Tag Archives: Musea

The Life of Signs

The Life of Signs

Elke organisatie gebruikt tekst en beeld om bezoekers en klanten op een gemakkelijke manier door het gebouw te kunnen leiden. Dat is niet alleen een manier om mensen de weg mee te laten vinden (wayfinding), maar bovenal een belangrijk communicatiemiddel, waarmee je de organisatie op een  manier laat communiceren met de bezoeker, die direct grenst aan zijn meest elementaire vorm van bestaan: zijn lichamelijke verplaatsing door de ruimte die je als organisatie voor hem hebt gevormt.

Ik beperk me voor deze blog even tot de signage binnen gebouwen, en niet de urban signage. Hier en daar zijn er wel uitstapjes naar een stedelijke context. – Signage en wayfinding zijn niet hetzelfde. Daar waar wayfinding er op gericht is de bezoeker letterlijk makkelijk de weg te laten vinden en terugvinden, is signage echt een communicatietool, met natuurlijk wel wayfinding-capaciteiten, met zeer specifieke regels; Ik heb er een aantal uitgelicht, verspreid over wayfinding, design, conceptueel en communicatie.

Over wayfinding door de vroege menseheid, en de nogsteeds in de mens aanwezige wayfinding-processen, is veel gepubliceerd. Zeker in urban context de moeite waard je in te verdiepen.

Zie voor uitleg over wayfinding en signage op de Glossary pagina. Voor de bronnenlijst, zie deze pagina.

Wayfinding

– Accentueer “regio’s”  in het gebouw. Zijn ze conceptueel aan elkaar gelinkt? Aaneengesloten ruimtes voor verschillend gebruik? Maak het visueel ook logisch. Hiermee kan de bezoeker zich orienteren en het geeft hem het gevoel op een logische manier door je “narratief” te lopen; Laat hem de mogelijkheid ook “terug”  in dat verhaal te kijken, door de ruimtelijke versie van breadcrumbs te gebruiken;

– Geef de bezoeker niet te veel keuzes en niet te veel kruisingen van paden en gangen;

– Gebruik “landmarks” (Lynch) , dat is een van de allerbelangrijkste elementen van wayfinding. De bezoeker kiest hier niet bewust voor, dat zit diep in ons als mens;

– Onthou dat mensen van nature geneigd zijn om informatie over signage weg te filteren, vooral die gaat over nooduitgangen. zodat we niet overladen worden met informatie;

– Geef elke ruimte, eigen unieke kenmerken mee. Signage moet binden en tegelijkertijd de belangrijkste ruimtes, unieke kenmerken geven;

Geef mensen een kaartje van het gebouw, tentoonstelling of ruimte waarin zij de weg moeten vinden. Dat geeft hen veel zekerheid, ze zien precies waar ze zijn, ten opzichte van de totale ruimte/het gebouw, ze kunnen volgen en voorzien wat het “narratief”  van de ruimte is en je kunt veel informatie kwijt over de organisatie en service-elementen;

– Voorzie in duidelijke zichtlijnen, de ruimte in;

– Goeie indoor-mapping

image

Design

– Er is niet een norm voor alle soorten signage in alle soorten gebouwen. In grotere gebouwen met een sterke hierarchische informatiestructuur, houdt men doorgaans het lettertype sans-serif aan (Hermann; 2012), beschikbaar in verschillende gewichten. Die is van grotere afstand goed te zien. De schreven van dit lettertype, “vloeken” tegen de strakke geometrische vormen van veel signage.

Aanbrengen van signage is deel van de architectuur van het gebouw! Dus niet iets wat na het eigenlijke bouwen en vormgeven, nog even moet worden toegevoegd. Dit staat vaak op gespannen voet met de ontwerpen van de architect. Dat verdient de aandacht, al bij het ontwerpproces van het gebouw;

signage software

Conceptueel

Signage = boundary-management!

