Tag Archives: ons vak

Trends in de theater- en evenementensector: van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 2

Trends in de theater- en evenementensector

van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 2

 Publiek werkt zichzelf toe naar een manier van participatieve cultuurbeleving die werkt via zelfgegenereerde belevingen, via netwerken die gemeenschappelijkheid suggereren en tegelijkertijd gaan om individuele bewegingen die men wil delen… met festivals en makers, met peers en met merken.

De koppen in deel 1 waren:

  •  Buiten de zalen: van kleinschalig naar grote idealen en van lokaal naar overkoepelend
  • Immersieve ervaringen & experience cramming
  • Social in de zalen

 De koppen in deel 2 zijn:

  •  Social op festivals
  • Social = personal?
  • Festival-tweaking = Simmer-sion

 Social op festivals

Iets breder genomen, gaan we sociale media ook zien op festivals tijdens voorstellingen. Net als andere sociale toepassingen als social logins, offline `liken’ en vóór of na de voorstelling een recensie tikken op je smartphone, zal screen steeds vaker een integraal onderdeel van de voorstelling worden, ook in artistiek opzicht. Zowel in de stoelen in de zaal als op het podium zelf. Op televisie is “second screen” nu al aan het inburgeren. In Londen deed men al een experiment met SMS’sen tijdens een Shakespeare voorstelling, waarbij het publiek subtext op het mobieltje kreeg, regie-aanwijzingen las en zelfs invloed kon uitoefenen op de verschillende rollen. Het publiek kreeg echter verschillende informatie, waardoor de beleving van de verschillende personages én het verloop van de voorstelling, per (groepen) persoon anders was.

 Social = personal?

Uit bovenstaande kan de trend gefiltert worden, dat social minder sociaal gaat worden en meer gericht op de individuele beleving van de toeschouwer. Social is niet een online verlengde van de echte wereld meer, maar een nieuwe en vaste dimensie die we ons als massa ook persoonlijk hebben gemaakt.

 Toch gaat social wel degelijk anders socialer worden, maar dit zal steeds vaker een afspiegeling zijn van wat offline al draagvlak heeft, al dan niet geïnspireerd op online communities. Dat is minder vrijblijvend dan het klinkt. Het betekent grofweg dat offline “gemeenschappen” zich vormen naar de mogelijkheden die een persoonlijk online netwerk bieden. Vrij vertaald: de contacten die men deelt via Facebook en andere media, vormen een binnenste schil waarmee men offline netwerken vormgeeft. Voorbeelden hier van kan men vinden in buurt-netwerken, urban gardening, guerilla-gardening, collectieve energiewinning, eten/koken met en bij de buurtgenoten, ruilkringen, et cetera. Een helder voorbeeld is het hierboven geschetste fenomeen van kleinschalige belevingen op kleine locaties, waar intimiteit en het kunnen delen van een gemeenschappelijke lifestyle belangrijker is dan de programmering van de avond. Het spreekt voor zich dat elke deelnemer blootstaat aan dezelfde grote invloeden als sustainability, kwakkelende economie en krimpende fossiele grondstoffen. Samenvattend zoeken we aansluiting bij elkaar, via netwerken en samenwerkingsverbanden met een sociaal karakter. Hierbij is de lokaliteit van minder belang. Van groter belang is de collectieve gemene deler; de ambitie, gezamenlijk doel, gemeenschappelijk ideaal. Ook de particuliere Facebookgebruiker en Twitteraar is zich bewust van zijn/haar invloed op partijen en mensen die niet op hun vriendenlijst staan of tot hun volgers behoren en wil steeds vaker bewust invloed uitoefenen op de schillen er omheen. Dan bedoel ik niet de Fail hashtag in een tweet, maar invloed via bovengenoemde idealistische netwerken en lifestylegenoten.

Voor festivals en evenementen bied ook dit kansen om publiek te betrekken en vast te houden. In het geval van concertzalen, is het beter om in te pikken op het gevoel wat men krijgt bij barok, dan diep op de inhoud en componisten van het concert in te gaan. Kijk maar naar hoe concertseries in elkaar zitten. Trefwoorden als “Italië” en “Snaren” en “Vrouwen”. Bij barok horen nu eenmaal “krullen” en “altaars”, of je dit nu oubollig vindt of niet. Dat is de associatie, nu de belevingen nog!

Voorbeelden:

Evenementen doen er goed aan precies in kaart te brengen, hoe het publiek zichzelf ziet ten opzichte van de wereld en de mensheid. Waar plaatst men zichzelf binnen een spectrum van goed-en-kwaad? Van fijn en vervelend? Geef richting aan de belevingen, faciliteer én regisseer deze! Dat betekent onder meer dat je gaat werken met liquide persona’s, actief gaat monitoren wat men waar en waarom deelt met elkaar. E-mailadressen verzamelen op het festivalterrein kan echt niet meer. Minder marketing, meer beleving!

 Festival-tweaking = Simmer-sion

Immersion (immersie) en simmer (pruttelen, stoven, zachtjes koken).

Het begrip Festival-Tweaking kennen de volgers en opdrachtgevers van La Clappeye Acts al langer. Hier is een extra laag bij gekomen: Simmer-sion.

Binnen de spanne van een festival, is het publiek niet alleen bezig receptief publiek te zijn (zie hierboven) maar is men ook deelnemer, men is een co-productie aangegaan met het festival, gaat elk moment een nieuwe deal aan met het festival: blijven we of accepteren we wat het festival ons aanbied aan escapemogelijkheden. Ze zoeken op het terrein en de locaties naar lifestylegenoten, kennen de locaties al beter dan de organisatie zelf, de afstand tussen publiek en de makers in de programmering is veel kleiner dan voorheen, ze bewegen zich ook buiten de festivaldata om al binnen de zelfde ruimte die het festival beslaat, in fysieke zin maar ook overdrachtelijk.

 Immersie alleen aanbieden als rond en afgeregisseerd geheel, is voor een groot evenemententerrein niet meer voldoende. Op het terrein zelf gebeurt te veel met het publiek om hen blijvend vast te houden met één overkoepelend concept. Het publiek doorziet concepten snel! Op het evenemententerrein pruttelt en stooft het in de publieksbeweging. Het zoekt op verschillende momenten van de dag en avond, andere prikkels. Publiek “neemt” niet alleen meer (in de zin van receptief), maar wil ook “geven”. Geven direct feedback aan de organisatie en makers, willen zelf meemaken en mee-maken, willen hun goedkeuring en liefkozen meteen laten blijken en delen met hun peers. Dit gaat veel verder dan crowdsourcing! Veel mogelijkheden ook dus voor sponsors. Zie het voorbeeld van Douwe Egberts, hieronder.

Tijd dus, om je publiek echt goed te leren kennen! Niet uit uitgebreide datasheets en grote data maar uit bewegingen, uit liquide persona’s, uit ritmes, uit wat publiek je al “geeft”.

Één bruikbare variant van een bestaande nieuwe toepassing, wil ik alvast delen. Onlangs werd een nieuwe service gelanceert die sportliefhebbers in het stadion- al tijdens de wedstrijd -de kans geeft betere stoelen te reserveren en betalen.

 Voorbeeld:

Dit is in deze vorm voor festivals al heel interessant, maar interessanter is het om deze dienst te richten op kleine groepen publiek, die bijvoorbeeld van een externe festivallocatie komen richting horeca en samen korting krijgen, als zij eenmaal op het centrale terrein zijn aangekomen, inclusief zitplaatsen. De verzamelde microdata kunnen vervolgens worden gebruikt om hen kortingen op maat aan te bieden en die te koppelen aan sociale parameters als gedeelde lifestyle, politieke voorkeur, bekende gezichten of thema’s.

Om echt unieke ervaringen en momenten te laten maken, ontwerpen én live uitvoeren, verwijs ik de lezer graag naar www.la-clappeye.nl

Renk van Oyen

[fblike]

Trends in de theater- en evenementensector: Van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 1

Trends in de theater- en evenementensector

Van kleinschalig naar Simmer-sion, deel 1

 Deze blog publiceer ik in 2 delen. Vandaag het eerste deel. In de loop van volgende week het tweede.

 Al jaren proberen we “moeilijke” doelgroepen de zalen in te krijgen. Jongeren, allochtonen, mensen uit achterstandswijken. Mensen die minder met cultuur hebben, willen we zo veel mogelijk in aanraking laten komen met theater en andere kunstvormen. De trend die al een paar jaar gaande is, is het organiseren van kleine concepten die zich buiten de traditionele zalen afspelen.

