelden:

 Immersieve ervaringen & experience cramming

 Onderdompelende ervaringen kennen we al langer. Maar het publiek lijkt niet genoeg meer te hebben aan de gebruikelijke volgorde en sterkte van prikkels, zoals ze die kennen binnen de zalen. Aankomen in de foyer en wat drinken > aanvang concert/voorstelling > pauze > voortzetting voorstelling > drankje. De avond zelf is één grote onderdompeling. Vanaf binnenkomst tot aan de laatste minuut, is men overgeleverd aan een stortvloed aan ervaringen. Alle zintuigen worden bediend.

 In de experience economy staan ervaringen centraal. Unieke ervaringen die onderdompelend zijn, je een gevoel van de tijd vergeten geven, die ontsnapping bieden en een gevoel van actualiteit in zich hebben. De grootschalige evenementen blijven populair, maar ook zij leveren binnen hun respectievelijke concepten, kleinschalige varianten. Deze variëren van afterparties tot previews, van spin-offs tot VIP-arrangementen. Deze varianten zijn steeds meer gericht op kleinere groepen, die rondom bands, relaties van het festival of volgers op Facebook gericht zijn. Vergelijk de blog met de “volgcore” via deze link. Daar kom ik hieronder nog op terug.

 Wat opvalt aan de kleinere varianten van grootschalig opgezette belevingen, is dat ze niet groter willen zijn dan de volgers op de sociale media toestaan. Dit heeft enerzijds te maken met het feit dat dergelijke formules vaak bedoeld zijn om bestaande volggroepen en relaties te “belonen” voor hun fan-zijn, hun relatie met het evenement te bevestigen. Anderzijds past het in de trend dat er steeds meer kleinschalige evenementen plaatshebben, die zijn gericht op min of meer bekend publiek. Ze worden via Facebook aangekondigd, veelal georganiseerd voor en door jongeren op intieme locaties, zijn op zich ook voor iedereen toegankelijk, maar zullen vooral aankomen bij de binnenste paar schillen van de organiserende partij. In het geval van een band, de vrienden op facebook (waaronder de vaste aanhang, de vrienden en studiegenoten), relaties en de lokale culturele/muzikale kaart.

Belangrijk om nog aan te merken is het feit dat men heel goed in de gaten heeft hoe en waarmee men invloed kan uitoefenen op schillen buiten de eigen (virtuele) vriendenkring.

  De behoefte bestaat om te delen met een relatief kleine groep mensen, waarbij niet zozeer de inhoudelijke programmering maar meer een gedeelde lifestyle centraal staat. Festivals en evenementen hebben steeds beter in de gaten dat niet alleen de producties en concerten van belang zijn, maar het publiek ook in meer overdrachtelijke zin aan zich kunnen bieden, via andere parameters, als lifestyle, locaties, politiek en seizoensgebonden sentimenten en trends. Op andere vlakken dan de podiumwereld bestaan soortgelijke initiatieven ook. Voorbeelden zijn ruilparties voor tweede hands kleding en kleinschalige buurt-bijeenkomsten rondom het fenomeen frugality. Niet alleen de slechte economie speelt hierin een rol, maar ook status. Hier wordt overigens een andere vorm van frugality bedreven, dan men in het bedrijfsleven zou begrijpen. Op consumentenniveau betekent frugality een soort voortgang van wat begin jaren ’90 nog vrekken heette. Dit is een trend die zijdelings te maken heeft met bovenstaande, maar het voert voor nu te ver om daar uitgebreid op in te gaan.

 Een trend binnen genoemde initiatieven is die van experience cramming. Zo veel mogelijk willen ervaren binnen éénzelfde activiteit of tijdspanne, voor een redelijk bedrag. Een voorbeeld binnen de toeristische sector is op wintersport gaan en naast skieën, ook het lokale nachtleven en ter plaatse georganiseerde grootschalige evenementen willen bezoeken en een vakantie-in-een-vakantie willen beleven (naast skieën, een paar dagen rust). Binnen de evenementensector vertaalt zich dit (voor de langere termijn) naar mooie mogelijkheden om af te tasten bij de doelgroepen, waar nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden liggen om hen vast te houden als publiek.

Voorbeelden:

Qua ervaringen en immersie, hebben we nog lang niet de top of einde van de diverse trends daarin bereikt. Gebruiken we techniek om onze ervaringen mee vorm te geven (smartphone, camera), in de zeer nabije toekomst zal techniek zelf ook op specifieke ervaringen gericht zijn. Een voorbeeld van nu is de digitale lomo-camera en een Iphone app waarmee je foto’s alleen kunt bekijken als het virtuele “fotorolletje vol is”.

