Tag Archives: tacit

Leren kijken naar een ding deel 1

Dingen die dingen anders doen

Het alledaagse ding, daar kijken we niet zo vaak op een andere manier naar dan we normaal doen. Het alledaagse ding is er immers elke dag en elke dag staat het in de weg, in de kast, in de vitrine, in de gereedschapskist. Het is er, en dat is genoeg… zou je denken. Toch gaat er in de wereld van het alledaagse object, een wereld schuil die voor het grote publiek veelal verborgen blijft. Het is ook niet altijd even concreet. Maar dat zijn wij als mensen zelf ook niet.

In de komende 3 blogs, tracht ik enkele kernbegrippen toe te lichten, waarmee we ons alledaagse leven en dan met name dat van objecten, op een andere manier kunnen gaan bekijken.

Dingen doen al heel lang met ons mee

Een object- inclusief landschappen of zelfs het menselijk lichaam, zijn actieve participanten in het sociale leven en verandering. Die nadruk op het fysieke van een object, is een vorm van onderzoeken, niet zozeer een ander onderwerp, waarin de fysieke kwaliteiten van een voorwerp, een geheel vormen met alles waarmee wij het object kunnen waarnemen, plaatsen, bepreken en beoordelen, op alle niveau’s. Dus ook de emotionele respons is waardevol, de geur, de textuur, geur, smaak, temperatuur, de textuur van het object, de eigenlijke materiele verschijningsvorm, het moment en sensatie van het manifesteren van het object binnen onze beleving, onze interactie met het object. Welke betekenissen schrijven we het toe, roept het over zichzelf af en onze relatie tot het object? We vragen het onszelf pas af, wanneer we het in het museum plaatsen, als onderdeel van een brede achtergrond aan factoren, zoals de setting van het object, achtergrondkennis, cultureel en historisch geconstrueerde interpretatie en integratie van zintuigelijke percepties. Subjectiviteit van reactie en materialiteit, zijn met elkaar verbonden en beiden bepalen de ervaring en interpretatie van objecten.

kamer

Repetitie als geheugen

Een machine is iets anders dan een gereedschap. Een gereedschap is er op gemaakt om repetitieve handelingen “te onthouden”  door de generaties heen. Het gebruik er van op zich, staat los van context, sociale lagering of cohesie binnen een gemeenschap. Het gebruik kenmerkt zich door een moreel imperatief (Sennett) te vertegenwoordigen tot werken voor het nut van de gemeenschap.

Sinds de industriele revolutie, leek de machine het werk van de ambachtsman te bedreigen. Het leek een fysieke bedreiging. De industriele machines werden niet moe van repetitieve handelingen, ze deden hetzelfde werk- uur na uur -zonder klagen.

Trendwatchers en futuristen zien- met de nadere introductie van robots en robotica binnen de arbeidsmarkt -een opleving van het artisane, het ambacht. Dit fijne werk kan vooralsnog niet door robots worden overgenomen. Niet vanwege de fijne motoriek, maar vooral vanwege het gebrek aan diepgewortelde, niet overdraagbare kennis, van design, gebruik, ruimte en context. De verwachte opleving aan ambachtelijk werk, is feitelijk al langer aan de gang, al kennen we het onder een andere naam. De economische crisis heet veel ZZP’ers gekweekt, het heeft een opleving aan gemeenschappelijke initiatieven veroorzaakt en een andere relatie tussen producenten en consumenten. Dit is goed waar te nemen binnen het verschijnsel “zelfgemaakte markt”. Een opleving van ambachtelijke beroepen, die we tot voor kort hebben aangezien als uitvloeisel van economische crisis, maar tevens een voorbode is, voor trends die we nu pas namen kunnen geven.

Objecten in musea

Objecten in musea zouden ons het meeste kunnen vertellen door middel van ons eigen lichaam. Aanraken, laten raken en laten aanraken. Maar objecten in musea staan er niet voor niets. Als ze interessant zouden zijn in het alledaagse leven, zouden ze daar in bijvoorbeeld Ikea wel een mooi plaatsje inruimen. Een Klippan bank, naast een Griekse amphora…. niet echt een voor de hand liggende keuze.

Toch, in het denken over artefacten, over spullen, dingen, is in onze westerse cultuur een duidelijke scheiding aanwezig tussen wat het ding als materieel object is doet en was, en waar het in theorie verder allemaal nog meer voor zou kunnen dienen. Objecten vertellen een verhaal, maar ze zijn er zelf geen onderdeel van… hooguit een toevallige passant en vervolgens een herkenbaar middel om het verhaal verder mee herkenbaar te maken.

De eigenlijke fysieke “real-time” zintuigelijke ontmoetingen met materiele objecten en de emotionele en intellectuele reacties die zij faciliteren, zijn nu juist de reden dat het object uberhaupt bestaat en dat wij het verhaal middels zijn kwaliteiten kunnen vertellen en begrijpen. Alleen moeten we niet vergeten dat onze zintuigen zijn opgebouwd uit lichamelijke ervaringen, uit reacties op dat wat materialiteit ons heeft kunnen overbrengen, middels aanraking, gebruik (denk aan gereedschap), geur (denk aan bloemen, gif) et cetera.

Onze interactie met objecten, bestaat uit informatie, materialiteit en de menselijke zintuigelijke percepties daar van.

Betekenis komt voort uit handelingen vanuit onderbuikgevoel, die connecties in het leven leggen en de lichamelijke voorwaarden daartoe. Ze krijgen pas betekenis als ons lichaam dit toelaat. Cognitief leren heeft anders weinig zin. (vrij naar Mark Johnson, 2008). Het grootste deel van onze cognitie en betekenisgeving, vind plaats buiten onze bewuste beleving.

Om te begrijpen wat de relatie van een object is, door de tijd heen, binnen verschilllende werkelijkheden en in verschillende contexten, ben je nooit helemaal volledig of correct. Wel zijn er manieren om kritisch, analytisch en met gevoel te kijken naar zowel object als gebruiker er van. Een methode die steeds meer navolging krijgt, is die van de biografie van het object. Je stelt het object vragen die je in andere vormen ook aan een mens zou kunnen stellen. In ethnografie en archeologie, een methode die veel gebruikt wordt. Later kom ik hier nog op terug in een blog over pathways en dwellings.


Sociale semiotiek

Ook vanuit de semiotiek- betekenisleer -is een flink onderzoeksveld beschikbaar met onderzoeksmethodieken die ons in staat stellen, de betekenis van een object en zijn materiele kwaliteiten, te ondervragen met een set aan resources, die tegelijkertijd onszelf vragen stelt.

In taal zit bijvoorbeeld heel veel informatie verscholen over een object en over onze relatie daartoe. Echter, kan het ook zijn dat ergens in de geschiedenis, wij A en B bij elkaar optelden- binnen een woord, gebruik, kleur, betekenis, die eigenlijk los van elkaar gezien moeten worden. Zo kan een klabats, niet de klanknabootsing van een zweep zijn, maar een verbastering van een heel ander woord.

Als we klank en beeld uit elkaar halen, of grenzen tussen waarnemingen weghalen of juist benadrukken, krijgen we vaak een heel ander beeld te zien. Of hetzelfde beeld, maar ineens lijken heel andere dingen op de voorgrond te treden of design-elementen die we belangrijk dachten, blijken een mindere rol te hebben gespeeld in de evolutie van het object en ons gebruik er van. In sociale semiotiek heet dat “segregatie” . Die twee (of meer) elementen uit elkaar halen, betekent dus ook een heel eigen en nieuwe manier van beschouwen van alle losse onderdelen, die nu in eens niet meer bij elkaar (lijken te) horen.

Om het object te begrijpen moeten we vooral herontdekken, dat we een object hebben leren kennen via ons eigen lichaam! Via aanraking, via gebruik. Het bevat ons geheugen, in hoe het werd geconstrueerd, waaróm het werd gemaakt en waarom van juist die hard- of zachtheid, en het bevat ons geheugen in het gebruik van het object zelf. Zelfs wanneer we een ons onbekend object zien, kunnen we door het gewoon op te pakken en te voelen, al een groot deel van het gebruik afleiden. Door het simpele feit dat het object in onze handpalm past, we het juist met een hele grove motoriek kunnen vastpakken, dat het een grote draai/zwaaicirkel heeft (een hamer bijvoorbeeld), dat het voor hard of zacht gebruik is, of het voor eenmalig of meermalig gebruik is. We hebben ons lichaam gebruikt in de productie, de noodzaak van het bestaan en creatie van het object, en in de practische toepassing er van. Een vorm van niet te articuleren kennis, die we ons herinneren via ons lichaam. Ook in de sociale semiotiek, is dit een vocabulaire- een resource waarmee je kunt proberen begrijpen en achterhalen. Een verzameling van semiotieke keuzes, die een specifieke context typificeren, heet een semiotisch register (Halliday; Van Leeuwen).