 Publiek werkt zichzelf toe naar een manier van participatieve cultuurbeleving die werkt via zelfgegenereerde belevingen, via netwerken die gemeenschappelijkheid suggereren en tegelijkertijd gaan om individuele bewegingen die men wil delen… met festivals en makers, met peers en met merken. Ik hoop aan het einde van deze serie van 2 blogs, hierin wat inzicht te kunnen geven.

De koppen in deel 1 zijn:

  • Buiten de zalen: van kleinschalig naar grote idealen en van lokaal naar overkoepelend

  • Immersieve ervaringen & experience cramming

  • Social in de zalen

De koppen in deel 2 zijn: 

  • Social op festivals

  • Social = personal?

  • Festival-tweaking = Simmer-sion

 Buiten de zalen: van kleinschalig naar grote idealen en van lokaal naar overkoepelend

 Opvallend in de trendontwikkeling van de laatste paar jaar, is het “gebrek aan verzet”. Ze lijken niet te ontstaan uit verzet tegen de instellingen of zich willen afzetten tegen heersende verhoudingen. Ze onttrekken zich gewoonweg aan de hiërarchie binnen de sector en programmering van de zalen. Maar die laatste opmerking is ook beroepsdeformatie van mijn kant, want overal elders is er wel degelijk “verzet”. De aanhalingstekens staan er, omdat het verzet zich niet via de klassieke reactionaire manier verspreid en organiseert, maar zich via trends en trendontwikkeling zichtbaar maakt. Waren we ons via kleine trends als lokale ruilkringen buurt-bijeenkomsten gaan organiseren tegen vervreemding, ons via slow-food gaan wapenen tegen globalisering, nu omarmen we massaal Transition Towns, car-sharing, frugal living, hebben we moestuinen op afstand en bestellen bij de tuinier er van een krop sla en gaan we in groter verband zelf groene energie winnen én verdelen. Deze ontwikkeling is ook in de theater- en evenementensector zichtbaar!

 Daar waar het aanvankelijk vooral multidisciplinaire concepten waren (bijvoorbeeld Klub KOE en l’Avventura)) die zich buiten de zalen begaven, werden het steeds meer op zichzelf staande evenementen, met een overkoepelend concept. Hierbij was de deal tussen maker/producent en publiek dat lokale kenmerken van een avond uit, werden gecombineerd met die van een kunsten-evenement. Voldoende ruimte voor het publiek om te experimenteren met nieuwe dingen, met de belofte van een avondvullend programma, met escapemogelijkheden, richting bar en nazit. Mocht de programmering niet kunnen boeien, was er altijd nog een vlucht richting bar mogelijk. De nazit werd steeds vaker geïntegreerd binnen het evenement; werd daar een integraal onderdeel van, wat onder meer consequenties heeft voor de programmering en de aard van de locaties. Aanwezigheid van horeca faciliteiten bijvoorbeeld. Het kraakverbod was nog niet van kracht, dus er waren redelijk wat locaties voorhanden die hun medewerking wilden en konden verlenen. Ook werden de concepten vanwege de kleinschaligheid en relatieve onbekendheid, gevrijwaard van strenge ARBO regels en gemeentelijke beperkingen.

Voorbeelden:

 Immersieve ervaringen & experience cramming

 Onderdompelende ervaringen kennen we al langer. Maar het publiek lijkt niet genoeg meer te hebben aan de gebruikelijke volgorde en sterkte van prikkels, zoals ze die kennen binnen de zalen. Aankomen in de foyer en wat drinken > aanvang concert/voorstelling > pauze > voortzetting voorstelling > drankje. De avond zelf is één grote onderdompeling. Vanaf binnenkomst tot aan de laatste minuut, is men overgeleverd aan een stortvloed aan ervaringen. Alle zintuigen worden bediend.

 In de experience economy staan ervaringen centraal. Unieke ervaringen die onderdompelend zijn, je een gevoel van de tijd vergeten geven, die ontsnapping bieden en een gevoel van actualiteit in zich hebben. De grootschalige evenementen blijven populair, maar ook zij leveren binnen hun respectievelijke concepten, kleinschalige varianten. Deze variëren van afterparties tot previews, van spin-offs tot VIP-arrangementen. Deze varianten zijn steeds meer gericht op kleinere groepen, die rondom bands, relaties van het festival of volgers op Facebook gericht zijn. Vergelijk de blog met de “volgcore” via deze link. Daar kom ik hieronder nog op terug.

 Wat opvalt aan de kleinere varianten van grootschalig opgezette belevingen, is dat ze niet groter willen zijn dan de volgers op de sociale media toestaan. Dit heeft enerzijds te maken met het feit dat dergelijke formules vaak bedoeld zijn om bestaande volggroepen en relaties te “belonen” voor hun fan-zijn, hun relatie met het evenement te bevestigen. Anderzijds past het in de trend dat er steeds meer kleinschalige evenementen plaatshebben, die zijn gericht op min of meer bekend publiek. Ze worden via Facebook aangekondigd, veelal georganiseerd voor en door jongeren op intieme locaties, zijn op zich ook voor iedereen toegankelijk, maar zullen vooral aankomen bij de binnenste paar schillen van de organiserende partij. In het geval van een band, de vrienden op facebook (waaronder de vaste aanhang, de vrienden en studiegenoten), relaties en de lokale culturele/muzikale kaart.

Belangrijk om nog aan te merken is het feit dat men heel goed in de gaten heeft hoe en waarmee men invloed kan uitoefenen op schillen buiten de eigen (virtuele) vriendenkring.

  De behoefte bestaat om te delen met een relatief kleine groep mensen, waarbij niet zozeer de inhoudelijke programmering maar meer een gedeelde lifestyle centraal staat. Festivals en evenementen hebben steeds beter in de gaten dat niet alleen de producties en concerten van belang zijn, maar het publiek ook in meer overdrachtelijke zin aan zich kunnen bieden, via andere parameters, als lifestyle, locaties, politiek en seizoensgebonden sentimenten en trends. Op andere vlakken dan de podiumwereld bestaan soortgelijke initiatieven ook. Voorbeelden zijn ruilparties voor tweede hands kleding en kleinschalige buurt-bijeenkomsten rondom het fenomeen frugality. Niet alleen de slechte economie speelt hierin een rol, maar ook status. Hier wordt overigens een andere vorm van frugality bedreven, dan men in het bedrijfsleven zou begrijpen. Op consumentenniveau betekent frugality een soort voortgang van wat begin jaren ’90 nog vrekken heette. Dit is een trend die zijdelings te maken heeft met bovenstaande, maar het voert voor nu te ver om daar uitgebreid op in te gaan.

 Een trend binnen genoemde initiatieven is die van experience cramming. Zo veel mogelijk willen ervaren binnen éénzelfde activiteit of tijdspanne, voor een redelijk bedrag. Een voorbeeld binnen de toeristische sector is op wintersport gaan en naast skieën, ook het lokale nachtleven en ter plaatse georganiseerde grootschalige evenementen willen bezoeken en een vakantie-in-een-vakantie willen beleven (naast skieën, een paar dagen rust). Binnen de evenementensector vertaalt zich dit (voor de langere termijn) naar mooie mogelijkheden om af te tasten bij de doelgroepen, waar nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden liggen om hen vast te houden als publiek.

Voorbeelden:

Qua ervaringen en immersie, hebben we nog lang niet de top of einde van de diverse trends daarin bereikt. Gebruiken we techniek om onze ervaringen mee vorm te geven (smartphone, camera), in de zeer nabije toekomst zal techniek zelf ook op specifieke ervaringen gericht zijn. Een voorbeeld van nu is de digitale lomo-camera en een Iphone app waarmee je foto’s alleen kunt bekijken als het virtuele “fotorolletje vol is”.

 Voor de evenementen is de trend belangrijk dat publiek / de consument steeds vaker graag zijn eigen ervaringen creëert en vormgeeft, zelf graag stuurt en de duur er van zelf bepaalt én dat hij ook “ sellsumer” is: hij maakt zelf en verkoopt tegelijkertijd. Hij koopt ervaringen, geeft ze opnieuw vorm en verkoopt ze weer. Dit heeft gevolgen voor het receptieve karakter van consumeren van cultuur en theater!

Social in de zalen

 Jazeker, ook de theater- en conertzalen moeten er aan geloven. We gaan ook Twitteren en Faceboeken in de zaal! Live filmen met de smartphone en dit meteen op Youtube plaatsen. We gaan met vrienden een eigen liveregistratie filmen van een concert en dit meteen live via Youtube uitzenden. Dit is niet hetzelfde als Twitcast, overigens.

 In sommige steden bestaat al het fenomeen “Tweetseats”, een rij stoelen (nu nog meestal achteraan) waar het toegestaan is om te Twitteren tijdens de voorstelling.