 Voor de evenementen is de trend belangrijk dat publiek / de consument steeds vaker graag zijn eigen ervaringen creëert en vormgeeft, zelf graag stuurt en de duur er van zelf bepaalt én dat hij ook “ sellsumer” is: hij maakt zelf en verkoopt tegelijkertijd. Hij koopt ervaringen, geeft ze opnieuw vorm en verkoopt ze weer. Dit heeft gevolgen voor het receptieve karakter van consumeren van cultuur en theater!

Social in de zalen

 Jazeker, ook de theater- en conertzalen moeten er aan geloven. We gaan ook Twitteren en Faceboeken in de zaal! Live filmen met de smartphone en dit meteen op Youtube plaatsen. We gaan met vrienden een eigen liveregistratie filmen van een concert en dit meteen live via Youtube uitzenden. Dit is niet hetzelfde als Twitcast, overigens.

 In sommige steden bestaat al het fenomeen “Tweetseats”, een rij stoelen (nu nog meestal achteraan) waar het toegestaan is om te Twitteren tijdens de voorstelling.

 Kort geleden lanceerde het Gelders Orkest een eigen app voor Ipad, “Voorgesteld”, met het programma voor het komende seizoen, filmfragmenten, geluid en interactie met de webshop. Dit is een nog vrij simpel voorbeeld van hoe zalen in de nabije toekomst van Ipad of schermpjes in de zalen gebruik gaan maken. Zij lopen hierin nog behoorlijk achter. Zalen zullen de ipad gaan gebruiken als een nieuwe manier om bezoekers van informatie en service te voorzien. Zij zullen net zo gewoon gaan worden als de vertrouwde toneelkijker die je bij de meeste theaters kon huren, vroeger. Publiek zal in de zalen met Ipad, live gaan twitteren, opnemen en uitzenden, live-streamen, terplekke zelf instagramfoto’s maken en verspreiden. De mogelijkheden liggen er, de techniek is er ook en het laat zich aanzien dat ook publiek hier klaar voor is. Over de wenselijkheid er van spreek ik me hier even niet uit.

Voorbeelden:

Tot zover deel 1. Over enkele dagen publiceer ik deel 2.

Renk van Oyen

Gerelateerde blog: De “volgcore”, de bands zonder fans.

Gerelateerde blog: Festival-tweaking, deel 1

Gerelateerde blog: Festival-tweaking, deel 2

[fblike]

Festival-Tweaking deel 2: de belevenis vs dagelijkse routine

Festival-Tweaking deel 2: de belevenis vs dagelijkse routine

In dit deel van Festival-tweaking kijken we naar een voorbeeld van programmering tov de dagelijkse routine van de bezoekers.

Iedere beginner kan op z’n vingers natellen dat je niet een boterhammetje kaas serveert om 15.30 en daarvoor en daarna niets. Of dat de enige kindervoorstelling duurt van 17.30 tot 20 uur: te lang en tijdens etenstijd.

Maar de ervaring en belevenis die we de bezoekers willen meegeven, gaat dieper dan dat.

Neem een festival van meerdere dagen. Er is een programmering die enthousiast is in elkaar gezet, maar waarin te weinig rekening is gehouden met de bezoeker. De beleving die we de bezoeker willen meegeven, is een unieke beleving. Eentje die alléén op dat moment beleefd kan worden, met de ingrediënten die daar op dat moment aanwezig zijn. Geenszins routine, natuurlijk. En bovendien willen we dat de belevenis die we voor hen creeëren, zichzelf steeds blijft vernieuwen, voor zo lang de levenscyclus van ons product (het festival, de voorstelling) volgens ons moet duren. Het moet bijzonder zijn en onalledaags. Bovendien moet je in elke fase van de activiteit kunnen “instappen” om de belevenis te ervaren.

Geloofwaardige beloftes

Toch kunnen we kijken naar de dagelijkse routine van de bezoeker, als geleider van zijn beleving; als de smeerolie waarmee we hem flexibel kunnen laten meedraaien in de beleving die we voor de bezoeker proberen te bewerkstelligen.