In een boek of in een advertentie kan men heel gemakkelijk suggereren dat bepaalde beeldelementen bij elkaar horen of juist niet, ook al is dat objectief gezien helemaal niet zo. Door slim te kaderen, bij plaatjes bijsnijden aan de randen van een pand of centreren van een groep bomen, suggereer je dat objecten, mensen of producten bij elkaar horen of juist niet. Ook door het “rijmen”  van bijvoorbeeld vorm van een parfumfles met “zachte” woorden of objecten met namen die heel zacht en lief klinken, link je de parfumfles aan diezelfde lieve en zachte betekenissen, die op alle niveau’s bij je op belletjes drukken. Ook in het fysieke leven, op school, in de bus, in het park en bij jou op het werk, worden deze trucs- zowel bewust als onbewust -toegepast, en ze beinvloeden ons begrip van de dagelijkse werkelijkheid, ons gevoel en ons gedrag. Zo kan een afdeling op een kantoor, precies laten zien waar de macht ligt, door ritme aan te brengen in de kantoorruimte. Door een kleine partitie aan te brengen, door strategisch geplaatste planten, door een bureau te plaatsen, net bij de overgang tussen tapijtkleur 1 en tapijtkleur 2. Verschil kan hem ook zitten in ander materiaal van de bureaustoel, directe en indirecte verlichting etc. Dit hoeft lang niet altijd te gaan over statusverschil willen aanbrengen, het kan ook gewoon een manier zijn om je te uiten, te onderscheiden of misschien toch promotietijger? De nuances zijn heel klein en geraffineerd. Maar hoe dan ook, leveren ze voer voor nieuwe modi van de wereld begrijpen en doorzien.

Tot zover deel 1. In deel 2 onder meer de rol van designers en de eigenschappen van de ruimte waarin wij ons huishouden voeren.

25 Tips voor museumgidsen en kunstdocenten

25 Tips voor museumgidsen en kunstdocenten

 

Onderstaande 25 tips komen uit de nieuwe- in ontwikkeling zijn de -methode “Staging the museum,” een scenario based beleving & trainingtool, bedoeld om museumprofessionals te verbinden aan vrijwilligers in en rondom kleine en middelgrote musea. In deze tijd is het belangrijker dan ooit om vrijwilligers te engageren bij de totale organisatie van een museum. Het ontbreekt musea vaak aan middelen om vrijwilligers bij te scholen. Door voortschrijdende wetenschappelijke inzichten, is het vak van expositie-organisatie steeds complexer geworden, waardoor de afstand tussen museum organisatie en vrijwilliger steeds groter is geworden. In tijden van co-creatie en zelforganisatie is dat eigenlijk een onacceptabel verschijnsel. De methode tracht het gat te dichten tussen vrijwilliger en organisatie.

De meeste museumgidsen zijn vrijwiligers, met lange of kortere ervaring als gids. Vaak zijn ze relatief hoog opgeleid en hebben een redelijk zelfverzekerde houding ten opzichte van “hun” verhaal. Dat “hun” daar moeten we aan sleutelen. Het is weliswaar voor een deel hun eigen vocabulaire, maar er zijn zo veel dingen waar je op moet letten tijdens de tour, dat een uitgebreide training wel is aan te bevelen. Daarnaast hebben veel gidsen blinde vlekken ontwikkeld, gedurende de jaren, die even kunnen worden aangestipt. Een heel belangrijke motivator voor toepassen van deze methode, is het feit dat vrijwilligers binnen een museumorganisatie over het algemeen op een niveau binnen de organisatie zitten, waar nieuw verworven kennis (door de organisatie), vaak aan voorbijgaat. Vanuit academische hoek maar ook vanuit het publiek. Terwijl juist zij degenen zijn die het vaakst interacteren met publiek en aanspreekpunt zijn. 

Er is heel wat veranderd in de afgelopen jaren. De wetenschap van hoe we als mens reageren op verschillende soorten prikkels, hoe gebaren werken, hoe esthetiek in elkaar zit. Kortom, de ingredienten van memorabele belevingen, komen niet alleen uit de mouw van de creatief concepter, maar zijn allen tot op de korrel nauwkeurig onderzocht. Waarmee niet gezegd is dat we alles weten, natuurlijk. De tips hieronder, komen voort uit recent wetenschappelijk onderzoek, en uit mijn eigen praktijk.

De methode die ik heb ontwikkeld- en waarvan hieronder een klein deel staat – is een mengeling van:

– Wetenschappelijke inzichten, academisch onderzoek van derden;
– Theatertechnieken;
– Televisionele technieken;

Een onterecht zwaar onderbelicht onderdeel bij gidsen en bij museumdocenten, is de performance van de eigenlijke rondleiding zelf. Meestal is een museumgids vrijwilliger en ontbreekt het het museum aan fondsen om goed onderricht te geven. Goed opgeleide gidsen hebben een grotere invloed op kennisoverdracht bij bezoekers. Rondleiden in de praktijk komt zo nauw, dat je het haast niet meer kunt overlaten aan enthousiasme alleen. Men verricht heel wat onderzoek op dit gebied. Onderzoek waar je gebruik van kunt maken. Helaas komt deze materie maar zelden bij de vrijwilliger terecht, op de werkvloer. De meeste vrijwillige gidsen zijn verschrikkelijk goed gemotiveerd, daar zal het niet aan liggen. De plaats die zij in een organisatie innemen, is ook debet aan het gebrek aan nieuw verworven inzichten. Zelfs al werk je betaald bij het museum, is het a) de vraag of je bij de goeie wetenschappelijke bron kunt komen, en, b) of je het voor elkaar krijgt, de meestal gortdroge informatie kunt onttrekken aan de onderzoeken. Buiten het feit dat het nogal vakidioterige materie is, is het ook nog zo dat je niet zomaar bevinding nr. 1 naast bevinding nr. 2 kunt leggen.

Naast alle nieuwe inzichten, is er natuurlijk ook nog gewoon de vertrouwde vorm van theater, waarmee ik graag werk. Een methode die iedereen leuk vindt, en bovendien een die mij in staat stelt om elke cursist voldoende persoonlijke begeleiding te geven. De onderbuik moeten we niet vergeten.

Ik geef een kleine voorproef uit de methode. Veel plezier! 


De 1e 5:

  1. Laat het publiek wijzen. Dat verhoogt de gezamenlijke betekenisgeving, en daarmee opbouw van kennis.
  2. Verspreide aandacht in de groep/rommelig? Engageer 1 persoon uit de groep met hoge status, en laat hem kijken en wijzen/gebaren. Dit nodigt de rest tot meekijken en zet een keten van actie en reactie in werking, waarmee je hen weer bij de les krijgt;
  3. Bij jeugd: Ook heel kleine bewegingen/veranderingen in lichaamshouding, duiden op deelname.
  4. Plaatsing lichaam/rotatie torso richting de schilderijen, is al een non-verbaal teken / richting geven aan concentratie, zowel als de aandacht afwenden van spelers/toeschouwers die niet direct deel uitmaken van de ontmoeting/encounter;
  5. Buitensluiting van spelers die niet bij het proces horen, vind ook plaats door aangepast geluidsniveau, fysieke orientatie tov de buitenstaanders;

De 2e 5:

  1.  Nabijheid stimuleren: Verhoogt de mogelijkheid tot prompting door gebaren;
  2. Nabijheid en afstand zijn 2 manieren om de wil tot interacteren te stimuleren: wel of niet participeren in de gegeven actie;
  3. Niet participeren, is OOK interactie. Buitenstaanders/niet-deelnemers aan een gesprek of interactie-ook een nonverbale -geven een signaal af waarmee ze laten merken geen deel uit te maken van de interactie; In de overdracht van groepskennis belangrijker dan je zou denken;
  4. Non-interactie/niet-deelnemers kun je ook bij het proces betrekken door hen deel te laten uitmaken van de nonverbale taal die de groep bindt: Door hen bijv ook te laten wijzen, waardoor zij dezelfde symbolische taal spreken, of hen een vraag te stellen, die hen bindt aan het centrale thema, en daarmee het groepsbegrip;
  5.  Deelname van bezoekers, kent 3 rollen: De performer; de toeschouwer(s) en de omstanders;

deelnemers conversatie met tekst

De 3e 5:

  1. De rol van performing word verkregen door de sociale interactie onderling, zich aanpassende , veranderende rollen, naarmate de interactie zich ontvouwt, door turntaking onderling;
  2. Bij elke sociale interactie, moet de performer peilen of zijn handelingen worden bijgevallen, zowel als zien of zij makkelijk en naar behoren worden geinterpreteerd door het publiek. Dat peilen gebeurt tijdens de acceptatiefase die volgt op elke interactie (performance); dat wil zeggen wanneer het publiek zijn deelname bevestigd of begrip heeft van wat er zojuist gebeurde. Die acceptatie kan zich uiten in “turntaking” in de vorm van spraak en door erkennings-tekens als hoofdknikken, nabijheid (naderen) en (glim)lachen. Turntaking is het wisselen van rollen. Een groepslid (publiek) is nu performer, etc.
  3. Duidingen in gebaren is een manier om gezamenlijke aandacht te genereren en gezamenlijke orientatie onder de deelnemers;
  4. Het gebruik van gebaren vormt visuele of verbale verbindtenissen (vectors) onder de participanten, in interactie zowel als met het beoogde punt van aandacht, op dezelfde manier als blikrichtingen of gebaren doen;
  5. Steeds veranderende rollen in het proces, onderbouwt het belang van een fysieke context;