 Kort geleden lanceerde het Gelders Orkest een eigen app voor Ipad, “Voorgesteld”, met het programma voor het komende seizoen, filmfragmenten, geluid en interactie met de webshop. Dit is een nog vrij simpel voorbeeld van hoe zalen in de nabije toekomst van Ipad of schermpjes in de zalen gebruik gaan maken. Zij lopen hierin nog behoorlijk achter. Zalen zullen de ipad gaan gebruiken als een nieuwe manier om bezoekers van informatie en service te voorzien. Zij zullen net zo gewoon gaan worden als de vertrouwde toneelkijker die je bij de meeste theaters kon huren, vroeger. Publiek zal in de zalen met Ipad, live gaan twitteren, opnemen en uitzenden, live-streamen, terplekke zelf instagramfoto’s maken en verspreiden. De mogelijkheden liggen er, de techniek is er ook en het laat zich aanzien dat ook publiek hier klaar voor is. Over de wenselijkheid er van spreek ik me hier even niet uit.

Voorbeelden:

Tot zover deel 1. Over enkele dagen publiceer ik deel 2.

Renk van Oyen

Gerelateerde blog: De “volgcore”, de bands zonder fans.

Gerelateerde blog: Festival-tweaking, deel 1

Gerelateerde blog: Festival-tweaking, deel 2

[fblike]

Jezelf als meetinstrument: Experience design t.o.v. Ritme in tijd en ruimte, deel 2

Jezelf als meetinstrument

Experience design t.o.v. Ritme in tijd en ruimte, deel 2

Deel 1 is hier te lezen.

Ik schreef al in deel 1 van deze blog dat je als programmeur, als winkeleigenaar, als designer, in je eentje al een belangrijk en zeer relevant meetinstrument bent, voor het regisseren van belevenissen en het in kaart brengen van ervaringen.

Nu in  deel 2 enkele aanknopingspunten om de eerder omschreven gevoelsmatige benadering uit te werken, richting een concreet model, welke vervolgens weer gebruikt kan worden om de omgeving en ritmes daar binnen, in kaart te brengen.

Zien zonder te kijken

Welke overeenkomsten zie je met bijvoorbeeld publieksbeweging over het terrein heen? Valt dit bijvoorbeeld samen met etenstijd? De openstelling van de terrassen? Met het uitgaan van een voorstelling? Of is het gewoon “de spits”? Dat hangt natuurlijk direct samen met het woon-werkverkeer.

Ook de locatie, de ligging en fysieke plaatsing van het terrein zijn heel belangrijke factoren. Zo is het druk op het plein omdat er verschillende kleinere straten op uit komen, men het plein als een centraal gebied beschouwt, de omgeving beter is te overzien door de weidsheid van de locatie of het is in overdrachtelijke zin dé plek waar je hoofd tegen je zegt dat je daar het beste beeld van de stad krijgt, om vervolgens beslissingen te nemen over waar nu heen te gaan.

Beleven zonder deel te nemen

Het is interessant om te weten dat we geneigd zijn ritmes en bewegingen als één geheel te zien. Alsof de beweging van een groep mensen één gezamenlijke oorzaak en een gezamenlijk doel heeft. Dit is niet juist. Het zijn momenten of ogenblikken die je aanschouwt. Ze zijn niet noodzakelijk met elkaar verbonden, maar vormen een ritme door de herhaling die er in zit. Aangezien ons ritme voor een groot deel bepaald wordt door van buitenaf en zelfs van bovenaf opgelegde elementen (werk/rust-tijd, productieprocessen, van A naar B gaan met het doel het werkritme te volgen én die tegelijkertijd ook te dicteren), houden we dit ritme zelf in stand en kunnen er moeilijk op een objectieve manier naar kijken. Zeker niet als we zelf ook deel uitmaken van de ritmes die we proberen te analyseren. Ik schreef al dat je bij een analyse jezelf tijdelijk moet kunnen “uitzetten” en afstand kunnen nemen; er niet zelf aan deelnemen.

Schrijven en beschrijven in de tijd

Bij het analyseren van ritmes (in dit geval auditieve) op het festivalterrein of in het winkelcentrum, kun je opnames maken (ook beeldopnames) en die naderhand analyseren. Het gevaar ontstaat dan echter dat je dingen opvallen die bij ons als mens zijn voorgeprogrammeerd. Weliswaar kun je in muziek ook heel goed een hoofdritme en syncopen onderscheiden, maar het blijft een voorgeprogrameerd geheel. Je weet immers altijd waar de volgende slag in de beat gaat vallen. En zelfs bij een break in het ritme, weet je dat er een versnelling gaat komen en hoe die klinkt. We zijn zelf geen goeie graadmeter als we zelf middenin datzelfde ritme zitten of er aan deelnemen. Interessanter is het, om een dagboekje bij te houden gedurende een week (liefst 2 weken omdat je dan bijvoorbeeld 2 weekenden hebt om te vergelijken), en op verschillende tijden op te schrijven wat je opvalt. Begin met vrije tekst: letterlijk alles noteren wat je opvalt aan geluiden, aan publieksbeweging, aan lichtval etc. Vervolgens ga je volgens een gestructureerd onderzoeksmodel (bijvoorbeeld het observatieschema van Bailey), invullen wat je waarneemt. Ikzelf adviseer daarnaast om van bovengenoemde tijdsschema’s/tijdbalken gebruik te maken. Dit maakt het voor jezelf een stuk inzichtelijker en minder technisch. Het doel is vooral om het voor je zelf inzichtelijker te maken en te leren kijken en luisteren naar de materie op een manier die je niet gewend bent, niet om er een academische verhandeling over te hoeven schrijven.

 Observatieschema als kapstokje voor verdere uitwerking

Dit is het moment om de audio-opnames er bij te pakken. Het is dan geen objectieve waarneming meer, maar dat op zichzelf niet erg. Je kunt nu de resultaten op verschillende manieren gaan uitbouwen, zonder dat je je al te druk hoeft te maken over de subjectiviteit. De onderzoeksresultaten kunnen prima dienen als basis voor verdere mapping van de omgevingsfactoren. Welke kleuren hoorden bij een onderzoeksmoment? Welke stoffen? Hoe praatten de mensen met elkaar? Welke soort woorden gebruikten ze? Waren die locatiespecifiek (achter dat raam, bij die rode kraam, naast de toiletten) of gingen ze over een groter gebied, zoals “we gaan naar de Markt” of “we hebben geparkeerd bij xxx” ? Om het jezelf makkelijker te maken, kun je de onderzoeksresultaten naast “zware ritmes” leggen, zoals bijvoorbeeld openingstijden, de spits, ontbijt-lunch-diner etc. Speel zo veel mogelijk met de sub-ritmes en polyritmiek.

Namen om te onthouden: Levebvre, Kärrholm, Bailey, F. Wunderlich, Kevin Lynch,

Termen om te onthouden: La Clappeye Acts, experience design, festival-tweaking, observatieschema, urban rhythms, sociale geografie, metaphorical territories, mental/spacial mapping.

 Gerelateerde blog: Jezelf als meetinstrument: Experience design tov ritme in tijd en ruimte, deel 1

Gerelateerde blog: Fesrtival-Tweaking deel 2: de belevenis vs. de dagelijkse routine

[fblike]

Jezelf als meetinstrument: Experience Design tov ritme in tijd en ruimte, dl 1

Jezelf als meetinstrument

Experience design t.o.v. Ritme in tijd en ruimte, deel 1

Binnen La Clappeye Acts hou ik mij – waar het experience design aangaat – vooral bezig met het letterlijk bouwen, creëren van ervaringen; Regisseren van belevenissen en belevingen. Ik ga uit van een publiekskant, een creatie-kant en alle processen daar tussenin. Een benadering die ik voor zowel de culturele sector als voor het bedrijfsleven kan inzetten.

Dit is deel 1. Deel 2 valt hier te lezen.

Voor het in kaart brengen van bewegingen op een festivalterrein, de locatie van een event of zelfs een winkelstraat, bestaan velerlei onderzoeksmethoden, modellen en theorieën. Complexe materie waar je niet 1, 2, 3 doorheen komt. Nu is de complexiteit er van niet het grootste probleem. Binnen de meeste organisaties is budget en tijd wel een probleem.

Jijzelf, als programmeur, als winkeleigenaar, als designer, bent in je eentje al een belangrijk en zeer relevant meetinstrument voor het regisseren van belevenissen en het in kaart brengen van ervaringen. In deze blog (deel 1) en in deel 2- die ik later zal plaatsen -enkele methoden om jezelf in te zetten als meetinstrument. Concreet en toepasbaar en zelfstandig uit te werken en te gebruiken.