Bij een meerdaags festival, kun je de bezoeker het gevoel geven, dat onderdelen van de programmering speciaal voor hem op maat zijn gemaakt. Dit doe je door bijvoorbeeld voorstellingen van hetzelfde type of van dezelfde soort sfeer, horizontaal te programmeren.  Dat wil zeggen: hetzelfde start dagelijks op dezelfde tijd, geeft eenzelfde beleving en stopt op dezelfde tijd. Daaromheen introduceer je steeds nieuwe en andere elementen om de beleving mee te versterken en vooral te vernieuwen. Die onderdelen kunnen letterlijk zijn: hetzelfde beleg op je broodje, maar ze kunnen ook op een subliminale manier worden gedoseerd, of in de vorm van sfeer en thematiek. In het geval van kindervoorstellingen bijvoorbeeld, hoeft het niet elke dag Roodkapje te zijn, maar wel elke dag bv. een zoete, sprookjesachtige sfeer op hetzelfde deel van het festivalterrein, met steeds iets lekkers erbij. Een sprookjesbos, feeërieke lichtjes, de geur van hout, een beetje donker en griezelig etc. Daar kun je verder omheen bouwen. Bijvoorbeeld Roodkapje laten rondlopen op het terrein, in de folder een heks afbeelden en rokende ketels met drop op het terrein neerzetten. Voor papa en mama hebben we een speciale (alcoholische) sprookjes-cocktail in de aanbieding. De beleving die je hiermee creëert, is de geleider van de inhoud: de eigenlijke voorstelling. Eenmaal gekozen voor die beleving, kunnen wij als makers en bedenkers daarvan, de beleving verlengen en sturen. Zo weet de bezoeker dat hij dagelijks op ongeveer hetzelfde moment een nieuwe belevenis krijgt, binnen een hem vertrouwde sfeer. Bedenk wel: een beleving beloont altijd, maar straft nooit!

Belevingen eindigen nooit!

Het punt ná de kindervoorstelling met sprookjesthema, is een kinder-maaltijd. De sfeer is lichter, maar je bouwt voort op het sprookjes-thema met bijvoorbeeld feeënkoekjes, heksendrop en Sneeuwwitjesdrop. Ook bij sprookjes kan snel verzadiging optreden, dus het is zaak om de beleving steeds te vernieuwen, voordat verveling toeslaat. Door het concept steeds zichzelf te laten vernieuwen, verleng je de levenscyclus van de beleving. Als je het heel letterlijk neemt, zou je Klein Duimpje binnen 3 dagen kunnen laten uitgroeien tot een hele grote maar vriendelijke reus. Dat is een niet alleen een lineair verloop, maar kan causaal gemaakt worden doordat Klein Duimpje vanaf dag 1 heel gezond bezig is met eten, zijn bord altijd leeg eet, heel goed luistert en leert lopen en lezen. Bij dag 3 is hij een grote en vriendelijke reus geworden, die papa en mama op zijn schouders neemt en hen een mooi verhaal vertelt. Je hebt nu zowel de kinderen als de ouders meegekregen in een verloop waar zij privé ook middenin staan, zij zelf ook kennen en herkennen, alleen maar positief kan uitwerken (groeien is leuk), én je houdt de nieuwsgierigheid brandende. De volgende dag weet je pas hoe het verder ging met de groeiende Klein Duimpje. Een cliffhanger? Nee, dat niet. Je sluit af met een gezamenlijk gezongen lied. Want voordat je de activiteit/voorstelling afsluit, moet je ook een mooie afronding hebben van de beleving die je hebt gemaakt voor het publiek, waarbij de belevenis van dat moment is afgesloten en tegelijkertijd een nieuwe beleving werd geïntroduceert! Het lied is het eerste lied uit een hele reeks van meezingliedjes. Maar nu lopen de acteurs langs de klaargezette eettafels en delen pakketjes uit met lekkere en gezonde dingen. De kinderen ervaren dit als bevrijdend, omdat ze vanuit de theaterstoel regelrecht naar de tafels vol lekkere dingen gaan, waar zitten niet verplicht is. Ook de ouders zijn even vrij, want de kinderen spelen met de andere kinderen en met de animatie.

Bovenstaand verloop is vrij letterlijk omschreven, maar  er zijn zo veel manieren om om de belevenis te introduceren, te laten “lopen”, te laten “zijn” en zich onmerkbaar weer te vernieuwen.

Als je bovenstaande belevenis nu eens langs de dagelijkse routine van het gezinnetje legt (ga even uit van jonge ouders met kleine kinderen), dan zie je weerspiegelt in het geheel:

–         Papa komt thuis (even uitgaan van een rollenpatroon) en speelt even met de kinderen

–         De kinderen spelen even met papa, die net is thuisgekomen

–         Papa en mama hebben voorkennis: we gaan de kinderen iets leuks geven

–         Papa en mama beloven de kinderen lekker eten en een verrassing

–         Het gezin gaat eten met een lekker toetje

–         De verrassing

–         Nog even spelen en lekker laat naar bed.