De 4e 5:

  1. Wijzen/refereren is een manier om iets in de omgeving te duiden, terwijl men een intrinsieke verbindtenis sluit tussen de “performer” en het beoogde punt van aandacht, en er vervolgens de aandacht van de geadresseerde op vestigt;
  2. Wijzen zorgt voor een gezamenlijke orientatie / zelfde richting uit;
  3. Wijzen is al een vorm van gericht denken: het is letterlijk een index-keuze;
  4. Wijzen is een “prompt”, die gericht een respons uitlokt;
  5. Gebruik “motion verbs” als hier, dat, daar, om de symbolische lading / het nonverbale, concreet te pairen aan de fysieke wereld;

De 5e 5:

  1. Bij kinderen werkt de motion verb “kijk” heel sterk, wat gezien moet worden als een uitnodiging tot iemands ervaring van aanschouwen (Katz; 1996);
  2. Verbs of motion zijn geintegreerd onderdeel van overstijgende gemeenschappelijk handelen/acteren, om de ander uit te nodigen tot ervaring van hetzelfde punt van perceptie;
  3. Mensen vertrouwen meer op wijzen en minder op taal, naarmate de afstand kleiner wordt;
  4. Mensen hebben allerlei manieren om te verhullen dat ze deelnemen aan het groepsproces (involvementshields). Zelfs de kleinste beweging kan gezien worden als actieve deelname aan het proces en de aanwezigheid van andere spelers/deelnemers erkennen, door bodyshifts, anders gaan staan, zelfs stilte;
  5. Laat mensen zo veel mogelijk dingen aanraken;

Groepsdynamiek, sequenties en ritme: Een afsluitertje

– Verspreide aandacht in de groep/rommelig? Engageer 1 pers uit de groep met hoge status, en laat hem kijken en wijzen/gebaren. Dit nodigt de rest tot meekijken.

– Non-interactie/niet-deelnemers kun je ook bij het proces betrekken door hen deel te laten uitmaken van de nonverbale taal die de groep bindt: Door hen bijv ook te laten wijzen, waardoor zij dezelfde symbolische taal spreken; Ze voelen zich meer bij de groep horen en ook de groep zal bij een hogere groepsidentiteit,meer voor elkaar open staan; Zich anders ten opzichte van elkaar bewegen.

Afsluiten / transitie.

Zeker jonger publiek is heel erg gewend aan korte televisionele sequenties. Als iets onze tijd typeert, dan is het wel het fenomeen sequenties en serialisatie dientengevolge. We zijn als mens geneigd om verbanden te willen zien, ook tussen voorwerpen die eigenlijk niet bij elkaar horen. Als we er niet al een mooi verhaal bij hebben, dan zorgen we in ons hoofd dat we ze ” clusteren”. Zo moet je geen 20 absolute topstukken uit je museum, in een en dezelfde vitrine zetten, want de bezoeker loopt er zo aan voorbij: Het feit dat ze allemaal bij elkaar liggen, zijn door de bezoeker al geclusterd, en omdat het er zo veel bij elkaar zijn, zal het wel heel gewoontjes zijn of niet de moeite waarrd… dus loopt men er voorbij.

– Gebruik overgangen in je verhaal samen met de ruimte en met taalgebruik/narratieve structuur. Het publiek ervaart de ruimtelijke indeling- DE ultieme manier om zich te orienteren -ook als een verhaal. Als de basiskenmerken voor orientatie er niet zijn, raakt ‘ ie gedesorienteerd. Daarom is plaatsing en routing binnen het museum zeer belangrijk, omdat de bezoeker ook visueel gezien, de patronen van een verhaal gebruikt. Er zijn heel erg veel factoren die hem vervolgens van dat verhaal kunnen afbrengen en zorgen dat hij de weg kwijt raakt.

Als je een verhaal op zeker moment gaat samenvatten of je gaat door naar een volgend hoofdstuk, zorg dan dat je dat ook fysiek markeert, door bij een deur of doorgang te gaan staan. De bezoeker zal die 2 zaken met elkaar in verband brengen, waardoor een beter begrip van de bezoeker bij je verhaal ontstaat. In je verhaal gebruik je op die momenten, woorden die overgang of afsluiting suggereren, als “tenslotte” of ” tot zover, zo goed”, op het moment dat je naar een fysieke overgang komt. Die overgang kan zijn, van de ene naar de andere ruimte, maar ook deuren (open en gesloten), vormen voor het publiek een onderbreking in het verhaal van de ruimte.

Stemgebruik

Je stem is natuurlijk heel belangrijk. Zeker volwassenen zijn heel gevoelig voor een belerende toon. Je rol als gids is natuurlijk een “rare”, want je weet dingen die je aan publiek wil overbrengen. Toch is het een kwestie van structuur aanbrengen in je verhaal en soorten woorden die je gebruikt, en je als”acteur” te verhouden tot het publiek. Simpel gezegd: van binnen ben je een autoriteit ten opichte van de bezoeker, van buiten ben je een gesprekspartner, net als een collega zou zijn.

BRONNEN: Zie deze link

Dit artikel staat ook op ISSUU.

Informatie en contact

Bovenstaande is een greep uit de methode, die bestaat uit een aantal onderdelen theorie, praktijklessen en persoonlijke begeleiding bij het rondleiden van bezoekers. Interesse in deze methode? Neem contact op met Renk van Oyen voor een inspirerende afspraak. Vanzelfsprekend kan de methode worden aangepast naar de specifieke wensen van het museum.

acts@la-clappeye.nl

www.la-clappeye.nl

Nieuwe methode in ontwikkeling: Staging the museum – scenariobuiding voor museumprofessionals

Staging the museum – scenariobuiding voor museumprofessionals

Momenteel in ontwikkeling. Dit is een verkorte uiteenzetting van de inhoud.

In deze serie workshops – speciaal gericht op kleinere musea -leren de deelnemers op een andere manier te kijken naar bezoekersgedragingen en de resultaten van onderzoeksmethoden, direct toe te passen in de praktijk- als museumgids, als directie, als vrijwilliger of als kunstdocent. Met deze methode dichten we het gat tussen wetenschappelijk onderzoek en concreet gebruik van de resultaten in de praktijk, door zowel museumvrijwilliger als professional. 

Methodologie:

Grofweg gaat de deelnemer via abstractie (concepten, zienswijzen, softmaps) naar concreet werkbare draaiboeken. Hiervoor maken we gebruik van het gratis programma Celtx- software waarmee relatief eenvoudig een televisie/filmscenario kan worden gemaakt en ingericht. Dit programma bevat ook de mogelijkheid om tekst te annoteren en te voorzien van labels, waardoor per “scene” heel makkelijk een beeld verkregen wordt van direct te beinvloeden omgevingsfactoren, als doorzichten, sequenties in de opstelling van de expo en gebruik van licht en geluid. Tevens alle contactpunten tussen museum en bezoeker.
Via biografische aantekeningen van de museumbezoeker, door observatiemethoden in het eigen museum bijeengrbacht, ontwikkelt Aan de hand van dat scenario, vult de deelnemer de ontstane cases aan, tot een volwaardig draaiboek, waarmee ook concreet gewerkt kan worden, in de praktijk. Het omvat daarnaast ook een professioneel licht- en geluidsplan en een complete “breakdown-database” .de deelnemer een set kenmerken, waarmee hij/zij scenario’s gaat ontwikkelen in Celtx.

Parallel aan het hele proces, krijgt de deelnemer individuele coaching bij de rondleidingspraktijk, waarbij we niet alleen technieken uit de theaterpraktijk gebruiken, maar ook resultaten uit onderzoeken naar publieksbeinvloeding en ruimtegebruik, direct toepassen op de situatie.

Beknopt overzicht inhoud methode:

  • Van concept naar scenario naar volledig draaiboek
  • Vertelperspectieven: onderzoeken en kiezen
  • Creatieve technieken, point-shifting;
  • De ruimte gebruiken als decor;
  • Het gebouw zelf vertelt ook al een verhaal: spatial narrative, pacing, sequenties;
  • Wayfinding van publiek binnen gebouw en expo;
  • Eigen script schrijven en het verhaal doen;
  • Stemgebruik en invloed van de gids op publiek, spanningsboog en concentratie;
  • Non-verbale communicatie;

Wat mis je nog?

Zijn er zaken die jullie als museum professional, als bezoeker of vrijwilliger nog missen? Geef gerust voorstellen en tips, via de comments.