Het hoofd vrij voor belangrijke zaken

In mijn ervaring is het voor veel organisaties vrij moeilijk hun hoofden “vrij te maken” voor experience design, omdat meteen al de fout wordt gemaakt te denken dat zelfs de kleinste beweging, verregaande gevolgen heeft voor de hele organisatie en alle bedrijfsprocessen. Dat is niet noodzakelijk het geval. Experience design is nl. niet alleen een kwestie van in kaart brengen (en sturen) van het gedrag en beleving van de ánder, maar zeker ook van jezelf! Dit geeft al snel inzichten in het gedrag van bezoekers, van klanten en passanten.

Spiegelen

In een ander blog ( “Belevenis vs. dagelijkse routine” ) schreef ik al over “mimicking”, het spiegelen van de programmering en festivalverloop, aan de dagelijkse bezigheden en gedragingen van de doelgroep. Gedragingen die achter elkaar gezet, een ritme vormen maar niet noodzakelijk een causaal verband kennen. De ene gedraging beïnvloed de andere en er ontstaan subritmes die met elkaar in verbinding staan en weer beïnvloed worden door interne- en externe factoren, waar we maar voor een deel zelf echt invloed op hebben. Die vergelijking valt veel verder door te trekken dan dat.

Wat zijn bijvoorbeeld de beperkingen voor je publiek om naar het festivalterrein te kunnen of willen komen? In de genoemde blog schreef ik over het spiegelen van de gezinssituatie, bezien vanuit de kinderen. Ik omschreef hoe hun beleving van beloningen (toetje, verhaal), zekerheden (papa komt thuis) en routine (etenstijd), binnen de festivalprogrammering werden gespiegeld. Binnen dit voorbeeld was dit mogelijk omdat alle partijen die het mogelijk maakten deze belevingen te produceren, op dezelfde tijd op dezelfde plek waren. Papa en mama waren er, de auto was er, er was parkeerruimte, de kinderwagen was paraat en vrijetijdsbeleving en routine kon samenvallen binnen de festivalprogrammering. Daarnaast vielen cyclische en lineaire ritmes samen. Men ging van A naar B, kon toegeven aan honger en dorst op de locatie, konden de noodzakelijke rust, spanning en ontspanning vinden, op momenten waar dit nodig en recreatief wenselijk was.

Bewegingen starten, bewegingen stoppen

Één van de beperkingen die men kan ervaren om op het festivalterrein of in de winkel te komen, noemt men beperkingen in het koppelen. Alle mensen, materialen en hulpmiddelen moeten op een zeker moment en op een bepaalde plaats kunnen samenkomen (tegelijkertijd), om de geplande activiteit te kunnen uitvoeren. Dit is een geplande actie maar kan natuurlijk ook spontaan ontstaan, waardoor de intentie van de bezoeker een andere lading krijgt dan wanneer het een gepland samengaan van genoemde factoren betreft. In dit laatste geval is er meestal sprake van cyclische ritmes. Aangezien het hier een flinke opsomming van compromissen betreft van alle betrokken partijen, zijn de gevolgen van het opheffen van de beperkingen in het koppelen, aanzienlijk. Het betekent bijvoorbeeld dat de partijen langer op het festivalterrein zullen blijven, wanneer je de koppelingen op alle vlakken met elkaar in harmonie brengt (synchroniseren van verschillende ritmes) en de beperkingen probeert op te heffen.

Concreet kan dat betekenen dat je de vrijheid geeft aan ouders om hun auto gratis te parkeren, dat kinderen en ouders tegelijkertijd kunnen eten en drinken en de programmering erop gericht is om kinderen binnen het gezichtsveld van de rustende (op terras) ouders te houden. Daarnaast zorg je er zo veel mogelijk voor dat de ritmes van het gezin als eenheid, die van een persoon (cyclische ritmes) en functionele ritmes zo veel mogelijk worden bediend door omgeving, tijd en ruimte. In de 21e eeuw is het bijna overal zo, dat onze vrijetijdsbeleving voor een groot deel wordt bepaald door een “commercieel” ritme. Je hoeft niet daadwerkelijk dingen te koop aan te bieden, maar alleen al de momenten waarop een festivalterrein volstroomt met bezoekers, geven al weer dat men zich voegt naar “opgelegde” werk- en rust-ritmes.

Hoe zet je jezelf dan in als meetinstrument?

Observeren van de omgeving, maar “zet jezelf uit”. Dat wil zeggen, beleef de omgeving allereerst op een niet-rationele en organische manier. Dwing jezelf op een ander niveau je omgeving te ervaren. Je hóórt natuurlijk wel geluiden, maar hoe zitten die geluiden in elkaar? Zijn het storende geluiden? Waarom zijn ze dan storend? Waarom ervaar je het ene harde geluid als storend en het andere harde geluid niet? Als je dit in kaart brengt en je legt het langs een tijdlijn, wat valt dan op?

Horen zonder te luisteren

Wat mogelijk zou kunnen opvallen is dat je de harde geluiden ‘s morgens als vervelender ervaart dan dezelfde geluiden in de namiddag. Toch waren er evenveel mensen op het terrein. Kan het zijn dat de intentie van de mensen op het terrein ‘s morgens er een was van zo snel mogelijk van A naar B gaan? En die in de avond er een van recreëren? Filter alle niet-storende geluiden uit je schema en leg die weer langs een tijdlijn. De opeenvolging van momenten, vormen een ritme. Onthoud dat die ritmes geen causaal verhaal vertellen. Dat het een volstrekt onlogische brei lijkt, is niet van belang!

Tot zover deel 1.

In deel 2 onder meer: observatieschema, schrijven en beschrijven in de tijd, beleven zonder deelnemen.

Gerelateerde blog: Festival-Tweaking deel 2: De belevenis vs de dagelijkse routing

image image

[fblike]

De “volg-core”: De bands zonder fans

De “volg-core”!

De bands zonder fans

Fan zijn vereist een zekere actie, van de fan naar de bewonderde persoon of band. Iets waaraan we gehecht zijn geraakt: ik kan iets goed, heb een zeker talent en daarom zoeken mensen mij graag op. Begrijpelijk, maar zo ver reikt vandaag de dag de betrokkenheid niet, dat men naar je toekomt, zijn trouw en medeleven betuigt, geduldig wacht op een soort van beloning en dan weer netjes weg gaat. Men is nog steeds liefhebber en fan, maar men beweegt zich langs andere kanalen dan voorheen.

Foto: Monique van der Steen; 2010.

Men is geen fan, men “volgt” je. Het eigenlijke concert is niet meer genoeg voor de volger; dat is een nabijheid die hooguit als afronding van een grotere beleving geldt. Het beeld wat de volger van je band heeft, vormt zich vooral door het volgen. Eenmaal bij je concert aangekomen, moet dit beeld worden verzadigd. Dit is een verzadiging die bij de bezoeker binnenkomt als een slot in een sleutel. Dat is iets waar je je van bewust moet zijn als band en muzikant. Nieuwe dingen uitproberen in een concert werkt het beste als je eerst de eerder opgebouwde verwachtingspatronen van het publiek verzadigd.

Aan de fanbase kant (volg-base) kun je ook niet meer aankomen met de opmerking dat je “fan bent” van iets. Ja, je volgt wel een band, je vind leuk op Facebook en zelfs was je zo onder de indruk van weer een groep, dat je zowaar een statusupdate wijdde aan een optreden. Maar daar eindigt het fan-zijn wel een beetje mee. Nou ja, daar BEGINT het fan-zijn tegenwoordig mee. De fan volgt maar verwacht ook van de groep dat die HEN volgt! Immers: als de groep binnen jouw groep vrienden op Facebook zijn evenementen en updates laat circuleren, hoef je de band zelf niet te volgen; die verschijnt toch wel in je timeline. Verdwijnt het uit zicht, is de binding ook vrij snel weer weg.

Met dit gedrag, zegt men eigenlijk dat je in hun belevingswereld moet stappen. Die van hun vrienden (op Facebook), die van hun uitgaansgelegenheden, de globale politieke voorkeur, de levensfase waarin zij verkeren… maar zéker ook fysiek! Offline, dus. Publiek hunkert naar authenticiteit, naar belevenissen. Daar worden we mee om de oren geslagen, in verschillende vormen. Of je dit nu wel of niet een goede ontwikkeling vindt, feit is dat het publiek er inmiddels wel vertrouwd mee is geraakt. Zorg dus dat jij ook je fans volgt. Niet in de laatste plaats ook offline. Verklein de fysieke afstand tussen band en publiek.