– Let op de zachte kantjes! Als je  complexe en grote systemen gebruikt (spoorwegen, onderwijs), kan dat al snel koud, groot en log overkomen.  Zorg dat je de randjes zacht en fluide houdt. Grote systemen kunnen meer humaan lijken, wanneer het zachte randen heeft, op de punten waarop het publiek er mee in aanraking komt. Goed vormgegeven systemen wekken de indruk veel persoonlijker en vriendelijker te zijn, omdat ze randen en interfaces hebben, die intuitief en hartelijk zijn. Deze contactpunten verworden tot kleinere, intiemere ruimten, waarin mensen oogcontact met elkaar kunnen maken;

– Ga het hele pand af en noteer ALLE teksten en afbeeldingen die boodschappen- direct en indirect -naar je gasten en klanten overbrengen: Breng ze in kaart. Dat kan ook via mapping software, maar op een computerscherm oogt signage altijd anders dan in het echt. Ontstaat er een semantiek die bij je organisatie past? Zijn ze begrijpelijk en vriendelijk waar nodig, en gebiedend waar noodzakelijk? Breng nu alle teksten in het hele gebouw in kaart op een plattegrond. Passen de teksten bij het gedeelte van het gebouw of de functie die (een deel van) het gebouw heeft?

– Pas op met aanpassingen die je aanbrengt in de ruimte. Ander licht of lichtplan? Muren geverfd? Ga dan na of de signage nogsteeds het beoogde effect heeft. In andere atmosferische omstandigheden, kan signage al snel anders worden beoordeeld;

– Een “woonkamer” hoeft geen bordje “woonkamer” te hebben. Je kunt met sfeer, textuur, textiel en kleur (atmospherics) heel veel doen. Soorten ruimten markeren, functies van elkaar scheiden. Een paar visuele of atmosferische cues kunnen het gebruik van een ruimte al duiden. Woonkamer / schemerlamp, bijvoorbeeld. Op die manier komen atmospherics en signage heel dicht bij elkaar. Een holistische benadering van je signage is dan ook wenselijk.

wayfinding

– Zorg dat je ruimtes en functies ook namen geeft die al in je eigen organisatie voorkomen en die iedereen kent. Een bordje ophangen, is niet het goeie moment om de uitstraling van de zaal of bedrijf, op een ongeloofwaardige manier te lanceren.

– Ritme en frequentie van signage communiceren ook. Zo kan het als dreigend worden ervaren wanneer je in een lange gang, regelmatig een uiting laat terug komen, die niet “logisch” is. Bordje en tekst “uitgang” is logisch, dat zou je in een lange gang kunnen verwachten, maar dan nog heel strategisch geplaceerd, daar waar logisch. Bijvoorbeeld een kruising met een andere gang of bij een clustering van functies als toiletgroep, koffie-automaat of zithoek.

– Niet alleen het ritme en frequentie waarin je signage plaatst, is belangrijk voor het begrip er van. De snelheid waarmee het publiek, de weggebruiker of klant zich verplaatst is dat ook. In veel steden zie je dat de signage en de stad zich nog niet hebben kunnen aanpassen aan het veranderende tempo, snelheid en frequentie waarmee bewoners zich nu kunnen verplaatsen. Als je heel snel gaat en de signage is gericht op jou als doelgroep, maar met een aanzienlijk lagere snelheid van verplaatsing, gaan die uitingen volledig aan je voorbij.

Communicatie

– Verkeerde zinsbouw verandert je boodschap en je uitstraling:

  • Fout: Geen terrasbediening;
  • Goed: Wij helpen u graag verder aan de bar;

Signage is niet alleen tekst, ook beeld. Alle teksten bij elkaar vormen ook beeld; – Hoe je een ruimte noemt op bewegwijzering, vormt meteen het beeld in het hoofd van de bezoeker, maar beinvloed ook direct de wayfinding. Als er op een bord “zaal” staat te lezen, maar het blijkt alle kenmerken van een “kamer” te hebben, zal de gebruiker minder snel de weg vinden; – Gebruikers van een ruimte- ook waar ze nooit eerder zijn geweest -hebben, op het moment dat ze het gebouw binnenstappen, een “cognitive map” in hun hoofd, waarin de ruimte min of meer is vormgegeven;

– Gebruik voorkennis van het bedrijf, bij de bezoeker. Sta je bekend om je gastvrijheid, nodig mensen uit met woorden als “gezellig”, “dampend heet”, “voor de lekkere trek”; Voorkennis kan ook bestaan uit bekendheid met huisstijl, kleurgebruik.

–  Signage kan onvoorzien worden aangepast door bijvoorbeeld reclame-uitingen in de foyer of het restaurantgedeelte van de organisatie. Heb je nagedacht over de invloed van de tekst op het menu, de afbeeldingen op de bierviltjes, de posters van het frisdrankmerk? Passen ze bij de signage?