 

Deel 2: Tacit knowledge: de zaal en stedelijke context

 

In deze serie van 3 blogs, 3 verschillende benaderingen voor het versterken van de live concert-ervaring

Deel 1: De live concertervaring verrijken: holistische benadering

Deel 2: Tacit knowledge: de zaal en stedelijke context

Deel 3: Live-ervaring versterken vanuit de artiest

Een inspirerende afspraak plannen, naar aanleiding van deze blog? Mail me gerust voor een ontmoeting. acts@la-clappeye.nl;

Dit artikel staat ook op ISSUU 

Een perspectief vanuit tacit knowledge, tijd en plaats in de stedelijke context

De vorige blog (deel 1) ging over belevingen vanuit het perspectief van de experience designer. Ik maak een korte maar niet onbelangrijke omweg via het begrip tacit knowledge [ref]Chomsky (1965) said: ‘Obviously, every speaker of a language has mastered and internalized a generative grammar that expresses his knowledge of his language. This is not to say that he is aware of the rules of the grammar or even that he can become aware of them.’ This internalization of the rules or principles of a generative grammar is usually described as tacit knowledge and the claim that each language user tacitly knows a generative grammar has been a core element of Chomskyan linguisticsand cognitive science (e.g., Chomsky 1986: ‘the central concern becomes knowledge of language’).[/ref], in verhouding tot de spatial urban syntax.

“ Existential phenomenologists argue that, if we are to understand ourselves as human beings and the worlds in which we live, we must ground that understanding in a conception and language that arise from and return to human experience and meaning. There is no world “beneath” or “behind” the world of primordial lived experience, and existential phenomenologists are skeptical of any conceptual system that transcribes human life, actions, and experience into secondhand, reason-based presentations—for example, positivist-analytical accounts that necessarily convert experience and meaning into tangible, measurable units and relationships that are claimed to represent some empirical trace of their original lived source. “ David Seamon; 2004

Tacit knowledge is dus niet alleen conceptuele manier van denken en een abstractie. Ook in andere wetenschappen erkent men het bestaan en belang van tacid knowledge en de invloed daar van op onze interactie met de fysieke wereld. De band met space syntax is verbluffend actueel.

Space Syntax: methodology was developed by Hillier and Hanson (1984) and consists on the correlation of natural movement patterns in the urban grid. Space Syntax is useful for the understanding of the formal logic of the urban fabric, in what concerns its evolution and the emergence of centralities and living open spaces where the main urban activities take place (…)

(…) what is required for the development of an integrated methodology and theory is a clearer understanding among historians of how space influences society, culture and economy. This will create a platform for more analytical applications of the Space Syntax theory in the analysis of historical space. (…)”

 

Een overstijgende kwaliteit die voortkomt uit een systeem van kleinere onderdelen, en op zichzelf- als entiteit -interacteert met de omgeving en met andere- als entiteit communicerende- overstijgende kwaliteiten, zijn zgn “emergent qualities.”

” (…) emergent entities (properties or substances) ‘arise’ out of more fundamental entities and yet are ‘novel’ or ‘irreducible’ with respect to them. (…)”

De concert experience op het moment zelf, is een “emergent quality” van alle daar aanwezigen. Of men nu als publiek uit Limburg en Drenthe naast elkaar staan, men is onderdeel van een ervaring. Dat wil zeggen, ervaren waartoe zij zijn geprogrammeerd te ervaren. Geprogrammeerd door tacid learning. Lees ook over het concept tacit learning en het begrip space ballet. Dat verklaart waarom het publiek in dat pand is (residual meaning), met juist deze functie, in dit deel van de stad. Lees over de duidelijke overeenkomsten van de urban space syntax. Dit concept is door wiskundigen en andere exacte wetenschappers- weliswaar schoorvoetend -overgenomen, maar men voelt er zich vanuit die tak van wetenschap nog niet zo prettig bij. Toch is dit fenomeen,  ook in de architectuur en stadsplanning, een bekende methode om te kijken naar de veranderende structuur van de stad, de mens en de processen binnen de leefomgeving. Niet alleen om veranderingen mee in kaart te brengen om de stad mee in te richten, maar zeker ook om mee te begrijpen hoe de omgeving zich heeft gevormd en hoe ons gedrag daarbinnen te verklaren is.

 

Network view, tacit knowledge and learning
Network view, tacit knowledge and learning

 

Zo hebben de inwoners van een voorsprong middeleeuwse ommuurde stad, zoals Den Bosch, ook kenmerken in hun gedrag die horen bij de layout van de stad. De muren dicteren een bepaalde structuur van de straten, waarin de huizen vrij dicht op elkaar staan, en de straten de functie hebben van een doorgangsroute, met 3 hoofdwegen, die samenkomen op het belangrijkste plein. Inmiddels zijn er wijken buiten de binnenstad bijgekomen, met inwoners die de Bosschenaar net zo goed als een Bosschenaar beschouwt, zoals ook iemand die in de nieuwe wijk achter het station woont, maar toch is er een verschil. Dat zit hem in de perceptie, zoals we die hebben ontwikkeld, door de eeuwen heen. Alleen al de omschrijving “voor” en “achter” het station, zegt heel veel over de inwoner van de binnenstad. Zelfs mensen die wonen in de buitenwijken, gebruiken het perspectief van de historische binnenstad en hebben het ook over “voor” en “achter het station. Er kan een groot plein achter het station liggen, maar dit aan zicht en beleving onttrokken, door station en door tacit learning, kent weinig interactie met andere delen van de stad, dus zit het ook niet in de dagelijkse routine, niet binnen de zichtlijnen van de bewoners van de binnenstad. Dat heeft behoorlijke consquenties, zou je daar een concertzaal of theater willen hebben.

Het is een volstrekt kunstmatig aangelegd plein, ook in conceptueel opzicht; het is geen transitiegebied en vanaf “achter” het station bezien, is het hooguit een aanlooproute en geen plaats van bestemming. Een aanlooproute naar een centrale plek als een plein, is historisch gezien een plek, waar ook belangrijke functies niet aanwezig zijn. Als je kijkt naar Den Bosch en de Markt aldaar, zie je een plein waarop straten samenkomen,die doorgangsroutes vormen, via de belangrijkste toegangswegen van buiten de stad, naar de Markt.

De live-ervaring verlengen vanuit de zaal als plek

De sociale context waarin dat kan plaatshebben, moet je niet los zien van de rituele of ritualistische handelingen die onderdeel moeten gaan vormen van de flow waarin je de bezoeker wil krijgen. Men moet de bezoeker niet te snel te willen binden aan de concertflow. Zeker in een tijd waarin bezoekers niet meer zo gewend zijn aan een flow met een lange spanningsboog en de geringe mogelijkheid voor makers om een producer-generated flow te maken, waarin het publiek van begin tot eind in een door de maker bedachte flow blijft, moet je zorgen dat je genoeg ruimte laat voor andere processen, waarmee het publiek zich laat binden.

 

kaartjes den bosch

 

Bijvoorbeeld door remediation van het gebouw. Veel concertzalen zitten in panden die voorheen een andere functie hadden. Toch zit daar nu een concertzaal of theater. Er waren dus al kwaliteiten en eigenschappen in het gebouw en de omgeving, die gebruik voor een theater of concertzaal toestonden. Zoals W2 Poppodium en de Toonzaal in Den Bosch.

Ligging W2, Toonzaal en Verkadefabriek
Ligging W2, Toonzaal en Verkadefabriek

” In order to operate effectively in environments, in order to survive by our wits in the Savannah or in the shopping mall, we need to assess the environment’s potential to hinder or facilitate our goals, that is, we need to comprehend or “read” environmental meaning. (…) Stokols ( 1981) refers to place- based meaning as “the nonmaterial properties of the physical milieu – the sociocultural ‘residue’ (or residual meaning) that becomes attached to places as the result of their continuous association with group activities’. He further suggests that place-based meanings form the “glue” of familiarity that binds people to place (…)” (Place identity: symbols of self in the urban fabric. Blz 110)

Bijna altijd hadden die panden- in hun oorspronkelijke functie -kenmerken en kwaliteiten die het herbergen van grote groepen mensen toestond, die nu door de zalen worden benut. Zo niet de panden zelf, dan wel door de fysieke omgeving, die was ingericht om een bepaald stedelijk ritme te faciliteren. Er zijn veel invalshoeken waarmee de wetenschap kan kijken naar de stad en naar panden. Binnen de humanitaria, kijkt men ook naar de stad en de omgeving, als zijnde een groot boek met verhalen en structuren. Als je die met tacid learning vergelijkt en goed gaat kijken, kun je zeggen dat de taal die het gebouw spreekt, er eentje is die we misschien niet meer goed kunnen verstaan, maar waar van de betekenis zo diep in ons en onze gedragingen zit, dat we op zijn minst aanvoelen wat het tegen ons zegt. Al jaren bekijken wetenschappers naar de stad en haar structuur en bevollking, alsof het een podium is, met attributen en acteurs. Laat ik voor nu volstaan met de vergelijking dat de acteurs van destijds weliswaar zijn overleden, maar dat de rollen die zij speelden, nogsteeds bestaan. Ze lopen nogsteeds over dezelfde wegen, schuilen nogsteeds onder dezelfde boom. Toch zijn de randgebieden van toen- waar onder andere de Willem II fabriek, Verkadefabriek en de Heus (fabriek) stond, geen transitiegebieden. Ze lenen zich wel uitstekend als verbindingsfunctie voor regionale verspreiding van kennis, als culturele “hub”, omdat de omgeving niet meer is ingericht op inter-regionale netwerken, maar omsloten door functies die het verkeer voor industrieel gebruik verhinderen. Naar contouren van kennis-netwerken, kent iedere Bosschenaar wel iemand die beroepsmatig op de een of andere manier met een van de fabrieken te maken heeft gehad. Dat is een tacit quality van die industriële omgeving, waar een cultureel “hart” echt iets aan heeft; al is “hart” hier niet de juiste benaming meer voor. Het gebouw waar poppodium W2 zit- een voormalige sigarenfabriek -werd onlangs verbouwd en voorzien van nieuwe functies, waaronder diensten van nieuwe soorten creatieven, die een kantoor-ritme suggereren.