Als band moet je niet meer rekenen op een “fancore”, dat is absoluut achterhaald. Zoals recentelijk werd bewezen, is de manier van geld verdienen met je muziek drastisch aan het veranderen. Buma/Stemra is op een vreselijke manier van zijn sokkel gevallen, illegaal downloaden is allang niet meer taboe en het auteursrechtelijk beschermen van je nummers, is een moeilijk en kostbaar proces, als je er echt zeker van wilt zijn dat je materiaal niet door anderen gaat worden gejat. Dit schept een nieuwe werkelijkheid, waar je beter gebruik van kunt maken dan er tegen vechten.

De boel vernielen in de cultuursector en je dan laten vertellen “dat dit nieuwe mogelijkheden biedt” is absolute onzin, laten we daar geen misverstanden over laten bestaan. Echter, als je structuren nodig hebt, waarvan het voortbestaan en continuïteit onzeker zijn, en je ziet beweging in de sector die hier op een integere manier op inspelen, waarom zou je daar dan geen gebruik van maken? De overeenkomst met bestaande structuren, is dat je volgers ook gebruik maken van de wetmatigheden van die nieuwe structuren; Dat zijn ook plaatsen waar zij zich ophouden. Ze heten daar weliswaar geen fans meer en ze hebben ook geen klassiek profiel meer, maar je treedt binnen in hun gevoelswereld; Middenin hun beleving, hun emoties, de plekken waar zij hun referentiekaders aan ontlenen. Plekken waar hun vrienden zitten, hun drinkebroeders, de mensen met wie zij praten over jouw muziek en leven.

Virtueel zie je deze plekken als paddestoelen uit de grond rijzen, maar in het echte leven ook. Sinds een paar jaar zie je veel lokale initiatieven ontstaan, die buiten de zalen treden. Buiten de geijkte instellingen en muren, buiten de grote evenementen. Kleinschalige en op ervaringen gerichte initiatieven. Zelfs de zalen zelf, ontvluchten hun eigen muren… regelrecht de foyer in. Waar het aanvankelijk ging om strakke concepten als Stukafest, MOL: Muziek Op Locatie, de Badkamersessies, is de trend nu dat initiatieven veel meer gebruik maken van een “volg-core” van het concept in plaats van “fancore” van een band. Publiek hecht zich makkelijker aan het concept dan aan de deelnemende bands. Begrijpelijk ook, want het concept is makkelijker in te passen binnen hun Facebookgerelateerde levensstijl. Het dringt zich als vanzelf op binnen hun vriendenkring. Iedereen lijkt er over te praten en men voelt zich verbonden met het desbetreffende concept.

Een dergelijk concept die dat héél goed in de gaten heeft, is Trippp! Zie ook www.trippp.nl. Een gezamenlijk initiatief van de twee up and coming bands The Surs! En Mindpark, beiden uit ’s-Hertogenbosch. Dans van United-C uit Eindhoven en en een DJ. Bij Trippp stap je een beleving binnen, die al begint bij de voordeur, en je voor de rest van de avond niet meer loslaat. “Het nieuwe uitgaan” stond in de uitnodiging, en daar was geen woord van gelogen. Een pilot-versie van Trippp heeft zeer veel succes gehad. Er was minimaal reclame gemaakt voor Trippp. Bijna alles ging via Facebook. De gebruikelijke Facebook-uitnodigingen voor evenementen circuleerden maar de meeste bezoekers aan Trippp kwamen uit de volg-cores van The Surs! en Mindpark. “Er waren ook een flink aantal onbekende gezichten bij”, aldus Noël Josemans, de frontman van The Surs! Een cult-benadering is voor Trippp ook de beste manier om faam te verwerven: je moét er gewoon bij geweest zijn. De W2 concertzaal in ’s-Hertogenbosch, zelf ook niet vies meer van een experimentje, hebben de organisators van Trippp gevraagd om voor Fabriq (festival of intrusive quality) de afsluiter van de zaterdag te zijn. Een briljante ingeving, want de festivals kunnen echt wel wat nieuwe input gebruiken. Voor Trippp zelf is het misschien niet een heel beste keuze. Zij moeten zich niet tot een act laten reduceren maar sterk inzetten op culting; ze zijn geen act, geen podium, maar een beleving op zich.

Wil je als band een vernieuwde kennismaking hebben met wat voorheen “fan” heette: Ga een relatie met hen aan op hun voorwaarden, faciliteer hun behoefte aan het “ervaren”, het “beleven” en laat hen niet een consument meer zijn. Consument is zoooo 2000!

[fblike]

Crowdfunding: Waar moet je als kunstenaar op letten?

8 Kritische noten en practische tips.

Als kunstenaar is het momenteel niet makkelijk leven in Nederland. Het wemelt van de dubieuze cowboys met vage constructies die veel beloven maar er overduidelijk niet zijn voor de kunstenaar of de kunsten. Daartussenin zijn er gelukkig ook crowdfundingprojecten die er wel zijn voor de kunsten. Wel is het verschil in kwaliteit groot te noemen en  moeten de kunstenaars zich extra goed oriënteren op de verschillende CF constructie en hun beloften. Vaak gooit men met kreten als “voor iedereen”,  “beslis mee”. Stel jezelf gerust de vraag of dit allemaal wel klopt.

De democratiseringsgraad van de kunsten overdrijft men nogal eens: in de eerste plaats valt er weinig te democratiseren (de deur staat voor jou net zo wijd open als voor ieder ander) en in de tweede plaats hoéf je het niet mooi te vinden en draait de wereld gewoon verder. Voorts kun je je afvragen wat de democratiseringsbelofte van het crowdfunding-project wel zo zuiver is: niet iedereen gebruikt die site, niet iedereen heeft zin om te gaan stemmen en komen toch naar je project kijken. Schiet je er echt iets mee op? Een vraag die je jezelf op meerdere manieren kunt stellen.

Dat heeft natuurlijk een reden. Crowdfunding werkt alleen maar als er een mate van urgentie word gesuggereerd, er een tijdslimiet aan is verbonden (binnen zoveel dagen moet je zoveel stemmen zien te krijgen) en een ander hoger doel aan de belofte verbindt dan bv. de kunsten. Milieu is een populaire maar kan net zo goed de derde wereld zijn.

Ook CF-projecten die een duidelijke en betrouwbare afzender hebben, zijn niet altijd een geschikte partner voor jou, als professional. Sommig voormalige productiehuizen, die het kleine beetje overgebleven te verdelen subsidies nu in een soort kermisattractie-achtige tombola moeten gooien:  Denk na over deelname voordat je je er op stort. Veel argumenten zijn vóór, maar zeker ook enkelen tégen.

Een inleiding die wat cynisch oogt, maar je moet je als kunstenaar wel afvragen welk crowdfunding-project voor jou geschikt is en welke niet.  Je verkoopt geen vis per kilo op de markt. Blijf kritisch!

Hieronder enkele tips en vragen.

1. Wie is de afzender?

Wat is de status van de afzender? Heeft de organiserende partij een voorgeschiedenis die ergens over gaat, binnen jouw discipline? Verkopen ze stroom of promoten ze innovaties? Kent hun belofte meer lagen waar je iets aan zou kunnen hebben?

Roy Cremers van www.voordekunst.nl zegt:

“ Het gaat daarmee niet alleen om geld: “Het is wat mij betreft ook voor een heel groot deel het creëren van draagvlak, laten zien wie achter jouw project staan, wie voor de kunst zijn”.

Als je publiek gaat googlen op je concept, komen ze dan de door jou gewenste inhoud tegen? Of eerst 200 keer de naam van een stroombedrijf?

Werk je met meerdere financiers, sponsors en subsidianten? Hoe kijken die aan tegen het gebruik van het crowdfunding-project? Andere bijdragen kunnen afzonderlijk misschien minder groot zijn, maar ook zij verbinden hun naam aan je project. Maak goeie afspraken met de evt. geldschieters hierover. Misschien willen ze je juist wel helpen via hun eigen netwerk om stemmen te vergaren voor het crowdfunding-project.

2. Zet de beloning echt zoden aan de dijk?

Als de beloning E. 5000 euro is, is dat een leuk bedrag natuurlijk. Maar schiet je er percentueel mee op? Als het maar 15% van het totaalbudget van je productie bedraagt, kun je je afvragen of het wel de moeite waard is om mee te doen.  Alle beetjes helpen is dan niet een argument waar je je aan moet stoten. Aan een crowdfunding-project meedoen, kan ook je imago schade aandoen.