– Hoe bekender de omgeving is, voor de bezoeker, hoe groter de kans dat hij een positieve houding ten opzichte van de organisatie en ruimte heeft;

Signage en informatievoorziening, beinvloeden gedrag.

In een Engels ziekenhuis, kon men het probleem van fysieke agressie jegens personeel, met maar liefst 50% verminderen, door het opnieuw designen van de spoedeisende hulp:

” (…) A lot of the frustration that leads to anger is just a lack of knowledge and a lack of understanding about how things work,” explained Lloyd. “It’s caused by patients not understanding the clinical language or the process or why someone who arrives after them is seen before them.”

The proposed solution focuses on placing key information in relevant locations within the waiting room and consultation areas so patients are constantly aware of where they are and how long each part of the process might take. Process map A process map in the waiting room guides patients arriving at A&E through the process, from check-in to assessment, treatment and next steps, and is supplemented by a leaflet with more details (…)

– Voordat je de signage gaat ophangen (of eigenlijk: implementeren), hang geprinte copietjes (in kleur) op de plaatsen waar de uitingen gepland zijn, en laat ze daar een tijdje hangen. Laat ze beoordelen door verschillende groepen mensen. Zeker als overheidsgebouw is het belangrijk dat bv ook mensen in rolstoelen en met verminderd zichtvermogen, de weg kunnen vinden;

– Aanvullen op de service-signage: Een uiting die doelt op het verlenen van service, nodigt uit en informeert niet alleen. Bij dergelijke teksten is het een idee om op het moment dat je merkt dat de uiting wordt waargenomen, je er een extra service-dimensie bovenop legt. Bijvoorbeeld bij “verse koffie” leg je er een verse Bossche bol bij.

– Ruimtes waar veel mensen komen, niet overmatig specifiek benoemen. In de ruimte zelf niet en ook niet in herhalingen in de aanloop richting de ruimte. Publiek “onderhandelt” altijd en overal de grenzen van de omgeving waarin het zich bevindt. Te specifiek zijn, doodt interactie.

image
Bron: You are here- a guide to pedestrian wayfinding

– Niet alleen de stad heeft een ritme, een gebouw heeft dat ook. De clustering van ruimtes, hoge en lage plafonds, open en gesloten deuren, lange en korte gangen. Ze vormen een ritme. Je kunt die spatial hierarchy gebruiken om de placering van de signage mee te spiegelen. Als dat natuurlijk aanvoelt, zal men sneller de weg vinden en er bovendien een prettig gevoel aan overhouden;

– Digitale signage: Ben daar terughoudend in. Dat kan snel als te sturend of autoritair over komen, al is de effectiviteit er van in sommige omgevingen welgedocumenteerd. Zo kan in een winkelomgeving, merkgerelateerde cues via een televisiescherm “uitzending” in de winkel, de informatieverwerking van klanten beinvloed. De cues wekken affectieve gevoelens op, die de houding construeren en uiteindelijk een positieve beleving van het merk opleveren. Echter, is dat niet zonder meer op elke omgeving te projecteren. Uit andere onderzoeken weten we dat digitale signage absoluut een opkomst beleefd, vooral vanwege overige virtuele mogelijkheden die gepaard gaan met implementatie van die technologie. Je moet niet te veel verschillende soorten van informatie via digitale signage willen bieden. Een voorbeeld is een bord waarop te zien is dat er nog x mensen voor je zijn, eer jij aan de beurt bent. Een bord met verschillende typen informatie, is verwarrend. Voordeel van interactieve (maar dat is voor een andere blog) signage is wel dat ze kunnen worden voorzien van technologie waarmee het gebruik en de bezoekersflow real-time is te meten.

Een voorbeeld van digital signage in het ziekenhuis:

” (…) Live information about how busy the department is and predicted waiting times for different assessments are displayed on monitors and the designers have proposed a mobile app that could direct patients to the nearest A&E with the shortest waiting times (…)” (Pearson Loyd)

– Design de layout/graphics niet te modieus; ze moeten nog lang mee kunnen, en ze verliezen aan geloofwaardigheid;

– Voor ophangen van bordjes naar nooduitgangen en vluchtwegen, moet je zeker advies inwinnen. Uit simulaties en testen, weten we dat mensen bij brand en paniek, de weg kiezen waarlangs zij zijn binnengekomen om uit de ruimte te raken, en dus niet via de daartoe aangewezen vluchtwegen en nooduitgangen. Zelfs een figuur van autoriteit die bij een brandalarm de mensen wijst op de vluchtwegen, heeft nagenoeg geen effect (wel een beetje); Mensen vertonen `scripted’ behaviour, en zullen de weg van het bekende en herkenning opzoeken: de weg via welke zij binnenkwamen (Sime, 1983, 1985). Het is anders wanneer de bezoekers een zekere groepsband met elkaar voelen.