Laat ik de Toonzaal als voorbeeld nemen.

– Ligging: Aan de buitenste rand van het centum van Den Bosch. Nu in het centrum, toen het gebouwd werd in de 19e eeuw, stond het aan derand van de stad, maatschappelijk gezien, in de periferie van de stad. Gezien de veranderende demografie, lag het gebouw toen aan de rand van een relatief arm gebied, nu ligt het in een omgeving van relatief hoge welstand, waarin een groot deel van de omgeving niet voor bewoning is bestemd.

Die perifere functie werd overgenomen, toen het concertzaal werd. Periferen horen meestal alleen bij de gemeenschap omdat ze kwaliteiten hebben, die anderen niet hebben of niet op het juiste moment. Denk maar aan rondreizende zigeuners en kermisvolk, in vroeger tijden. Net als Joden, die als intermediair dienden in grensgebieden, omdat het de gereformeerden verboden was om met katholieken te handelen. Dat is voor de plek van de kunsten eigenlijk hetzelfde. Het is in marketingtermen minder makkelijk te ” culten” dan de W2, gezien de sacrale aard va het gebouw en de recente geschiedenis van WO II.

– Functie: Voormalige synagoge toen,concertzaal nu.

– Kenmerken van het gebouw toen:
Centrale gebedsruimte met grote rituele afstand tussen de geestelijke en de gelovigen;
Ook grote fysieke afstand binnen het gebouw tussen geesteljke en gelovigen;
Ligging niet nabij de grote toegangswegen naar de stad. Geen bestemmings-functie.

– Kenmerken van het gebouw nu: Centrale concertzaal, met grote afstand tussen bezoeker en artiest, door onder meer een lange fysieke afstand tussen publiek domein en de eigenlijke zaal, symmetrische opstelling vanwege placering van de stoelen en een nogaanwezige altaarkast, nog eens vehoogd door het grote verschil in akoestiek tussen foyer en zaal en een te hoog podium. Tenslotte de looplijnen binnen het theater. Rechterkant voor de gelovigen/bezoekers, linkerkant voor de rabbijn/artiest. Fysiek gezien, is er maar een weg naar binnen en een naar buiten. Een akoestieke overgang vanuit foyer naar de zaal, die bij het publiek het sacrale karakter van de ruimte extra benadrukt. In het muziekcircuit, staat de Toonzaal bekend om zijn goede akoestiek. De Toonzaal is een locatie waarvoor de bezoeker zijn bezoek van tevoren zal plannen.

Hoe gebruik je nu die kenmerken- de taal van het gebouw zelf, de ligging, de voormalige functie- ook als deel van de stedelijke omgeving en als visueelherkenningspunt in de stad -in je voordeel gebruiken? De vergelijking gebedsruimte en concertzaal en geestelijke en artiest, lijkt flauw, maar de bezoeker van nu, reageert net zo. Dat heeft ook grote voordelen. De decodering van tacit kwaliteiten is vrij “direct” te noemen. De gemeenschappelijkheid van de ervaring van aesthetische kwaliteiten, is vrij snel aanwezig, omdat de voorwaarden daartoe, voor een groot deel al verborgen liggen in de voormalige functie van de zaal, als gebedsruimte, de layout en de grote overgang tussen het concert en de publieke ruimte.

Interacties leefomgeving, waaronder space syntax en tacit learning

 

Ritme, gebruik en clusteren

Kijk als zaal nou ook eens naar de kwaliteiten van het oorspronkelijk gebruik: Een oude fabriek heeft toevoerswegen nodig voor materialen, moet centraal liggen vanwege de arbeiders die er dagelijks moeten komen werken, heeft een plek in het stedelijk landschap veworven, die is gaan uitmaken van een hele nieuwe manier van de weg vinden. Werken als 20-jarige in die fabriek, tekende destijds in een klap, het hele sociale en maatschappelijk leven van de arbeider af, in die paar woorden: Ik ben sigarensorteerder bij Willem II. Dat zijn kenmerken die nogsteeds in de kieren van de stad zijn terug te vinden. Kenmerken die je kunt aanspreken en benutten, als je een beetje out of the box kunt denken en kijken

Voor abonnementen is het interessant te weten dat clusteren en serialiseren heel goed kan werken omdat het steedsweer herhalen van min of meer dezelfde (live)ervaringen een verlangen bij de bezoeker opwekt, dat deelname hem doet groeien, dat hij er iets van opsteekt en er bij elk bezoek beter van wordt. (Pine & Gillmore). Als je er vervolgens een loyalty instrument aan toevoegt, die op die behoefte inspeelt (stempelkaart, klinkt ouderwets maar heeft zo zijn voordelen), kan dat mooi werken om de live beleving bij het publiek te versterken. Absolute voorwaarde is wel, dat je heel goed weet wat het publiek al weet en hoe je kunt aanvullen op hun kennis.

Hoe anders werkt dat bij live concerten met een hoger tempo? Heel algemeen kun je stellen dat een publiek met hogere participatiebehoefte, een jonger publiek is. Heel andere wensen en kenmerken ook, heel andere benadering van de live ervaring. In vicarious experiences- het spiegelen van ervaringen waardoor je de sensatie van de ervaring beleeft zonder de eigenlijke fysieke activiteit te verrichten, heeft men een ” model” nodig, die bepaalde kenmerken heeft, waarmee wij de geloofwaardigheid van de te spiegelen ervaring beoordelen. Naast de kenmerken sociale macht en competentie, is ook hoge status van groot belang. Ook om die reden is het van belang, het ” aura” in stand te houden, de scheiding tussen band/artiest en publiek in stand te houden. Daarmee bedoel ik niet arrogant of elitair, maar een rituele en conceptuele markering tussen de 2 domeinen. Dat kan al in de vorm van een verhoogd podium of belichting/lichtplan zijn. Het is geen goed idee om als band, voor het optreden al in de zaal of foyer te zijn.

Eigen aan een live-ervaring, is dat die in het hier en nu wordt ervaren. Als het moment en de ervaring voorbij is, blijft de herinnering aan de ervaring over. Dat is iets waarmee je de ervaring nog memorabeler mee kan maken. Door het “spiegelgevoel” van de ervaring, via andere middelen te verlengen. De herinnering aan de ervaring is niet alleen afhankelijk van het eigenlijke concertmoment, maar ook van de beleefde omgeving, door de tijd heen. De bezoeker anticipeert op en kijkt uit naar het concert, ervaart het concert op het moment zelf en heeft plezier aan de herinnering van bij het concert geweest zijn. Daar zijn veel manieren voor en niet elk type bezoeker kan op dezelfde manier worden getriggered via dezelfde middelen en kanalen.

De belangrijkste ingredienten om de herinnering aan een ervaring levend en memorabel te maken, bestaan uit het kunnen anticiperen op en uitkijken naar, de eigenlijke concertervaring zelf en de prettige herinnering aan de concertervaring, achteraf, zoals eerder besproken. Het is dus van belang dat je de bezoeker “door de tijd heen” trekt. Intertemporele beslissingen- hier het nemen van beslissingen waarvan de gevolgen zich gedurende de tijd, gelageerd ontvouwen, kunnen worden gevoed- binnen onze context van live muziek en theater, binnen een zaal), via verschillende methoden. Een beweging kan bijvoobeeld al heel veel doen. Een ritje in de achtbaan met 6 loops, kan je je nog jarenlang herinneren,elke keerdat je over een drempel sjeest,met de auto. Een bij een concert gekocht t-shirt geeft niet alleen een immateriële waarde mee in de vorm van een herinnering, maar bevordert tevens de word-of-mouth en bevestigd de drager er van in zijn plaats binnen zij eigen groep of context. Daarnaast heeft hij ook een tastbare herinnering aan het concert.

Het toevoegen van experience-elementen, rekt de Intertemporale beleving, maar tastbare objecten, kunnen de beleving nog veel verder uitrekken. Maar met een shirt of papieren kaartje alleen, zijn we er nog niet.