Kortom, met de bouwstenen die voor de kinderen thuis een spannende en ongewone avond maken, spelen we met de spanning bij de kinderen (het anticiperen, we krijgen iets lekkers, gaan “iets” leuks doen), die van de ouders (afsluiten van de dagelijkse routine; we gaan de kinderen iets leuks geven, iets lekkers en “iets” leuks met hen doen) en met de routine van de gezinssituatie. De beleving van de sprookjessfeer- en voorstelling zoals hierboven beschreven, is een weerspiegeling van de verwensituatie die ik hier schets.

Lees Festival-tweaking deel 1, hier

Gerelateerde post: Jezelf als meetinstrument: Experience design tov ritme in tijd en ruimte.

[fblike]

Festival-tweaking, deel 1

Festival-tweaking, deel 1

Festival-tweaking is een vast onderdeel op dit blog. Vooral omdat het finetunen en tweaken van festivals, concepten en culturele projecten, een belangrijk onderdeel is van mijn werk. Feitelijk gaat het om finetunen van concepten in bredere zin. Soms is de vraag direct, maar meestal komen die zaken gaandeweg aan het licht. Creative Concepting door La Clappeye Acts, kan daar bij helpen.

Het komt vaker voor dat opdrachtgevers hun reeds bestaande format of concept willen behouden en wat aan fijnafstemming willen doen, dan dat er compleet nieuwe concepten geboren moeten worden. Ook dat gebeurt gelukkig, maar eenmaal een concept of format gevonden, wil men daar niet zo makkelijk meer van afstappen. Begrijpelijk, het is hun kindje, hun “ding” en daar waken ze terecht over.

Tweaking klinkt vluchtig en ad hoc, maar dat is het bepaald niet. Festival-tweaking heeft een aantal grote voordelen. Je gaat zelf anders kijken naar wat je hebt bedacht en neergezet, je past principes toe op je concept waar je niet eerder aan hebt gedacht, je gaat de blinde vlekken weggummen, lievelingetjes even opzij zetten, opnieuw nadenken over wat je eigenlijk wil zeggen. Door te kijken naar details, door zaken in het kleine om te draaien (soms letterlijk), ga je vanzelf kijken naar het grotere plaatje. Klopt alles nog wel? Vaak is dit een plafond waar organisaties tegenaan lopen, waardoor ideeën blijven steken in een losse gedachte of terloopse opmerking. Misschien moet alles wel herijkt worden? Zo lang je dat maar niet aan de grote klok hangt, kun je daar mee experimenteren wat je wil. Uiteindelijk moet ik er zelf zorg voor dragen dat niemand zich gepasseert voelt, dat het basis-idee overeind blijft (voor zover dat de bedoeling is natuurlijk) en alle betrokkenen hun “ding” kunnen blijven doen.

Het tweaken en finetunen gebeurt bij voorkeur NIET in een brainstormsessie of vergadering. Bij een brainstormsessie is het weliswaar zo, dat tot de regels kan behoren dat je elkaar bv. niet veroordeelt of ideeën tegenhoudt, maar je gaat toch uit van een bepaald stramien waaromheen de brainstormsessies worden gebouwd, waarvan de deelnemers al bij voorbaat beperkt worden in hun denken. Je kunt wel out-of-the-box willen denken, máár…. Het moet maar net op het whiteboard of flipover passen.

“Tweaken, dat doe je in verschillende lagen.”

Beleving tijdens een programma-onderdeel / voorstelling.

Je hebt een mooie voorstelling, maar de meer subversieve beleving moet je ook kunnen overbrengen in de fysieke omgeving en in de spanningsboog van de avond. Niet alleen de voorstelling heeft een vantevoren uitgekiende spanningsboog, het verloop van de héle avond of de héle activiteit, kent een eigen spanningsboog. Men is bijvoorbeeld gewend dat een voorstelling uit meerdere bedrijven kan bestaan en dat de ruimte daartussenin een “pauze” heet. Men is gewend rustig op te staan en op een bepaalde snelheid naar de foyer te lopen. Is de omgeving daar op ingericht? Zijn de paden zó breed dat er chaos kan ontstaan of dat de intimiteit van de voorstelling wegvalt? Smallere paden forceren een rustig verloop van de pauze, het buitengaan en weer binnen komen. Té smal levert natuurlijk irritatie op. De pauze moet vervolgens niet al te lang duren. Men komt uit de voorstelling met een gecultiveerd ritme en dat moet je zien vast te houden én te voeden!

Beleving van het stilistisch geheel, door het publiek

–         Micro-mapping: In kaart brengen in grafiekjes en timelines van de beeld- en geluidsbibliotheek in het hoofd van de bezoeker

–         Idem, op het gebied van sociale ontwikkelingen, persoonlijke ontwikkeling, levensloop, politieke stromingen en nabije omgeving

Kortom, het in kaart brengen van het referentiekader van de bezoeker.