Meertaligheid? Liever signage met duidelijke combinatie beeld/tekst∫. Uiteraard moet je het faciliteren als het nodig is. In het geval van musea en de teksten bij de artefacten, is uit onderzoek bekend dat meertalige begeleidingsteksten een negatieve invloed hebben op de bezoeker. Of dit ook geld voor algemenere signage, is mij in die context niet bekend.

Tot slot nog wat leuke tools

Walk [Your City] – Open source guerilla wayfinding

 Sound Tourism: A sonic tourist guide

Digital Signage: open source signage software

Meer links en tools 

Dit artikel staat ook op ISSUU

25 Tips voor museumgidsen en kunstdocenten

25 Tips voor museumgidsen en kunstdocenten

 

Onderstaande 25 tips komen uit de nieuwe- in ontwikkeling zijn de -methode “Staging the museum,” een scenario based beleving & trainingtool, bedoeld om museumprofessionals te verbinden aan vrijwilligers in en rondom kleine en middelgrote musea. In deze tijd is het belangrijker dan ooit om vrijwilligers te engageren bij de totale organisatie van een museum. Het ontbreekt musea vaak aan middelen om vrijwilligers bij te scholen. Door voortschrijdende wetenschappelijke inzichten, is het vak van expositie-organisatie steeds complexer geworden, waardoor de afstand tussen museum organisatie en vrijwilliger steeds groter is geworden. In tijden van co-creatie en zelforganisatie is dat eigenlijk een onacceptabel verschijnsel. De methode tracht het gat te dichten tussen vrijwilliger en organisatie.

De meeste museumgidsen zijn vrijwiligers, met lange of kortere ervaring als gids. Vaak zijn ze relatief hoog opgeleid en hebben een redelijk zelfverzekerde houding ten opzichte van “hun” verhaal. Dat “hun” daar moeten we aan sleutelen. Het is weliswaar voor een deel hun eigen vocabulaire, maar er zijn zo veel dingen waar je op moet letten tijdens de tour, dat een uitgebreide training wel is aan te bevelen. Daarnaast hebben veel gidsen blinde vlekken ontwikkeld, gedurende de jaren, die even kunnen worden aangestipt. Een heel belangrijke motivator voor toepassen van deze methode, is het feit dat vrijwilligers binnen een museumorganisatie over het algemeen op een niveau binnen de organisatie zitten, waar nieuw verworven kennis (door de organisatie), vaak aan voorbijgaat. Vanuit academische hoek maar ook vanuit het publiek. Terwijl juist zij degenen zijn die het vaakst interacteren met publiek en aanspreekpunt zijn. 

Er is heel wat veranderd in de afgelopen jaren. De wetenschap van hoe we als mens reageren op verschillende soorten prikkels, hoe gebaren werken, hoe esthetiek in elkaar zit. Kortom, de ingredienten van memorabele belevingen, komen niet alleen uit de mouw van de creatief concepter, maar zijn allen tot op de korrel nauwkeurig onderzocht. Waarmee niet gezegd is dat we alles weten, natuurlijk. De tips hieronder, komen voort uit recent wetenschappelijk onderzoek, en uit mijn eigen praktijk.

De methode die ik heb ontwikkeld- en waarvan hieronder een klein deel staat – is een mengeling van:

– Wetenschappelijke inzichten, academisch onderzoek van derden;
– Theatertechnieken;
– Televisionele technieken;