Fysieke belevingsverhogende elementen worden virtueel

De fysieke artefacten die de ervaring verrijken, worden vervangen door digitale alternatieven! Foto’s filmpjes et cetera. En laten dat nu bij uitstek zaken zijn, die de zaal moeilijk zelf kan vormgeven. De sociale media als kanaal, echter, zijn wel vorm te geven. Zo ook kan de zaal muziek weggeven, via Soundcloud etc. Goeie transmediale campagnes zijn belangrijk, maar zeker wil ik benadrukken dat het gamificeren van diensten die virtueel zijn, erg belangrijk is. Het is een heel technisch proces, waar ik in een ander blog of in een nader gesprek graag nog eens op in ga. In deze context volsta ik te zeggen, dat ook virtuele ruimtes, uiterlijke en innerlijke dimensies hebben. Belangrijk als je iets wil weggeven en een belevingswereld strategisch wil omsluiten.

Aanbevelingen voor zalen:

Zalen, het is heel hoog tijd dat jullie je serieus gaan bezighouden met

1) Faciliteren, toejuichen en toestaan van opnamen met smartphones bij concerten;
2) Live streaming gaan toestaan, zelf vormgeven en communities er omheen maken;
3) De archiefvorming die toch al aan het ontstaan is binnen de muzieksector, nu zelf in eigen hand nemen en vormgeven;
4) De tanende macht van de platenindustrie aangrijpen om zelf de dienst uit te maken ipv de grote maatschappijen.
5) User generated content: jullie toekomst en redding!
6) Inzetten van vrijwilligers om als eersten met smartphones concerten te registreren. Dat verhoogt de status van de individu als filmer, en bezoekers gaan hem/haar gebruiken als model voor een vicarious experience (door oa delen) wat de live-ervaring verhoogt en verrijkt.;
6) Bestaande live streams onmiddellijk omvormen tot volwassen en volwaardig medium

beeldregie W2 concertzaalFOTO: Op 31 oktober 2014 ben ik even gaan kijken bij de regie van de  live beeldregistratie van het W2 poppodium. 

Zo heeft het Concertgebouw een eigen live-stream voor concerten, die buitengewoon knullig in elkaar zit. Aangezien er vanuit het Concertgebouw verschilende malen per maand live uitzendingen worden verzorgd, staan daar standaard professionele camera’s, waar het Concertgebouw gebruik van mag maken. Ik vind het echt onbegrijpelijk dat zo’n zaal, met die middelen, zo amateuristisch met hun live stream om gaat. Aan het gebruik van mobieltjes, filmen bij concerten en live streams. zal ik later een aparte blog wijden.

 

Deel 1: De live concertervaring verrijken: holistische benadering

 

In deze serie van 3 blogs, verschillende benaderingen voor het versterken van de live concert-ervaring, vanuit verschillende perspectieven. De blogs zijn afzonderlijk van elkaar te begrijpen, maar vormen wel één geheel, dus het verdient de aanbeveling ze in chronologische volgorde te lezen.

Deel 1: De live concertervaring verrijken: holistische benadering & liveness

Deel 2: Tacit knowledge: de zaal en stedelijke context

Deel 3: Live-ervaring versterken vanuit de artiest

 

Lees vooral alle 3 de delen, aangezien het verschijnsel tacid knowledge door alle 3 de blogs zit verweven. Onderaan deel 1 zit ook een lijst met bronnen, waaruit ik voor deze serie blogs heb geput. 

 

De live-concert ervaring voor publiek ter plaatse: hoe verrijk en verbreed je de ervaring?

Een concert als geïsoleerde ervaring? De NS hebben er heeeel erg lang over gedaan, maar hebben eindelijk in de smiezen dat de reiservaring van de reiziger, niet alleen bestaat uit het station binnen komen, instappen en overstappen, maar dat dit slechts een onderdeel is van de totale reis, die al start vér voordat hij überhaupt zijn huis verlaat. Nieuwe stationsconcepten, privatisering en samenwerken met bedrijfsleven, dwingen de ns er toe, eindelijk eens te gaan kijken naar multimodaal en intramodaal transport, en de bijbehorende reiservaring. Fietsen is niet leuk, de auto is vervuilend. Jazeker, de trein nemen: dat is zeker weten de mooiste ervaring. Daar horen strategische belevingsconcepten bij, die voor zo’n bedrijf behoorlijk kostbaar zijn.

Wat heeft dat nu met concerten te maken? Net zo als de NS begrijpt dat het zijn systeem van rails kan gebruiken om specifiek hun deel van de reis (met de trein dus) tot de leukste en meest memorabele beleving te maken, kan een concertpodium of theater, gebruik maken van de rails in al onze hoofden, om te komen tot memorabele belevingen, die tot lang na het concert bij ons blijven. Daar moet een zaal met beleid, inzicht een vooruitzicht aan beginnen. Maar het goeie nieuws is: Ook met relatief eenvoudige ingrepen, hoeft dat helemaal niet zo duur te zijn!

Wel moeten belevingen zorgvuldig worden geregisseerd!

” (…) considered a live music performance when the music is performed by an artist (or artists) for an audience at a publicly accessible place. The live music experience on the other hand not only constitutes the band’s performance but also the time surrounding this performance. Thus different factors like e.g. the setting in which the band is performing also have an effect on the overall live music experience (…) ” – S. Kold

 

Allereerst verandert de samenleving in een hoog tempo. Dus ook je publiek. Omdat wij kunst maken, zitten we heel dicht op processen die ons als mens binden, sturen en leiden. Rituelen sturen en maken ons, maar we zoeken er ook veiligheid in, we willen er in schuilen. Dat kan op den duur tegen ons werken, daar we niet altijd direct in de gaten hebben, welke van de twee voornoemde functies, we eigenlijk aan het bedienen zijn. Voorzien we in de behoefte een raamwerk van nieuwe en bestaande rituelen te bieden? Of zitten we juist aan het allerlaatste puntje richting heel andere processen? The thin end of the wedge? In beide gevallen zitten we er middenin, naast de bezoeker.

Een concertbeleving is geen geïsoleerd moment. Je kunt er arrangementen omheen verzinnen, maar die hebben niet altijd een langlopende bestaanscurve, en worden meestal naar kortlopende marketingwaarden beoordeeld. Beter nog dan in kaart brengen wat de ervaring van de bezoeker ter plaatse is of zelfs experiencemapping van de reis vanuit huis naar zaal, zou je je eens moeten verdiepen in het ritme van je bezoeker: welke handelingen zijn routinematig, welke handelingen zijn ritueel? Zijn de routinematige handelingen wellicht tot onderdeel van een door de zaal gecreëerde beleving om te vormen? Althans, zodanig dat het publiek het associeert met de door de zaal beoogde live-beleving? In deze blog een abstractere manier van kijken dan je misschien gewend bent te doen.

In plaats van een plaats te zijn waar artiesten optreden, moeten zalen veel meer gericht zijn op het verrijken van ervaringen en belevenissen. Dit is niet een geïsoleerde marketingcampagne, maar een strategisch startpunt. Veel zalen willen wel, maar weten niet hoe ze dat moeten aanpakken, zijn bang bestaand publiek te verliezen of kunnen niet goed zien hoe het hen op den duur voordeel kan opleveren. Meer richten op verrijken van belevenissen kan ook betekenen dat je op concepten uit komt waarin het live concert maar een relatief klein onderdeel vormt van het geheel. Door de crisis gaan mensen minder vaak naar een concert, maar wat als je de contouren van de concertervaring nu zou kunnen buigen naar concepten die meer gaan over lifestyle, entertainment en uit gaan? Grote kans dat je concepten ziet ontstaan die werken, die betaalbaar zijn, en waarmee je je publiek niet vervreemd maar juist aan je kunt binden.

Een holistische benadering

Een bezoek aan de concertzaal of theater, is niet een geïsoleerde gebeurtenis in het leven van de bezoeker. Je moet het bezoek zien als een serie van ogenschijnlijk intergerelateerde momenten, die middenin het leven en belevingswereld van de bezoeker staan. Inclusief de busreis naar de zaal, de stad waarin hij zich beweegt, het ritme waarin hij zich beweegt en de motivators daartoe. Ze komen aan met voorkennis, een netwerk, met bepaalde drijvende kenmerken, as individu, als man of vrouw, als lid van een zekere sociale klasse en inkomensgroep. Heeft hij vroeger muziekles gehad, bijvoorbeeld? Dat kan al duiden op een bepaald persoonstype, waarvan de kenmerken zich verder uitstrekken dan alleen dat geïsoleerde gegeven. Door middenin de beleving van de bezoeker te gaan staan, kun je toekomstig gedrag voorspellen. Niet enkel de beleving terplekke, ook die door de tijd heen, via de kanalen, die hen sturen, en die door hen zelf gevormd werden. Zichtbaar en onzichtbaar, bewust en onbewust.