3. Wie zijn je medespelers?

Als je al 15 jaar op professioneel niveau bezig bent met je vak, wil je best komen voorspelen, auditie doen, concepten bijschaven naar wens van de opdrachtgever… Allemaal  manieren om gebaseerd op inhoudelijke criteria, aan de praktijk tegemoet te komen. Ook wil je best de discussie aangaan met vakgenoten. Als je je sporen al hebt verdiend wil je ook graag in het gezelschap verkeren van mensen die op hetzelfde niveau werken als jij.  Met deelname positioneer je jezelf en je project ook. Als je professioneel muzikant bent met een serieus project en je mededingers zijn amateurs, kun je je afvragen of het een goed idee is om ook mee te doen.

4. Risico’s: Een concept met eigen titel en kenmerken is minder risico naamverlies.

Ben je niet zeker van de status en waarde van een crowdfunding-project? Er kleven minder nadelen en meer voordelen aan het insturen van projecten met een eigen naam/titel, dan je eigen naam rechtstreeks verbinden aan het crowdfunding-project. Mocht je project het toch niet worden of te weinig stemmen werven, is jouw naam daar niet direct mee verbonden. Een eventuele reputatieschade aan een project, herstelt zich veel sneller dan die aan een persoon.

5. Breng gang en voortgang aan in je crowdfunding-inzending.

Maak je concept niet afhankelijk van alleen deelname aan het crowdfunding-project. Of het nu wel of niet als “winnaar”  uit de bus komt, het project bestaat en het komt er. Daarvoor heb je wel de hulp nodig van de stemmers, maar er zit gang in, er zit voortgang in. Dit komt professioneler over en je stemmers hebben niet het gevoel hun stem in een bodemloze put te gooien.

6. Zorg dat je concept ook “geeft” en niet alleen “vraagt”.

Deelnemers weten dat je hun steun tracht te winnen voor geld voor je concept. Je zit aan de vragende kant van het verhaal. Zorg dat je hen ook iets “geeft”.  Dit hoeft niet per sé iets tastbaars te zijn, maar zorg dat op je website (als je een link naar je site mag plaatsen) bijvoorbeeld vrijkaarten weggeeft, een verdieping kunt geven aan hun stem (vrienden, e-mailinglijst) of hun stem kan verdiepen door een bepaalde status te verlenen aan hun deelname. Zo zou je op je site een simpel formulier kunnen maken voor reacties, mocht dit niet op de site van het crowdfunding-project aanwezig zijn.

7. Gebruik promotionele mails via Crowdfunding-projecten.

De meestre crowdfunding-projecten hebben de mogelijkheid jezelf (of in de meeste gevallen: de naam van de organiserende partij), automatisch via de sociale media en bv. gmail en linkedin te promoten. Start als het kan met de mensen uit je eigen netwerk en vraag hen eerst door te sturen. Dit kán je een voorsprong geven tov anderen omdat het met snel, veel stemmen, al snel bovenaan komt te staan. Dit trekt ook anderen buiten je netwerk aan om te stemmen. Bovendien zullen mensen uit je eigen netwerk eerder geneigd zijn om opmerkingen achter te laten op je profiel. Hou in de gaten dat op bijvoorbeeld linkedin vaak heel andere omgangsvormen gelden dan op Facebook en Twitter. Je praat waarschijnlijk met collega’s en aanhangers via linkedin en dat vergt een andere toonzetting dan je publiek op Facebook en Twitter. Op linkedin zal men het waarderen wanneer je hen “persoonlijk” aanspreekt, door hun verbintenis met jou en je werk te bevestigen in het berichtje aan hen.

8. “Praat”  met je stemmers via Facebook, maar hou het geloofwaardig.

De kans is groot dat men bij het stemmen op je project ook kan “leuk vinden”, via een like-knop op die site. Als het goed is, zie je dat zelf terug op Facebook. Anders kan je op je eigen site alsnog een like-knop zichtbaar maken. Ga vervolgens op je Facebookpagina met mensen “praten”  door hen bijvoorbeeld te danken voor de stem en in je status-updates bekend maken dat er een nieuwsbrief zit aan te komen.  Iemand die dat heel goed in de gaten heeft is de Bosschge kunstenaar Michiel van de Weerthof.

Bekijk hier zijn facebookpagina Hij deed mee aan het CF-project www.voordekunst.nl

Probeer de verleiding te weerstaan al te vaak op te roepen tot stemmen, via FB. Mensen hebben vrij snel door dat je ze probeert te sturen. Kies je voor praten met je doelgroep op Facebook? Zorg dan dat je niet automatisch berichten doorplaatst vanuit Twitter. Dit is een absolute “engagement-killer”  voor je Facebookconversaties. Bovendien heb je niet te maken met dezelfde soort lezers. Facebookers hebben vaak andere motieven om je pagina te bezoeken en je status-updates te lezen, dan Twitteraars.

[fblike]

Het belang van de draaiboekbespreking

Het belang van de draaiboekbespreking

10 Tips en valkuilen.

Voorafgaande aan het feest, het evenement, het festival of concert, is het bijna altijd aan te bevelen om met alle functioneel relevante partijen, een draaiboekbespreking te houden.

Maar niet alle draaiboeken zijn hetzelfde, niet alle situaties zijn hetzelfde.

Hieronder 10 tips en valkuilen uit de praktijk.

  • Bedenk welk soort draaiboek je gaat bespreken en met wie. Het moeder-draaiboek bespreken met de horeca hoeft niet nodig te zijn. Zo hoef je het technisch draaiboek of cue-lijst voor een voorstelling ook niet door te nemen met het personeel in de foyer.
  • Hou de taken en de structuur van je draaiboek overzichtelijk. Niet iedereen is bekend met elkaars vaktermen. Gebruik liever geen afkortingen of voeg een legenda toe.
  • Begin nooit meteen met de draaiboekbespreking. Probeer vantevoren een informele sfeer te creeëren, met een drankje.  Laat de partijen onderling met elkaar kennismaken.
  • Verbinden, commiteren en belonen, nooit in 1 “laag”. Er zijn verschillende instrumenten om alle partijen te verbinden met elkaar, met jou, met het evenement, met de werkzaamheden. Die zijn echter nooit in één “laag” te doseren.  Belonen van de betrokkenheid kan door uitdelen van een relatiegeschenkje, maar  ook in medezeggenschap, in het bevestigen van iemands plaats in de hiërarchie. Verbinden kan door gezamenlijk kijken naar een (introductie)filmpje of teaser van het evenement, een filmpje van de opdrachtgever. Het introduceren van pauzes binnen een bijeenkomst kan uiterst goed werken.
  • Een draaiboekbespreking heeft meerdere lagen dan die van het draaiboek alleen.  Vaak heb je te maken met verschillende partijen: de horeca, geluidstechniek, lichttechniek, beveiliging, vormgeving. Hoogstwaarschijnlijk komen zij uit verschillende organisaties. Dit betekent dat zij o.a. andere loyaliteiten hebben, een eigen formele- en informele hiërarchie en eigen omgangsvormen.  Gebruik de draaiboekbespreking ook om: Alle neuzen dezelfde kant uit te krijgen, de algemene sfeer binnen de groep te meten en te sturen, inzicht te krijgen in de lijntjes die onderling al lopen, een sfeer van wederzijdse toegeeflijkheid te creeëren.
  • Bedenk dat formele macht niet hetzelfde is als invloed. Je kunt betrokkenen honderd keer wijzen op hun contractuele verplichtingen, maar dat betekent niet automatisch dat ze je als leider accepteren. Ieder bedrijf heeft onderling al lijntjes  lopen van hiërarchie, invloed en functioneel leiderschap; daar hoeven ze jou niet per sé bij te hebben. Zorg daarom dat je een sfeer creeërt waarbinnen ze jou als leider van het geheel accepteren en accepteer tevens dat hier tijd voor nodig is. Voorts moet je stijl van leiding geven aansluiten bij de aard van zowel werkzaamheden als de dynamica binnen de groep.  Begin met de algemene kenmerken van de groep: de formeel gestelde taak, allemaal professionals, allemaal service-gericht
  • Geef mensen uit verschillende partijen, een functionele groepsrol en geef die meteen een naam. Bijvoorbeeld de categorie bediening binnen de afdeling horeca, verdeel je in groepen: zaal voor, zaal midden, zaal achter. Of de afdelingen geluidstechniek en lichttechniek en requisiteur, geef je de naam “ vormgeving en design.”
  • Degradeer niemand, maar promoveer op functionaliteit. Een chef-kok wil niet tot keukenhulp gedegradeerd worden. Wel kun je zijn rol veranderen, door hem in een team “smaak en spijs”  te gooien, bestaande uit de chef-kok, sommelier en hoofd-kelner.
  • The need to know: Niet iedereen hoeft alles te weten. Als er tijdens de uitvoering iets niet gaat zoals gepland, stel alleen de noodzakeijke partijen op de hoogte.  Als er een lamp is gesprongen, hoeft afdeling horeca daar niet mee lastig gevallen te worden. Dit schept alleen maar stress en verwarring.
  • Hou jezelf op punten “vrij” : Creeër voor jezelf perioden binnen het draaiboek waarop jij “vrij staat”. Je bent even niet actief bezig met een draaiboekonderdeel. Dit geeft je ruimte om problemen die zich tussendoor voordoen, op een rustige manier op te lossen.
[fblike]

Groendoen 2.0

Groendoen 2.0

“Groendoen”… De festivals zijn er fantastisch goed mee bezig, maar wat heb je er verder aan? Je kunt prachtig bewerkte pijpen in het riool onder je huis laten aanleggen, maar als niemand het weet en ziet… wat moet je er dan mee? Groendoen is goed maar de bezoeker zal het niet zo snel zien als een belangrijke reden om naar juist dat ene groene festival te gaan. Nog even een noviteit, een strijden van goedbedoelende visionaire pioniers. Goed voor toch zeker 4 seizoenen zeer speciaal zijn, als festival.