Een onterecht zwaar onderbelicht onderdeel bij gidsen en bij museumdocenten, is de performance van de eigenlijke rondleiding zelf. Meestal is een museumgids vrijwilliger en ontbreekt het het museum aan fondsen om goed onderricht te geven. Goed opgeleide gidsen hebben een grotere invloed op kennisoverdracht bij bezoekers. Rondleiden in de praktijk komt zo nauw, dat je het haast niet meer kunt overlaten aan enthousiasme alleen. Men verricht heel wat onderzoek op dit gebied. Onderzoek waar je gebruik van kunt maken. Helaas komt deze materie maar zelden bij de vrijwilliger terecht, op de werkvloer. De meeste vrijwillige gidsen zijn verschrikkelijk goed gemotiveerd, daar zal het niet aan liggen. De plaats die zij in een organisatie innemen, is ook debet aan het gebrek aan nieuw verworven inzichten. Zelfs al werk je betaald bij het museum, is het a) de vraag of je bij de goeie wetenschappelijke bron kunt komen, en, b) of je het voor elkaar krijgt, de meestal gortdroge informatie kunt onttrekken aan de onderzoeken. Buiten het feit dat het nogal vakidioterige materie is, is het ook nog zo dat je niet zomaar bevinding nr. 1 naast bevinding nr. 2 kunt leggen.

Naast alle nieuwe inzichten, is er natuurlijk ook nog gewoon de vertrouwde vorm van theater, waarmee ik graag werk. Een methode die iedereen leuk vindt, en bovendien een die mij in staat stelt om elke cursist voldoende persoonlijke begeleiding te geven. De onderbuik moeten we niet vergeten.

Ik geef een kleine voorproef uit de methode. Veel plezier! 


De 1e 5:

  1. Laat het publiek wijzen. Dat verhoogt de gezamenlijke betekenisgeving, en daarmee opbouw van kennis.
  2. Verspreide aandacht in de groep/rommelig? Engageer 1 persoon uit de groep met hoge status, en laat hem kijken en wijzen/gebaren. Dit nodigt de rest tot meekijken en zet een keten van actie en reactie in werking, waarmee je hen weer bij de les krijgt;
  3. Bij jeugd: Ook heel kleine bewegingen/veranderingen in lichaamshouding, duiden op deelname.
  4. Plaatsing lichaam/rotatie torso richting de schilderijen, is al een non-verbaal teken / richting geven aan concentratie, zowel als de aandacht afwenden van spelers/toeschouwers die niet direct deel uitmaken van de ontmoeting/encounter;
  5. Buitensluiting van spelers die niet bij het proces horen, vind ook plaats door aangepast geluidsniveau, fysieke orientatie tov de buitenstaanders;

De 2e 5:

  1.  Nabijheid stimuleren: Verhoogt de mogelijkheid tot prompting door gebaren;
  2. Nabijheid en afstand zijn 2 manieren om de wil tot interacteren te stimuleren: wel of niet participeren in de gegeven actie;
  3. Niet participeren, is OOK interactie. Buitenstaanders/niet-deelnemers aan een gesprek of interactie-ook een nonverbale -geven een signaal af waarmee ze laten merken geen deel uit te maken van de interactie; In de overdracht van groepskennis belangrijker dan je zou denken;
  4. Non-interactie/niet-deelnemers kun je ook bij het proces betrekken door hen deel te laten uitmaken van de nonverbale taal die de groep bindt: Door hen bijv ook te laten wijzen, waardoor zij dezelfde symbolische taal spreken, of hen een vraag te stellen, die hen bindt aan het centrale thema, en daarmee het groepsbegrip;
  5.  Deelname van bezoekers, kent 3 rollen: De performer; de toeschouwer(s) en de omstanders;

deelnemers conversatie met tekst

De 3e 5:

  1. De rol van performing word verkregen door de sociale interactie onderling, zich aanpassende , veranderende rollen, naarmate de interactie zich ontvouwt, door turntaking onderling;
  2. Bij elke sociale interactie, moet de performer peilen of zijn handelingen worden bijgevallen, zowel als zien of zij makkelijk en naar behoren worden geinterpreteerd door het publiek. Dat peilen gebeurt tijdens de acceptatiefase die volgt op elke interactie (performance); dat wil zeggen wanneer het publiek zijn deelname bevestigd of begrip heeft van wat er zojuist gebeurde. Die acceptatie kan zich uiten in “turntaking” in de vorm van spraak en door erkennings-tekens als hoofdknikken, nabijheid (naderen) en (glim)lachen. Turntaking is het wisselen van rollen. Een groepslid (publiek) is nu performer, etc.
  3. Duidingen in gebaren is een manier om gezamenlijke aandacht te genereren en gezamenlijke orientatie onder de deelnemers;
  4. Het gebruik van gebaren vormt visuele of verbale verbindtenissen (vectors) onder de participanten, in interactie zowel als met het beoogde punt van aandacht, op dezelfde manier als blikrichtingen of gebaren doen;
  5. Steeds veranderende rollen in het proces, onderbouwt het belang van een fysieke context;