Sören Køld; The power of live; 2012:

” Browsing for potential concert experiences and buying a concert ticket induces the consumer to both anticipate and look forward to the concert, to experience the sensations of being at the concert, and finally to enjoy the memory of having attended the concert. “

Op vrijdag gaat men na het eten uit of zoekt een arrangement op: keuze voor arrangement kan gebaseerd zijn op het totaalplaatje van het arrangement zelf, maar ook een keuze van praktische aard zijn: meteen vanuit het werk Door naar de concert/theaterzaal. Een holistische benadering van experience design, geeft inzicht in alle aspecten die de bezoeker binden aan zijn omgeving, waar de zaal- “toevallig” -ook deel van uit maakt.

De handelingen die nodig zijn om bij een concert aanwezig te zijn, en direct gelieerd aan de verwachting van wat het concert bij de bezoeker teweeg brengt aan belevingen, kun je direct koppelen aan de concertbeleving zelf!

Bijvoorbeeld het zoéken naar een concert en het bestelproces van het ticket. Zelfs in een wereld die zich virtueel en online afspeelt en waarin mensen steeds minder eenzelfde activiteit verrichten op hetzelfde moment (bijvoorbeeld samen televisie kijken, zijn de fysieke handelingen die we verrichten om bijvoorbeeld ons te oriënteren op de week, het weekend, vergelijken van vrije tijd en werktijd, gebonden aan heel aardse en fysieke kenmerken, in de tijd, locatie en fysieke plaatsing van de potentiële bezoeker.

Ik noem hieronder niet alle methoden en modellen bij naam en functie, maar doe enkele aanbevelingen, die de live concert-ervaring kunnen versterken en vormgeven.

– Zoeken naar mogelijke concertervaringen door bezoekers, is al een deel van het uitgaansritueel
– Kaartje kopen: Mag online besteld worden. Wel een korte route laten doorlopen bij het bestelproces, waarmee je het vooruitzicht op de live-ervaring van het concert al voor een deel beloont; Je voorziet daarnaast al in enkele contactpunten met de zaal, die je kunt vormgeven;
– Het fysieke toeganskaartje (dik papier): Fysieke artefacten, als verlenging van de live-ervaring van het concert;
– T-shirts, caps, kaart van de omgeving, transport regelen voor/na het concert (maar pas op, dit kan het geheel een te massaal uiterlijk geven, als je het als dienst isoleert);
– Arrangementen: Doe dat alleen als het ook past bij de pacing, toon en het ritme van zowel doelgroep, concertsoort, leeftijd en e kanalen die je gebruikt. Zo kan een eet-arrngement goed werken bij een klassiek concert voor 50-plussers (” passief” publiek, hoge graad van immersie, esthetiekis belangrijk) maar juist niet bij een jonger publiek, die maken liever zelf die keuze, maar stellen tips voor goedkoop eten en drinken, wel op prijs;

 Het eigenlijke bestellen aan de kassa en de functie van het wachten: Moeten wachten in de rij, is niet altijd erg. Het helpt de zaal het moment van de dienstverlening wat te verlengen, service zichtbaar te maken. Voor het publiek is het interessant omdat ze hun mede-publieksleden kunnen zien, zich kunnen vereenzelvigen met de doelgroep, en hoe die zich tot henzelf verhoud. Bij elkaar in eenzelfde ruimte, geeft een gevoel van gezamenlijkheid, die de live-ervaring aanzienlijk ten goede komt. Hou er echter wel rekening mee dat ervaringen uit het verleden, bepalend zijn voor het referentiepunt van tijd-perceptie, bij de bezoeker. Het vervelende gevoel van moeten wachten, begint al bij het zien van een rij. Er zijn manieren om het vervelende gevoel van moeten wachten, wat te verlagen. De wachttijd heeft nl invloed op de manier waarop de bezoeker, naderhand de concertervaring evalueert.

” (..) The memorability of the concert experience, is also part of the social experience (…) ” – The Power of Live, S. Kold; 2012.

Een onderzochte methode, is het ophangen van infoborden, met de nog overblijvende wachttijd. Dat werkt positief op de klant, maar is voor concertzalen en theaters niet een goede methode. Ik zelf zou juist aanraden, om het gevoel van ” ruimte waarin je moet wachten” te verkleinen, door de functie van de foyer te veranderen. Geen wachtruimte meer, maar een ” being space, een plek waar je- naast werk en thuis -een derde ruimte hebt, waarin je thuis bent. Je kent kwaliteiten toe aan de ruimte, die de functie van de ruimte veranderen, en daarmee de beleving er van.

Veel stoelen neerzetten, bediening aan tafel. Een ander dissonerend ritme door de ruimte laten gaan, is een goed idee. Bijvoorbeeld mensen die uit de zaal komen, meteen naar de foyer leiden. Dat versterkt de anticipatie van de bezoeker, de voorgestelde beleving, en de emotional contagion werkt niet alleen via gezichtsuitdrukkingen,maar ok lichaamstaal en de “taal” die de groep als geheel uitstraalt, de symbolische interactie tussen de ledeen, forceert een cultuur. De belangrijkste motivator voor menselijke interactie, is reciprociteit. Of een singer songwriter als voorprogramma in de foyer. Zo’n ervaring creeert een gezamenlijkheid, die niet bij het gevoel van wachten hoort.
 Het wachten bij de bar zo veelmogelijk beperken; Vooral bij een min of meer klassiek publiek, is dit een grote bron van ergernis.

Liveness simuleren

Liveness (Bourdieu, Auslander/Ytreberg) wil ik hier graag apart behandelen. Met liveness wordt namelijk vaker de televisionele manier van live-gevoel creeeren bedoeld, als methode om bij de kijker het gevoel van live op te wekken. Heel grof gezegd zijn er 2 soorten van televisie maken: door televisiemakers zelf bedacht en gemaakt, en programma’s die door externe factoren worden aangboden aan mediamakers, in de vorm van events die zo groot zijn, dat de makers alleen maar kunnen registreren wat er aan het gebeuren is, en hebben er zelf geen invloed op. Deze media-events hebben kenmerken, die een grote invloed uitoefenen op het kijgedrag van de kijker, en van sociale interactie. Ze hebben een sterke rituele en ritualiserende functie, veel mensen kijken op hetzelfde moment naar hetzelfde programma, gaan met groepjes bij elkaar zitten, praten over hezelfde en ze vertonen, eigenschappen in taal, symbolen en bewegingen (emergent qualities (Sawyer) die een grote invloed kunnen hebben op publieke opinie. Televisiemakers passen hun formats daar op aan. Daar waar nieuwsprogramma’s maar 2 soorten vertelstijlen hebben, die je kunt samenvatten als de expert-view en narrative view (ook verschil in status), gebruiken televisiemakers een set van technieken en zeer geraffineerde methoden, om de kijker het gevoel te geven dat ze naar een media-event zitten te kijken. Ze gebruiken dus kenmerken van het nieuwsformat, om een live-gevoel te creeren bij de kijker. Zo gebruiken veel quizzen, 2 verschillende stemmen (acousmatic, personalised) om bijvoorbeeld een specialist naast de presentator een hogere status te geven, een notaris met een acousmatic voice. Het gaat zelfs vo ver, dat populair nieuws, in de continuiteit, heel subtiel net voor schakelen naar een interviewer op locatie, een acousmatische stem over het beeld heen zetten, om de” ernst” van de komende beelden aan te zetten.

Dit fenomeen is voor de podiumsector van groot belang, daar de artiest-publiek-interactie en motivaties voor publiek om naar het live concert te gaan, snel veranderen, maar de vorm van het optreden, in grote lijnen dezelfde structuur heeft, met een cultureel-bepaalde verwachte interactie. Een die het publiek wel anticipeert- maar dat is het actieve publiek. Die acceptatie is juist de kern van de ” afspraak” die ze met de creatieve wereld van de artiest hebben gemaakt, en ook met mede-publieksleden, ter plaatse.

Maar intussen dendert de wereld gewoon door. En ook de mediaconsumptie verandert. De kenmerken van de televisuele werkelijkheid, kunnen met enige aanpassingen, heel goed ook in de concertzalen worden toegepast. Repetitie, bijvoorbeeld, is een kenmerkend verschijnsel van deze tijd. Het impliceert bijvoorbeeld dat er genoeg van alles op verschillende tijden aanwezig is, en anders wel weer een keer terug komt. De mogelijkheden om iets unieks te zien slinken niet alleen, ook de wens en behoefte daartoe, verandert van vorm. Het stuurt ook ons gedrag. Zo kunnen we, met de televisie op de achtergrond aan, zonder dat we zelf aan het kijken zijn, heel makkelijk bepalen hoe laat het precies is. Op tv gebruikt men promo’s en teasers, sequenties, die met elkaar een taal vormen die men verstaat. In het theater is dat ook te gebruiken, door bijvoorbeeld bij sluitingstijd hetzelfde liedje te spelen, door midden op de avond een happy hour te houden.