Een evenement met alleen maar groene kenmerken, dat is een ander verhaal. Daar kan men zich nu nog mee onderscheiden: alles is groen en verantwoord. De drankjes zijn verantwoord, geserveerd in verantwoord groen en recycleerbaar materiaal, men zit op gerecyclede kartonnen stoelen en kijkt naar groene drankjes drinkende bands die eten van een op zijn slow-foods-gefabriceerde koe. Echter, hoe lang duurt dat nog, dat je je kunt onderscheiden als zijnde een groen  evenement? We leven in een vluchtige tijd. Emoties zijn maar heel even exclusief van onszelf. Dus waarschijnlijk  niet heel lang meer. Bovendien wil de bezoeker liever niet belerend worden toegesproken.  Bijzonder groen, moet zo snel mogelijk normaal worden. Je moet een heel sterk merk zijn, wil je deze emotie meteen kunnen claimen en  vasthouden. Daarbij laat de bezoeker zich niet graag de les lezen; dat weten zij immers ook wel, dat groendoen goed is. Of men het actief doet is niet belangrijk, de intentie groen te doen is er al lang. En intentie volgt op emotie. Gepasseerd station dan? Geef de intentie creatieve vleugels! Het “consumeren” en zeker het actief meedoen aan het creatieve groendoen, geeft de illusie van “goed bezig zijn” en tegelijkertijd heeft men plezier op uw festival. U beloont tevens de bezoeker voor de band met het festival, door hen actief te laten zijn binnen het groendoen: het (al dan niet nieuw gevonden) DNA van het festival. Voor het publiek is het een gesublimeerde vorm van groendoen, en dat geeft weer een goed gevoel: het gevoel van uw festivalconcept.

De evenementensector stimuleert zelf het groengehalte en het zal niet heel lang meer duren eer de bezoeker, de consument, groendoen ziet als iets heel vanzelfsprekends. Wie zal het immers in zijn hoofd halen te zeggen dat groendoen niet goed is? Voor milieu, voor dier en mens, voor de wereld. Men kan vooruitlopen met biologisch geteelt vlees, maar als dit eenmaal de norm is geworden en men heeft er van overheidswege regulering bij bedacht, heb je niet meer iets bijzonders in handen.

Groendoen is een gevoel

Voor evenementen en festivals is in directe vorm de boodschap “groen is goed”  afgeven, een gepasseerd station.  Dat klinkt misschien cynisch, maar we zijn nu eenmaal mensen. Bovendien moet groen maar net passen bij je evenement. De TT in Assen zou bv. alles op groene energie moeten laten lopen, om als groendoener geloofwaardig te kunnen zijn. Dat doe je niet zo maar even.

Wel kan men scoren met de vorm van groendoen en vooral het gevoel van groendoen.

Groendoen is heel erg in. Leuk voor het groen, maar minder leuk als je je groen wil profileren als festival zijnde. De Slow-food beweging heeft heel lang gedaan alsof hun manier van kijken naar de wereld, manier van produceren en genieten, “ de normaalste zaak van de wereld was.”  Een beweging die ik overigens een warm hart toedraag. Dus: geen keurmerken, geen speciale slow-food restaurants, liever geen slow-food cursussen voor consuminderaars.  Slow food heeft een gigantische bijdrage geleverd aan  het verantwoord produceren van lokale producten, maar heeft die “ moral highground”  verloren aan de trend van… juist, lokaal maken van grote brands. Tegelijkertijd zagen we in Europa een  groeiende belangstelling voor slow food-achtige producten en een reguleringsdrang vanuit Europa.

Je hebt meer macht wanneer je laten we zeggen een keurmerk introduceert met lagen erin, dan een keurmerk met alleen maar grote en mooie woorden, met een mooi stempeltje erbij.

De uitdaging voor de festivals en evenementen is naar mijn mening, om het grote goed, het grote idee en de schitterende grote idealen, samen te pakken in activiteiten die een natuurlijke binding hebben met het DNA van het festivalconcept.

Dit zou een prachtige overlevingskans kunnen zijn voor festival Mundial in Tilburg, die naar mijn mening een beetje de weg zijn kwijtgeraakt. In deze tijd scoort multicultureel (tijdelijk) helaas niet meer zo goed, maar voeg daar de factoren groen, vrijheid en verantwoord aan toe en men kan weer jaren vooruit!

Een concreet voorbeeld: Op het festivalplein is een soort bloemenperk van papieren bloemen aangelegd. Bij elke kilowatt energie die wordt bespaard door actief meedoen door het publiek, groeien de bomen. Net zo lang tot het plein totaal groen ziet van papieren bomen met papieren bloesem. Het actief meedoen van publiek kan bestaan uit rommel per kilo van de grond af rapen, op hometrainers met dynamo energie genereren voor het festivalterrein, de fietsers gesponsord door het tuincentrum. Via een app virtueel bloemen planten in de stad en ga zo maar door.

Een tip: Eigen je een ideologie toe, doe alsof je al bijna klaar bent met de 2.0-versie daar van en een autoriteit op het aankomende 3.0. Zorg dat die boodschap en visie ook verweven is binnen de textuur van je evenement en zorg dat die creatieve handen en voeten krijgt.  De lokaliteit heb je al binnen: de locatie van je evenement. Roep de boodschap niet om, maar straal hem uit.

[fblike]

Vliegblaadje #2

Vliegblaadjes

Eindelijk zijn de nu al geroemde Vliegblaadjes van La Clappeye Acts ook online te lezen. In elk Vliegblaadje: 10 korte toptips uit onze praktijk. De primeur gaat natuurlijk nogsteeds naar de mensen die zich hebben opgegeven via de mail, maar na een tijdje verschijnen ze ook hier.

Elk Vliegblaadje bevat 10 gouden inspirerende tips uit onze praktijk. Alleen voor inspirators, programmeurs, organisators, trendwatchers, imagineers en mooie mensen.

Hieronder Vliegblaadje #2

10 bruikbare tips uit onze praktijk, voor een geslaagd evenement of feest. De 10e tip: La Clappeye Acts!

  1. Werk je met vrijwilligers? Vrijwilligers kosten geld en zijn geenszins een sluitstuk op de begroting. Bij bijeenkomsten: eten, drinken, een aardigheidje, betrokkenheid tonen.
  2. Groot evenement? Maak er een origineel kinderprogramma bij, parallel aan het thema / passend in het concept. Een luchtkussen en schminkhoekje kan echt niet meer. Bedenk: zonder kinderen, geen ouders.
  3. Train jezelf schaalvergrotend en schaalverkleinend te denken. Als je op een buitenlocatie werkt, kun je je bijvoorbeeld afvragen of je een stoel voor of achter op het speelvlak zet, maar je kunt je ook afvragen of je de stapel containers die er staat, niet als blokkendoos kunt gebruiken om een speelvlak of carré te maken.. Kan die hijskraan niet dienen als toneel-trek? Hele nieuwe werelden openen zich!
  4. Heb je veel ideeën? Koop een dummie, schrijf ze op, maak er knullige tekeningetjes bij. Zo bestaat het in elk geval en het is even uit je hoofd.
  5. Kijk uit voor een creatie-spiraal: Blijven komen met nieuwe ideeën en tegelijkertijd komt er niets uit je handen. Keuzes gaan maken dus.
  6. Praat met anderen over je ideeën en plannen. In je hoofd ziet het er altijd heel anders uit dan in het echt, en anderen kunnen net de goeie vragen stellen.
  7. Kleed je evenement in gedachten uit. Ontdoe je feest of evenement even van alle vorm, alle opsmuk, alle bijkomstigheden en vraag je af: klopt het allemaal nog met het basisidee? Of is er zoveel vorm bij gekomen dat van het basisplan eigenlijk weinig meer zichtbaar is? Hoe ga je dat vervolgens weer aanvullen? Het antwoord is niet per sé: vorm weghalen.
  8. Heb je iets gedelegeerd? Neem het dan niet weer terug. Dat demotiveert ontzettend. Laat in plaats daar van merken dat je ziet wat ze aan het doen zijn, dat het goed is en dat je het waardeert.
  9. TOPTIP: Een klassieke beginnersfout bij het leiden van evenementen, is dat je jezelf in de eerste paar uur van de dag helemaal uitput! Je wil niet dat mensen denken dat je je handen niet uit de mouwen steekt, dus pak je mee aan. Je sjouwt instrumenten, je gooit met decorstukken… Allemaal terecht en nobel. Alleen: na een paar uur ben je voor de rest van de dag niet meer voor de volle 100% aanspreekbaar. Hou jezelf vrij voor al teveel lichamelijk inspannende taken. Je hebt je energie nog hard zat nodig.
  10. Zorg alleen wel dat op het prikbord ook ons visitekaartje hangt!