De 4e 5:

  1. Wijzen/refereren is een manier om iets in de omgeving te duiden, terwijl men een intrinsieke verbindtenis sluit tussen de “performer” en het beoogde punt van aandacht, en er vervolgens de aandacht van de geadresseerde op vestigt;
  2. Wijzen zorgt voor een gezamenlijke orientatie / zelfde richting uit;
  3. Wijzen is al een vorm van gericht denken: het is letterlijk een index-keuze;
  4. Wijzen is een “prompt”, die gericht een respons uitlokt;
  5. Gebruik “motion verbs” als hier, dat, daar, om de symbolische lading / het nonverbale, concreet te pairen aan de fysieke wereld;

De 5e 5:

  1. Bij kinderen werkt de motion verb “kijk” heel sterk, wat gezien moet worden als een uitnodiging tot iemands ervaring van aanschouwen (Katz; 1996);
  2. Verbs of motion zijn geintegreerd onderdeel van overstijgende gemeenschappelijk handelen/acteren, om de ander uit te nodigen tot ervaring van hetzelfde punt van perceptie;
  3. Mensen vertrouwen meer op wijzen en minder op taal, naarmate de afstand kleiner wordt;
  4. Mensen hebben allerlei manieren om te verhullen dat ze deelnemen aan het groepsproces (involvementshields). Zelfs de kleinste beweging kan gezien worden als actieve deelname aan het proces en de aanwezigheid van andere spelers/deelnemers erkennen, door bodyshifts, anders gaan staan, zelfs stilte;
  5. Laat mensen zo veel mogelijk dingen aanraken;

Groepsdynamiek, sequenties en ritme: Een afsluitertje

– Verspreide aandacht in de groep/rommelig? Engageer 1 pers uit de groep met hoge status, en laat hem kijken en wijzen/gebaren. Dit nodigt de rest tot meekijken.

– Non-interactie/niet-deelnemers kun je ook bij het proces betrekken door hen deel te laten uitmaken van de nonverbale taal die de groep bindt: Door hen bijv ook te laten wijzen, waardoor zij dezelfde symbolische taal spreken; Ze voelen zich meer bij de groep horen en ook de groep zal bij een hogere groepsidentiteit,meer voor elkaar open staan; Zich anders ten opzichte van elkaar bewegen.

Afsluiten / transitie.

Zeker jonger publiek is heel erg gewend aan korte televisionele sequenties. Als iets onze tijd typeert, dan is het wel het fenomeen sequenties en serialisatie dientengevolge. We zijn als mens geneigd om verbanden te willen zien, ook tussen voorwerpen die eigenlijk niet bij elkaar horen. Als we er niet al een mooi verhaal bij hebben, dan zorgen we in ons hoofd dat we ze ” clusteren”. Zo moet je geen 20 absolute topstukken uit je museum, in een en dezelfde vitrine zetten, want de bezoeker loopt er zo aan voorbij: Het feit dat ze allemaal bij elkaar liggen, zijn door de bezoeker al geclusterd, en omdat het er zo veel bij elkaar zijn, zal het wel heel gewoontjes zijn of niet de moeite waarrd… dus loopt men er voorbij.

– Gebruik overgangen in je verhaal samen met de ruimte en met taalgebruik/narratieve structuur. Het publiek ervaart de ruimtelijke indeling- DE ultieme manier om zich te orienteren -ook als een verhaal. Als de basiskenmerken voor orientatie er niet zijn, raakt ‘ ie gedesorienteerd. Daarom is plaatsing en routing binnen het museum zeer belangrijk, omdat de bezoeker ook visueel gezien, de patronen van een verhaal gebruikt. Er zijn heel erg veel factoren die hem vervolgens van dat verhaal kunnen afbrengen en zorgen dat hij de weg kwijt raakt.

Als je een verhaal op zeker moment gaat samenvatten of je gaat door naar een volgend hoofdstuk, zorg dan dat je dat ook fysiek markeert, door bij een deur of doorgang te gaan staan. De bezoeker zal die 2 zaken met elkaar in verband brengen, waardoor een beter begrip van de bezoeker bij je verhaal ontstaat. In je verhaal gebruik je op die momenten, woorden die overgang of afsluiting suggereren, als “tenslotte” of ” tot zover, zo goed”, op het moment dat je naar een fysieke overgang komt. Die overgang kan zijn, van de ene naar de andere ruimte, maar ook deuren (open en gesloten), vormen voor het publiek een onderbreking in het verhaal van de ruimte.