Ik gebruik voor micromapping een soort timeline van een denkbeeldige bezoeker van leeftijd X, waarboven en onder categorieën zijn aangebracht. Bijvoorbeeld categorieën als “politiek” of “maatschappelijke ontwikkelingen” Heeft iemand bijvoorbeeld ProVo meegemaakt? Dolle Mina, baas in eigen buik, bezetting van het Maagdenhuis? Welke beelden horen daarbij? Welke vormen en kleuren? De ijkpersoon heeft kinderen gekregen in 1973, de kinderen waren puber in 1987. Dat betekent een grote dominantie van invloeden vanuit jongerenmedia rondom die periode. Wat was er in de mode? Welke muziek klonk op de radio? Welke auto’s werden er gereden? Welke kleuren, vormen, geuren en combinaties daar van, wekken associaties op met hun jeugd, met hun pubertijd? Hoort bij de herinnering aan hun studerende periode, een gevoel van strijdvaardigheid? Van feesten? Welke iconen uit die tijd, spreken nu nog net zo hard tot hun verbeelding? Bij de verschillende onderdelen die je hiermee in kaart brengt, kun je nog verder gaan door plaatjes, stofjes en textuurtjes te plakken bij de verschillend onderdelen.

Allemaal tools om een beeld te krijgen van de innerlijke bibliotheken van je bezoekers. Vervolgens moet je dit nog gaan vertalen naar conrete beelden en ervaringen. Wil je een jaren ’80 sfeer overbrengen aan je publiek? Dan moet je wel zorgen dat ze die beeldtaal begrijpen. Over the top? Ook dan de juiste verhoudingen aan “serieuze” stijlelementen van de jaren ’80 en de overtreffende trap daar van, om het overdreven gevoel te kunnen overbrengen.

Onbewuste en subliminale  beïnvloeding.

Ik heb voor een bedrijf ooit een show gemaakt, waarvoor ik een soort groot altaar van de wansmaak had gemaakt. Het ding had kaarsjes, heel veel knipperende lampjes, nepgouden “altaarkast”, een offertafel. Tegelijkertijd fungeerde het altaar als een soort set van een televisieprogramma uit de jaren ’50. De twee hoofdpersonen (soort kosters-echtpaar) waren in het begin heel vroom en nog voor zij op kwamen, was het voor het publiek overduidelijk dat het hier een katholiek hoogaltaar betrof. Er hoefde maar één detail te worden toegevoegd om het een televisieset te laten worden: een héél lullig orgelmuziekje met een soort jingle. Het publiek ging van piëteit in een keer naar joligheid en spot. Kortom, met heel kleine subtiele veranderingen, trigger je een beleving onder het publiek.

Als je dat uit elkaar gaat halen, is het vooral de symmetrie van het geheel: de hoge “altaarkast” en de 2 zijpanelen (zetstukken), met de altaartafel ervoor. Een hoogaltaar dus.

Dit fenomeen heb ik afgekeken van een verschijnsel dat in de literatuur “the theatre of majesty” heet. Dat handelt over de rechtvaardiging van aristocratische macht door uiterlijk vertoon aan het volk. Iets waarvan men zich tot op de dag van vandaag nog bedient. Die rituelen kennen eenzelfde opbouw, eenzelfde scheiding tussen het publiek (horigen) en de adel (artiest), met een geleidende kwaliteit, in de vorm van rechtspraak of in dit geval piëteit. Niet zo vreemd dat men in vroeg tijden, hun rituelen spiegelden aan kerkelijke rituelen.

Een ander voorbeeld. Ik was gastprogrammeur bij het Bossche Klub KOE (Kunsten Ontmoeten Elkaar) en de locatie was een voormalige kerk. Waar ooit het altaar was, was nu een podium met een groot scherm ode achtergrond. Er stonden nog wel banken in de kerk. In de hele ruimte en in de bijgebouwen waren dingen te zien. Toen we de deuren openden en het publiek binnenstroomde, ging men tot mijn stomme verbazing regelrecht naar de kerkbanken en gingen daar zitten. Starend naar waar ooit het altaar was… maar nu het podium, nog zonder acts.  Het duurde even eer men van de banken kwam, de ruimte in. Dat was niet een vantevoren ge-tweakte belevenis… puur psychologie en cultivering.

Tot zover deel 1 over festival-tweaking.

In een volgend blogje, zal ik dieper ingaan op het behandelen van de festivalprogrammering ten opzichte van de dagelijkse routine van de bezoekers.