Geïnspireerd geraakt? Bekijk ook bv. Vliegblaadje #1

Blogposts die lijken op deze blog:

Wil je onze Vliegblaadjes altijd als eerste lezen en vers van de pers? KLIK HIER.

[fblike]

Festival-Tweaking deel 2: de belevenis vs dagelijkse routine

Festival-Tweaking deel 2: de belevenis vs dagelijkse routine

In dit deel van Festival-tweaking kijken we naar een voorbeeld van programmering tov de dagelijkse routine van de bezoekers.

Iedere beginner kan op z’n vingers natellen dat je niet een boterhammetje kaas serveert om 15.30 en daarvoor en daarna niets. Of dat de enige kindervoorstelling duurt van 17.30 tot 20 uur: te lang en tijdens etenstijd.

Maar de ervaring en belevenis die we de bezoekers willen meegeven, gaat dieper dan dat.

Neem een festival van meerdere dagen. Er is een programmering die enthousiast is in elkaar gezet, maar waarin te weinig rekening is gehouden met de bezoeker. De beleving die we de bezoeker willen meegeven, is een unieke beleving. Eentje die alléén op dat moment beleefd kan worden, met de ingrediënten die daar op dat moment aanwezig zijn. Geenszins routine, natuurlijk. En bovendien willen we dat de belevenis die we voor hen creeëren, zichzelf steeds blijft vernieuwen, voor zo lang de levenscyclus van ons product (het festival, de voorstelling) volgens ons moet duren. Het moet bijzonder zijn en onalledaags. Bovendien moet je in elke fase van de activiteit kunnen “instappen” om de belevenis te ervaren.

Geloofwaardige beloftes

Toch kunnen we kijken naar de dagelijkse routine van de bezoeker, als geleider van zijn beleving; als de smeerolie waarmee we hem flexibel kunnen laten meedraaien in de beleving die we voor de bezoeker proberen te bewerkstelligen.

Bij een meerdaags festival, kun je de bezoeker het gevoel geven, dat onderdelen van de programmering speciaal voor hem op maat zijn gemaakt. Dit doe je door bijvoorbeeld voorstellingen van hetzelfde type of van dezelfde soort sfeer, horizontaal te programmeren.  Dat wil zeggen: hetzelfde start dagelijks op dezelfde tijd, geeft eenzelfde beleving en stopt op dezelfde tijd. Daaromheen introduceer je steeds nieuwe en andere elementen om de beleving mee te versterken en vooral te vernieuwen. Die onderdelen kunnen letterlijk zijn: hetzelfde beleg op je broodje, maar ze kunnen ook op een subliminale manier worden gedoseerd, of in de vorm van sfeer en thematiek. In het geval van kindervoorstellingen bijvoorbeeld, hoeft het niet elke dag Roodkapje te zijn, maar wel elke dag bv. een zoete, sprookjesachtige sfeer op hetzelfde deel van het festivalterrein, met steeds iets lekkers erbij. Een sprookjesbos, feeërieke lichtjes, de geur van hout, een beetje donker en griezelig etc. Daar kun je verder omheen bouwen. Bijvoorbeeld Roodkapje laten rondlopen op het terrein, in de folder een heks afbeelden en rokende ketels met drop op het terrein neerzetten. Voor papa en mama hebben we een speciale (alcoholische) sprookjes-cocktail in de aanbieding. De beleving die je hiermee creëert, is de geleider van de inhoud: de eigenlijke voorstelling. Eenmaal gekozen voor die beleving, kunnen wij als makers en bedenkers daarvan, de beleving verlengen en sturen. Zo weet de bezoeker dat hij dagelijks op ongeveer hetzelfde moment een nieuwe belevenis krijgt, binnen een hem vertrouwde sfeer. Bedenk wel: een beleving beloont altijd, maar straft nooit!

Belevingen eindigen nooit!

Het punt ná de kindervoorstelling met sprookjesthema, is een kinder-maaltijd. De sfeer is lichter, maar je bouwt voort op het sprookjes-thema met bijvoorbeeld feeënkoekjes, heksendrop en Sneeuwwitjesdrop. Ook bij sprookjes kan snel verzadiging optreden, dus het is zaak om de beleving steeds te vernieuwen, voordat verveling toeslaat. Door het concept steeds zichzelf te laten vernieuwen, verleng je de levenscyclus van de beleving. Als je het heel letterlijk neemt, zou je Klein Duimpje binnen 3 dagen kunnen laten uitgroeien tot een hele grote maar vriendelijke reus. Dat is een niet alleen een lineair verloop, maar kan causaal gemaakt worden doordat Klein Duimpje vanaf dag 1 heel gezond bezig is met eten, zijn bord altijd leeg eet, heel goed luistert en leert lopen en lezen. Bij dag 3 is hij een grote en vriendelijke reus geworden, die papa en mama op zijn schouders neemt en hen een mooi verhaal vertelt. Je hebt nu zowel de kinderen als de ouders meegekregen in een verloop waar zij privé ook middenin staan, zij zelf ook kennen en herkennen, alleen maar positief kan uitwerken (groeien is leuk), én je houdt de nieuwsgierigheid brandende. De volgende dag weet je pas hoe het verder ging met de groeiende Klein Duimpje. Een cliffhanger? Nee, dat niet. Je sluit af met een gezamenlijk gezongen lied. Want voordat je de activiteit/voorstelling afsluit, moet je ook een mooie afronding hebben van de beleving die je hebt gemaakt voor het publiek, waarbij de belevenis van dat moment is afgesloten en tegelijkertijd een nieuwe beleving werd geïntroduceert! Het lied is het eerste lied uit een hele reeks van meezingliedjes. Maar nu lopen de acteurs langs de klaargezette eettafels en delen pakketjes uit met lekkere en gezonde dingen. De kinderen ervaren dit als bevrijdend, omdat ze vanuit de theaterstoel regelrecht naar de tafels vol lekkere dingen gaan, waar zitten niet verplicht is. Ook de ouders zijn even vrij, want de kinderen spelen met de andere kinderen en met de animatie.

Bovenstaand verloop is vrij letterlijk omschreven, maar  er zijn zo veel manieren om om de belevenis te introduceren, te laten “lopen”, te laten “zijn” en zich onmerkbaar weer te vernieuwen.

Als je bovenstaande belevenis nu eens langs de dagelijkse routine van het gezinnetje legt (ga even uit van jonge ouders met kleine kinderen), dan zie je weerspiegelt in het geheel:

–         Papa komt thuis (even uitgaan van een rollenpatroon) en speelt even met de kinderen

–         De kinderen spelen even met papa, die net is thuisgekomen

–         Papa en mama hebben voorkennis: we gaan de kinderen iets leuks geven

–         Papa en mama beloven de kinderen lekker eten en een verrassing

–         Het gezin gaat eten met een lekker toetje

–         De verrassing

–         Nog even spelen en lekker laat naar bed.

Kortom, met de bouwstenen die voor de kinderen thuis een spannende en ongewone avond maken, spelen we met de spanning bij de kinderen (het anticiperen, we krijgen iets lekkers, gaan “iets” leuks doen), die van de ouders (afsluiten van de dagelijkse routine; we gaan de kinderen iets leuks geven, iets lekkers en “iets” leuks met hen doen) en met de routine van de gezinssituatie. De beleving van de sprookjessfeer- en voorstelling zoals hierboven beschreven, is een weerspiegeling van de verwensituatie die ik hier schets.

Lees Festival-tweaking deel 1, hier

Gerelateerde post: Jezelf als meetinstrument: Experience design tov ritme in tijd en ruimte.

[fblike]