Stemgebruik

Je stem is natuurlijk heel belangrijk. Zeker volwassenen zijn heel gevoelig voor een belerende toon. Je rol als gids is natuurlijk een “rare”, want je weet dingen die je aan publiek wil overbrengen. Toch is het een kwestie van structuur aanbrengen in je verhaal en soorten woorden die je gebruikt, en je als”acteur” te verhouden tot het publiek. Simpel gezegd: van binnen ben je een autoriteit ten opichte van de bezoeker, van buiten ben je een gesprekspartner, net als een collega zou zijn.

BRONNEN: Zie deze link

Dit artikel staat ook op ISSUU.

Informatie en contact

Bovenstaande is een greep uit de methode, die bestaat uit een aantal onderdelen theorie, praktijklessen en persoonlijke begeleiding bij het rondleiden van bezoekers. Interesse in deze methode? Neem contact op met Renk van Oyen voor een inspirerende afspraak. Vanzelfsprekend kan de methode worden aangepast naar de specifieke wensen van het museum.

acts@la-clappeye.nl

www.la-clappeye.nl

Nieuwe methode in ontwikkeling: Staging the museum – scenariobuiding voor museumprofessionals

Staging the museum – scenariobuiding voor museumprofessionals

Momenteel in ontwikkeling. Dit is een verkorte uiteenzetting van de inhoud.

In deze serie workshops – speciaal gericht op kleinere musea -leren de deelnemers op een andere manier te kijken naar bezoekersgedragingen en de resultaten van onderzoeksmethoden, direct toe te passen in de praktijk- als museumgids, als directie, als vrijwilliger of als kunstdocent. Met deze methode dichten we het gat tussen wetenschappelijk onderzoek en concreet gebruik van de resultaten in de praktijk, door zowel museumvrijwilliger als professional. 

Methodologie:

Grofweg gaat de deelnemer via abstractie (concepten, zienswijzen, softmaps) naar concreet werkbare draaiboeken. Hiervoor maken we gebruik van het gratis programma Celtx- software waarmee relatief eenvoudig een televisie/filmscenario kan worden gemaakt en ingericht. Dit programma bevat ook de mogelijkheid om tekst te annoteren en te voorzien van labels, waardoor per “scene” heel makkelijk een beeld verkregen wordt van direct te beinvloeden omgevingsfactoren, als doorzichten, sequenties in de opstelling van de expo en gebruik van licht en geluid. Tevens alle contactpunten tussen museum en bezoeker.
Via biografische aantekeningen van de museumbezoeker, door observatiemethoden in het eigen museum bijeengrbacht, ontwikkelt Aan de hand van dat scenario, vult de deelnemer de ontstane cases aan, tot een volwaardig draaiboek, waarmee ook concreet gewerkt kan worden, in de praktijk. Het omvat daarnaast ook een professioneel licht- en geluidsplan en een complete “breakdown-database” .de deelnemer een set kenmerken, waarmee hij/zij scenario’s gaat ontwikkelen in Celtx.

Parallel aan het hele proces, krijgt de deelnemer individuele coaching bij de rondleidingspraktijk, waarbij we niet alleen technieken uit de theaterpraktijk gebruiken, maar ook resultaten uit onderzoeken naar publieksbeinvloeding en ruimtegebruik, direct toepassen op de situatie.

Beknopt overzicht inhoud methode:

  • Van concept naar scenario naar volledig draaiboek
  • Vertelperspectieven: onderzoeken en kiezen
  • Creatieve technieken, point-shifting;
  • De ruimte gebruiken als decor;
  • Het gebouw zelf vertelt ook al een verhaal: spatial narrative, pacing, sequenties;
  • Wayfinding van publiek binnen gebouw en expo;
  • Eigen script schrijven en het verhaal doen;
  • Stemgebruik en invloed van de gids op publiek, spanningsboog en concentratie;
  • Non-verbale communicatie;

Wat mis je nog?

Zijn er zaken die jullie als museum professional, als bezoeker of vrijwilliger nog missen? Geef gerust voorstellen en tips, via de comments.