“Jane Feuer (1983) has argued that an ‘ideology of liveness’ exists to naturalize a number of conventions for making events seem to unfold in an immediate ‘now’. “

Enkele aanbevelingen voor simuleren van liveness:

  • Remediation van bestaande formats naar het podium
  • Schermen ophangen in de foyer, met live beelden vanuit de zaal
  • Bezoekers van buiten de stad, koppelen (pairing) aan lokale, vaste bezoekers. In het geval van live concerten, blijkt uit onderzoek dat bij publiek-publiek-interactie en daarmee publiek-artiest-interactie, de lokale bezoeker zeer bepalend is voor hoe het publiek zich als groep gedraagt, De factor afstand bepaalt in hoge mate, hoe de lokalen en buitenstaanders zich gedragen. De lokalen hebben immers meer gemeen (emergent qualities), waardoor ze op een andere manier met elkaar communiceren.
  • Live videoregistraties met camera’s in het zicht van publiek;
  • Scripts (theater) aanpassen met heel actuele onderwerpen / uit het nieuws van die dag,
  • Op schermen in de foyer of bij de kassa, een ranking-systeem laten meedraaien, waarop live de beoordeling van net vertrekkend publiek is te zien
  • Scripten van social settings: Op het toneel, mise en scene met huiskamer, eetscene etc.Gebruik van aankleding en attributen van grote warenhuizen;
  • ” Re-enacting implied relationships” Personages in toneelstuk, gevormd naar personae uit het publiek van de zaal;
  • Televisioneel gezette changementen; filmische overgangen
  • Op toneel: het toneelstuk meer de contouren van een sociale interactie geven, die een duidelijke ” emergent quality” heeft, waar het publiek zich in kan herkennen. Een emergent quality is gevormd door de symbolische interactie van de groep. In geimproviseerd theater bijvoorbeeld, is juist de essentie van de voorstelling om via de performance een ” emergent” te creeeren en niet een product af te leveren. Echter, kan het zo zijn dat het publiek (vaak jongeren), niet receptief is voor de gecreeerde symbolische taal.

Visualiseren, mapping, in kaart brengen

Het in kaart brengen van belevingen is een proces dat op meerdere manieren ingezet kan worden. Als meetinstrument, als visualisatietool, als ideeëngenerator en als simulator. Dat kan op macroniveau (bv crowdcontrol), mesoniveau (looplijnen in een winkelstraat of station) of microniveau (bv de interactie personeel en klant of interactie mens en fysieke omgeving of product; interactie mens en bronmaterialen als stof, ijzer etc.).

Met het meten van de verkoop aan kaartjes, ben je er in ieder geval nog niet.

Inzichten verkrijgen die bepalend zijn voor de beleving van een dienst, product of omgeving. De mens is een individu, maar als je uitzoomt en je kijkt naar hoe bv voetgangers zich bewegen en gedragen, zie je dat er maar heel weinig voor nodig is, om ons helemaal van slag te krijgen. Dat is ook het geval als je inzoomt naar winkelpubliek. De beslissing om wel of niet de bedachte routing te volgen, of een rij met schappen te passeren, wordt voor een belangrijk deel bepaald door processen waarvoor nog maar weinig aandacht bestaat op micro-niveau. Bijvoorbeeld de placering van spiegels, de kleding van het personeel, verlichting of zelfs dichtheid van de ruimte (Spatial density) of aantal personeelsleden, bepaalt of en hoe we ons door die ruimte bewegen. Op het gebied van visualiseren van big data, zijn er echter heel veel mogelijkheden, die verrassende inzichten brengen. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als je fysieke delen van de straat, interactief maakt en van het publiek een reactie verlangt, in de vorm van bediening of aanraking? Het resultaat is verbluffend: Wij als voetgangers raken er helemaal van van slag!

Ook applaudisseren kan in kaart worden gebracht. Al lang ziet men verbanden met spraakpatronen. Zo blijkt een klein aantal rhetorische sets, geassocieerd te zijn met meer dan tweederde van (Atkinson) het applaus bij politeke speeches. Mensen die verlegen van nature zijn, zullen later beginnen met applaudiseren, dan mensen die minder verlegen zijn. Mensen met een groot ego hebben een kleinere personal space. Introverte mensen, staan verder van elkaar, dan extraverte persoonlijkheden. Wat betekent dat voor het applaus? Ik durf me er vanuit hier even niet aan te wagen.

Een inspirerende afspraak plannen, naar aanleiding van deze blog? Mail me gerust voor een ontmoeting. acts@la-clappeye.nl

Ik noem tenslotte een paar voorbeelden van bestaande toepassingen en methoden, om verschillende delen van de belevingswereld in kaart te brengen:

– Crowd control, crowd management, big data tools, urbanisme:

 

Experience mapping: In kaart brengen van de preciese, exacte ervaring van de bezoeker, met alle door de zaal geplotte contactpunten, inclusief de abstracte delen van de belevingswereld: servicegehalte, lichtval, hitte van de koffie bij de bar, de service-architectuur van de organisatie;

CmapTools; Gratis conceptmap software

 

– Softmaps en cognitive mappping:

– Spatial en experiential analysis-tools: Hoe verhoud de bezoeker zich tot de fysieke aspecten van het gebouw? Genoeg licht? Hoe verloopt de wayfinding? Kan de bezoeker zich gemakkelijk orienteren? Via licht, via de ramen, via zijn geheugen, via verwachtingen die hij ergens in zijn hoofd heeft (cognitive wayfinding); Crowdmanagement software, crowd simulators;

 

– Narratieve en fuzzy methoden: Dagboekresearch, gestructureerde interviews, veldopnamen;

 

Enkele interessante sites en methoden:

BRONNEN

  • Allen, Robert Clyde, and Annette Hill. The Television Studies Reader. London: Routledge, 2004.
  • Auslander, Philip. Liveness: Performance in a Mediatized Culture. London: Routledge, 2011
  • Avery, Robert K. Public Service Broadcasting in a Multichannel Environment: The History and Survival of an Ideal. New York: Longman, 1993.
  • Barker M; 2003 – “Crash, theatre audiences, and the idea of liveness.”
  • Baumard, Philippe. Tacit Knowledge in Organizations. London: Sage Publications, 1999.
  • Bilda, Zafer – “Designing for audience engagement”
  • Bourdon, Jérôme, and Cécile Méadel. Television Audiences across the World: Deconstructing the Ratings Machine.
  • Carpentier N; 2001 – “Managing audience participation: the construction of participation in an audience discussion programme.”
  • Conermann, Stephan – News and Rumor – local sources of knowledge about the world ;
  • Craane M. 2013 – A lived hermetic of people and place: phenomenology and space syntax;
  • Csikszentmihalyi, Mihaly. Flow: The Psychology of Happiness. London: Rider, 1992.
  • Dormans, Stefan Elisabeth Martinus. Narrating the City: Urban Tales from Tilburg and Almere. S.l.: S.n., 2008.
  • Duke, A. C., Judith Pollmann, and Andrew Spicer. Public Opinion and Changing Identities in the Early Modern Netherlands: Essays in Honour of Alastair Duke. Leiden: Brill, 2007.
  • Frith, Simon; 1996 – “Music and Identity.”
  • Hanus, Jord – Mapping Sixteenth-Century ‘s-Hertogenbosch : Towards a Spatial Analysis of Urban Social Structures; University of Antwerp; Centre for Urban History; Fellowship of the Research Foundation – Flanders (FWO-Vlaanderen)
  • Hanus, Jord. Affluence and Inequality in the Low Countries: The City of ‘s-Hertogenbosch in the Long Sixteenth Century, 1500-1650. Antwerpen: S.n., 2007.
  • Hook, Jonathan David; 2013 – “Interaction Design for Live Performance”
  • Hull B.; 1993 – Place identity: symbols of self in the urban fabric
  • Kold, Søren – The Power of Live A Rough Guide to the Concert Experience;
  • LaTulipe ea. 2011; – “Love, hate, arousal and engagement: exploring audience responses to performing arts”.
  • Oyen van, Renk -2014 – Reizen in je hoofd: De smaak van cirkels, de vorm van zuur; essay.
  • Platz F. & Kopiez R; 2013. “When the first impression counts: Music performers, audience and evaluation of stage entrance behaviour – Performers impression-management with regard to the audiences impression-formation”.
  • Robinson, Mark – Understanding Crowd Behaviours Volume 1 – Practical Guidance and Lessons
  • Robinson, Mark – Understanding Crowd Behaviours Volume 2 – Supporting theory and evidence
  • Rose, Alice. The Storyteller’s Journey. Carpinteria, CA: Pacifica Graduate Institute, 2001.
  • Sternberg, Robert J., and Joseph Horvath A. Tacit Knowledge in Professional Practice: Researcher and Practitioner Perspectives. Mahwah, NJ: L. Erlbaum, 1999.
  • Stoop, A.; 2013 – ” De live-stream van het Concertgebouw.”
  • Ytreberg – “Working notions of active audiences”
  • Ytreberg; 2004 – “Formatting participation within broadcast media production”
  • Ytreberg; 2005 -“Scripts and mediated communication”
  • Ytreberg: – “Extended liveness and eventfulness in multi-platform reality formats”
  • Ytreberg: – “Premeditations of performance in recent live television: a scripting approach to media production studies”